De zeven hoofdzonden

Krijn Pansters
De kardinale deugden in de Lage Landen, 1200-1500
Verloren, 276 blz., € 29,-

Decennialang werden, althans in Nederland, woorden als ‘conservatief’ en ‘moralisme’ vrijwel uitsluitend negatief gebruikt. Ook het begrip ‘deugd’ werd gezien als iets wat achterhaald en zelfs verdacht was. Onder invloed van Rousseau gebruikten Robespierre en de zijnen ‘deugdzaamheid’ als ideologisch vaandel waaronder massale bloedbaden werden aangericht. Ook daarna zouden nog vele revolutionairen volgen die in naam van nobele idealen en vol goede bedoelingen miljoenen mensen in het verderf stortten. Er ontstond een heftig verzet tegen alles wat de mens inperkte, de vrijheid gold voortaan als hoogste goed. Niet de plichten van de mensen dienden centraal te staan, maar zijn rechten.

Sinds enkele jaren roert een aantal zelfbewuste conservatieven de trom, die zich fel keert tegen de permissive society, waarin naar god noch gebod luisterende individuen zich volledig overgeven aan het bevredigen van hun behoeften en het botvieren van hun aandriften. Zo pleit iemand als Andreas Kinneging voor het eerherstel van de Grieks-Romeinse deugdethiek, die volgens hem het fundament vormt van de westerse cultuur. De door Plato geformuleerde deugden – verstandigheid, gematigdheid, dapperheid en rechtvaardigheid – werden overgenomen door het christendom, dat daar nog de deugden ‘geloof’, ‘hoop’ en ‘liefde’ aan toevoegde. Deze laatste drie werden de theologische deugden genoemd, terwijl kerkvader Ambrosius de vier platoonse deugden omschreef als de ‘kardinale deugden’. Dit was afgeleid van het Latijnse woord cardo, dat de pen aanduidt waarmee een deur in een deurpost vastzat. De kardinale deugden vormden dus de spil waarom het gehele morele universum draait.

Lange tijd is aangenomen dat de vier kardinale deugden vanaf het begin een essentieel onderdeel vormden van de christelijke moraal. Tegelijkertijd bleven deze van oorsprong heidense deugden een probleem opleveren voor de christelijke moraalleer, en werd de spanning tussen de deugdenleer en de genadeleer nooit helemaal opgeheven. Desalniettemin zouden de kardinale deugden tijdens de Middeleeuwen op grote schaal mondeling en schriftelijk zijn overgeleverd.

In zijn dissertatie toont Krijn Pansters aan dat deze vooronderstellingen, althans voor de Lage Landen in het tijdvak 1200-1500, niet kloppen. Op grond van een groot aantal teksten laat hij zien dat de kardinale deugden niet volledig afwezig waren, maar dat ze slechts een zeer marginale rol speelden. De leer van de zeven hoofdzonden was veel en veel belangrijker. En anders dan wat sommige auteurs beweren, werden de kardinale deugden doorgaans niet ingezet als remedie tegen die zonden. Ook waren typisch christelijke deugden als nederigheid en kuisheid veel belangrijker.

Hoewel er zeker sprake is van continuïteit, van een doorlopende band met de Oudheid, maakt Pansters’ boek duidelijk dat een dergelijke lijn heel wat minder eenduidig en veel kronkeliger is dan filosofen of theologen doorgaans denken.