Pleistoceen 

De zichtbaarheid van de materie

*Pleistoceen

Sinds zijn verschijning in het vroege Quartair is de homo sapiens sapiens gewend alles op aarde met eigen ogen te kunnen zien. Nu ja, de Wereldgeest, de Heer der Heerscharen en het Ding an Sich kunnen we niet zien, maar dat vinden we tegenwoordig geen gemis. Verder zien we namelijk alles: enfin, alles wat zich niet in het donker bevindt en geen elektromagnetische straling afgeeft.

Doet het dat wel, dan zien we het. Althans voorzover het een straling met een golflengte tussen 380 en 780 nanometer uitzendt. Ultraviolet, infrarood en X-stralen kunnen we vergeten en ook die boven- en ondergrenzen gelden enkel in een vacuüm, maar wat overblijft heet met recht het zichtbare spectrum. Daarbinnen zien wij mensen werkelijk alles. Dat wil zeggen niets. We krijgen een amorfe lichtpap over ons netvlies uitgestort waarin we met behulp van onze ogen en hersenen structuur moeten aanbrengen.

Dankzij onze unieke perceptuele organisatie, waardoor we nog eens negentig procent van de binnenkomende lichtprikkels negeren, kunnen we kleuren, lijnen, dimensies en patronen zien. Vooropgesteld dat ze vallen binnen die handvol inherente waarnemingscategorieën waartoe we volgens Immanuel Kant veroordeeld zijn. En sinds Leon Festinger in 1957 op de proppen kwam met zijn cognitieve-dissonantietheorie zit ook dáár de klad in: veel dingen die we zouden kunnen zien, blijven onzichtbaar omdat we ze niet willen zien.

Vooruit, we zien eigenlijk maar een piepklein beetje. En dat beetje dreigt ons ook nog te worden afgenomen door John Pendry, theoretisch fysicus aan het Imperial College te Londen, en zijn collega David Smith van Duke University in North-Carolina. De Brit beschreef begin dit jaar in een artikel een ‘onzichtbaarheidsmantel’, gemaakt van ‘metamateriaal’ (niet in de natuur voorkomend) dat microgolven afbuigt. De Amerikaan bouwde onlangs zo’n apparaat, bestaand uit een serie concentrische ringen met de omvang van een filmrol, en stelde vast dat het werkt. Vooralsnog alleen op microgolfniveau, maar wat niet is gaat beslist komen.

Het Opperwezen zorgde er al voor (Genesis 11:1-9) dat wij elkaar niet kunnen verstaan. Dat was een doorslaand succes: die toren van Babel is nooit af gekomen en we kakelen in achtduizend talen door elkaar. Als Het ons nu ook nog zand in de ogen strooit, wordt het hier beneden wel een erg ongelijke strijd.

2006