Hoofdcommentaar

De zichtbare hand

De parlementaire enquête naar de bouwfraude is voer voor economen. Het staat nu al vast dat het eindrapport van de commissie-Vos voor beoefenaren van the dismal science belangwekkende gegevens gaat opleveren. Niet omdat het onvermijdelijk namen zal noemen of flagrante gevallen van omkoping zal aantonen. Even min vanwege de voorspelbare anekdotes over betonboeren en verwarmingsgrossiers die elkaar boven de amuses-bouche in Sociëteit ’t Kerckebosch enveloppen toeschuiven en rekenvergoedingen beloven. Het rapport belooft in de eerste plaats een onthullende studie te worden naar de werking van het reëel bestaande kapitalisme.

Het maatschappelijk belang van zo’n onderzoek is groter dan het belang van betrokken beroepsgroepen of individuen of het justitieel belang van de vervolging van frauderende aannemers of ambtenaren. De enquête is nu juist ingesteld omdat vervolging van afzonderlijke bedrijven of bestuurders in veel gevallen onmogelijk is gebleken, en in elk geval onvoldoende voor het doorbreken van een frauduleuze praktijk waarbij de overheid op tal van niveaus is betrokken. En daar wordt de materie voor economen interessant. De veelgehoorde verklaring dat de bouwwereld «te weinig marktwerking kent» is ontoereikend. De gegevens die tot nu toe boven tafel kwamen bewijzen opnieuw dat ons begrip van het verschijnsel marktwerking te kort schiet. Net als in de recent geprivatiseerde energie- of vervoerswereld staat de praktijk mijlenver af van de theorie.

Echte markten, markten waarop mensen van vlees en bloed de dienst uitmaken, onttrekken zich nog altijd aan de theorieën die economen van diverse ideologische pluimage in de loop van de laatste twee eeuwen hebben ontwikkeld. De voorspellende waarde van hun modellen is vaak omgekeerd evenredig aan hun wiskundige precisie. Bij het doorgronden van het complex van belangenverstrengeling, concurrentievervalsing en georganiseerde intimidatie dat in deze enquête aan het licht komt, biedt de heersende theorie nauwelijks houvast.

De neoklassieke markttheorie bijvoorbeeld, in de jaren vijftig ontwikkeld door de econometrist Walras, is een zuiver wiskundig model dat voorbijgaat aan alle instituties, eigenschappen en menselijke betrekkingen die er in het dagelijks leven toe doen. Het doorstaat bij wijze van spreken niet eens de Albert Cuyp-toets. Om een voor iedereen winstgevend marktevenwicht te bereiken, moet volgens Walras aan een groot aantal voorwaarden worden voldaan. Alle marktpartijen moeten beschikken over volledige en kostenloze informatie, vrijheid van beweging, een rationele rangorde van voorkeuren, homogene producten, gelijke concurrentiedrang en kostenloze middelen om de naleving van contracten af te dwingen.

Kortom, de walrasiaanse markt is een rondedansje van mathematische punten rond een X- en een Y-as, strijdig met alles wat er in en buiten de wetenschap bekend is over het functioneren van concrete markten. Leg daarnaast de verklaringen van aannemersvoorzitter Brinkman of Unica-secretaresse Van Gelder en er gaat een nieuwe wereld voor je open. Dat maakt deze enquête zo leerzaam. Naast de wetten, formele regels en officiële statistieken die de bouwwereld schijnbaar reguleren, bestaat er kennelijk een complete schaduwhuishouding van illegale geldstromen, vertrouwelijke afspraken en menselijke, al te menselijke betrekkingen die de dagelijkse gang van zaken in de bouwput regelen.

Veel bouwers leiden de overheid om de tuin, daaraan twijfelt niemand. Maar de overheid neemt ook in veel gevallen zelf het initiatief tot vooroverleg en prijsafspraken, beïnvloedt de uitkomst van onderhandelingen en bemoeit zich zodanig met aanbestedingsprocedures dat je je afvraagt wie nu wie in de tang neemt. Bij het aanbesteden van grote bouwprojecten vraagt de staat om moeilijkheden, schrijft de Tilburgse wetenschapper C. Jansen, tevens jurist bij Koninklijke Volker Wessels Stevin. Kostenoverschrijdingen en kartelvorming zijn als het ware ingecalculeerd, ze zijn evenzeer gevolg als oorzaak van de gebrekkige wijze waarop de overheid de projecten uitzet: «Wanneer het contract wordt afgesloten, bestaan nog talloze onzekerheden ten aanzien van mogelijke risico’s. Wanneer die daadwerkelijk opduiken, haasten partijen zich om de gevolgen daarvan op elkaar af te wentelen», zegt hij in De Telegraaf.

Alle betrokken partijen zijn het slachtoffer van systeemdwang, van krachten die ze schijnbaar niet in de hand hebben en waarvoor ze niettemin collectief verantwoordelijk zijn. De enquête bewijst eens temeer dat vraag en aanbod geen natuurverschijnselen zijn, laat staan dat ze een «natuurlijk evenwicht» kunnen bereiken. Alle markten, van de wereldmarkt voor cacao tot de Albert Cuyp, zijn maatschappelijke ontmoetingsplaatsen waar mensen de regels maken en waar vraag en aanbod weliswaar een belangrijke rol spelen, maar lang niet altijd doorslaggevend zijn voor de uitkomst.

Het rapport van de commissie-Vos kan een bouwsteen aandragen voor nieuwe inzichten in de werking van markten, met name in de principes waardoor markten weer ondergeschikt kunnen worden gemaakt aan het algemeen belang in plaats van andersom. In weerwil van de heersende neo liberale ideologie is die omkering wel degelijk mogelijk, er is in elk geval een precedent voor.

Na de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog heerste er in de westerse wereld brede overeenstemming over een aantal maatregelen en middelen om de vrije markt in te perken. Die «sociaal-democratische consensus», gebaseerd op sociale zekerheid, volledige werkgelegenheid en een gemengde economie, was zo gek nog niet.