De zieke arbeidsomstandigheden van de arboarts

Een fors aantal bedrijfsartsen voelt zich gefrustreerd door de gevolgen van de privatisering van de Ziektewet. Dat bleek vorige week uit een onderzoek van TNO Preventie en Gezondheid in Leiden. Een collega TNO-instituut uit Amsterdam meldde een dag later dat werknemers sinds de privatisering van de Ziektewet niet minder ziek zijn dan daarvoor. Wel vindt ruim veertig procent van de werknemers dat werkgevers als ze nieuwe mensen aannemen sterker selecteren op gezondheid.

Twee berichten die duidelijk maken dat het rommelt aan het sociale zekerheidsfront. Eerder al werd dat duidelijk door de commotie rond de wens van verzekeraars en werkgevers om werknemers voorrang te geven bij medische behandelingen en over de wens van het GAK om de gegevens van de verzekerde werknemers ook te gebruiken voor commerci‰le doeleinden.
De paarse draad door al deze berichten is dat er een steeds scherpere selectie ontstaat tussen sterken en zwakken op de arbeidsmarkt. Steeds duidelijker wordt dat achter de marktwerking in de sociale zekerheid een stelselwijziging schuilgaat die zal resulteren in een tweedeling tussen werknemers met een sterke arbeidsmarktpositie voor wie de markt dito sociale-zekerheidsarrangementen regelt, en werknemers met een zwakke marktpositie die aangewezen zijn op de minimale staatsuitkeringen van WAO en bijstand.
Kern van de marktwerking in de sociale zekerheid is de gedachte dat de vervuiler betaalt. Die vervuiler is de werkgever. Hij is verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden en de gezondheid van zijn werknemers. De privatisering van de Ziektewet en de eerste vijf jaar van de WAO, die door het leven gaan als respectievelijk WULBZ en PEMBA, hielden in dat de werkgever de volledige premie voor zijn rekening neemt. Daarmee krijgt die een financieel belang bij het beperken van ziekte en arbeidsongeschiktheid en, als een werknemer toch ziek wordt, bij snelle reãntegratie. Omdat voorkomen beter is dan genezen werd de werkgever ook verplicht een contract aan te gaan met een Arbodienst. Die adviseert de werkgever over preventie en begeleidt zieke werknemers.
Tweede stap in de marktwerking is dat de organisaties die voor die reãntegratie moeten zorgen met elkaar gaan concurreren. Dat zijn de oude uitvoeringsinstellingen: SFB voor de bouw, CADANS voor de zorg en de detailhandel, GUO voor de agrarische sector, USZO voor de overheid en het GAK voor de rest. In het jaar 2000, zo is de afspraak, moeten zij met elkaar en met andere verzekeraars gaan concurreren.
Het leek een fraai model. Werkgevers zouden investeren in preventie en reãntegratie en verzekeraars daarop afrekenen. Die zouden op hun beurt concurreren op een zo effici‰nt mogelijke reãntegratie tegen zo laag mogelijke kosten. Werknemers ten slotte zouden niet langer zomaar afgekeurd worden, maar met goede begeleiding zo snel mogelijk weer aan het werk komen. De werkelijkheid is een iets andere. Werkgevers beginnen met zwakke werknemers buiten de deur te houden of op tijdelijke contracten aan te stellen. Vervolgens zetten ze de bedrijfsartsen van de Arbodiensten onder druk mensen zo snel mogelijk weer aan het werk te zetten. Dat is de ene poot van de marktwerking.
De tweede poot is die van de concurrentie tussen de verzekeraars. Die lijkt niet tot stand te komen. Ondernemers houden namelijk helemaal niet van concurrentie. In plaats van te concurreren nemen verzekeraars en uitvoeringsinstellingen deel in Arbodiensten en gaan zij onderling allianties aan. Zo heeft het GAK het op een akkoordje gegooid met Achmea, hebben ING en hun verzekeraar Nationale Nederlanden zich verzekerd van de samenwerking met het SFB en werken de Rabobank en hun verzekeraar Interpolis inmiddels nauw samen met CADANS en GUO. Wat overblijft is een pseudomarkt waarin drie spelers het veld verdelen. Deze conglomeraten kunnen het totale pakket van preventie via wachtlijstbemiddeling tot aan reãntegratie aanbieden, desgewenst aangevuld met alle mogelijke andere voorzieningen.
Een op deze wijze vormgegeven stelsel kan zeer selectief zijn. Het gezamenlijk belang van werkgever en verzekeraar reikt niet verder dan de te verwachten schade in het ziektejaar en de eerse vijf jaar arbeidsongeschiktheid. De kosten voor reãntegratie zullen worden afgewogen tegen die schade en de waarde van een bepaalde werknemer voor diens werkgever. Valt die rekensom negatief uit voor de werknemer, dan worden de reãntegratieinspanningen tot een minimum beperkt. Op die manier zal de markt de ‘goede’ risico’s opnemen en de 'slechte’ uitselecteren en verwijzen naar de loketten van de sociale dienst. Zo levert de marktconforme uitvoering als vanzelf een ministelsel op zonder dat daar ooit een politieke discussie over is gevoerd.
Kernpunt in deze constructie is de claimbeoordeling. Die behoort onafhankelijk te zijn. Maar die onafhankelijkheid is niet gewaarborgd als de Arboarts afhankelijk is van het contract met de werkgever aan de ene en de verzekeraar aan de andere kant. En als de zieke werknemer na een jaar bij de WAO-beoordeling van het GAK komt, staat ook het oordeel dat daar wordt geveld niet los van de te verwachten schade voor werkgever en verzekeraar.
Het is om die reden dat Melkert en De Grave, kennelijk geschrokken van de publiciteit en de onrust onder de Arboartsen, nu hebben aangekondigd de claimbeoordeling van de WAO weg te halen bij de uitvoeringsinstellingen en onder te brengen in een apart instituut. Een opmerkelijk gebaar: voor het eerst geeft ook de VVD daarmee toe dat men de regie kwijt is en dat de beoordeling van het recht op uitkering een zaak van de overheid is. Tegelijk is het een halve maatregel. De claimbeoordeling van de WAO vindt pas na een jaar ziekte plaats. In dat jaar is de Arboarts verantwoordelijk voor de zieke werknemer. Melkert en De Grave lossen dus het probleem van de Arboartsen niet op. Dat kan alleen als ook zij worden ondergebracht in dat onafhankelijke instituut. Maar dat zou weer betekenen dat de privatisering van de Ziektewet, hoeksteen van de marktwerking, opnieuw aan de orde moet komen.
Hier wreekt zich het gebrek aan politieke moed dat ervoor heeft gezorgd dat het steeds maar weer toegezegde debat over het sociale-zekerheidsstelsel nooit is gevoerd. Maar als Bolkestein over nut en noodzaak van de HSL-tunnel kan beginnen, waarom dan Wallage niet over de sociale zekerheid?