De 21 beste romans van de eeuw

De ziekte die ‘niets’ heet

Is Tirza ‘de ultieme Grunberg’? Dat valt moeilijk te zeggen: de roman verscheen alweer veertien jaar geleden en daarna volgden er nog vele andere, waarvan ik evenzeer onder de indruk was. Maar in 2006 was Tirza voor mij beslist het hoogtepunt van zijn oeuvre en ongetwijfeld is dit werk een sleutel tot zijn schrijverschap. Terecht werd Tirza bekroond met de Gouden Uil en de Libris Literatuurprijs en succesvol verfilmd door Rudolf van den Berg.

Ik typeerde Tirza indertijd als een virtuoos alle kanten uitwaaierend drama over een man die alles verliest en de schuld daarvan legt bij de Mohammed Atta’s van deze wereld, maar vooral als een roman over de ziekte van de blanke middenklasse anno nu. Hoofdpersoon Jürgen Hofmeester líjdt niet alleen – zoals hij zelf zegt – aan deze ziekte, hij ís die ziekte. Kenmerkend is zijn angst voor controleverlies. Het wachten is op het moment dat deze afgedankte redacteur bij een uitgeverij, aan de dijk gezette echtgenoot, mislukte vader, vernederde huisbaas en bij de neus genomen belegger zijn zelfcontrole kwijtraakt.

Hofmeester woont in de Amsterdamse Van Eeghenstraat waar hij zijn bovenverdieping voor veel geld verhuurt. Zo bouwt hij een kapitaaltje op dat hij door het te beleggen in een hedge fund in één klap verliest. Hij gelooft dat dit de schuld is van de wereldeconomie en van 11 september 2001 en dus van Mohammed Atta en de zijnen, kortom ‘de’ moslims.

Als zijn jongste dochter Tirza met een Marokkaans vriendje thuiskomt, ontpopt hij zich als xenofoob. Hij probeert haar ervan te overtuigen dat ze zich in de armen heeft gestort van Mohammed Atta of diens broer of neef.

Zoals het een nette blanke middenklasse-man betaamt, wil Hofmeester het beste voor zijn kinderen. Nadat zijn vrouw hem heeft verlaten en oudste dochter Ibi na een neukpartij met de huurder het huis uit is gegaan, voedt hij in zijn eentje Tirza op. Hij noemt haar zijn platonische minnares, omdat hij zich nooit aan haar vergrijpt, hoe ze daar ook om smeekt. Ook in seksueel opzicht probeert hij zich te beheersen. Het beest waarvan hij denkt dat het in hem huist komt zelden naar buiten.

Intussen wordt de man steeds wanhopiger over zijn eigen nihilisme. Hij blijkt niet opgewassen tegen zijn overbodigheid. Na god en de vooruitgang heeft hij ook de liefde willen afschaffen, maar dat is niet gelukt. Nu dreigt de liefde hem af te schaffen. Tirza verruilt haar vader voor haar Marokkaanse vriendje met wie ze in Afrika de ziekte van de zwarte onderklasse gaat bekijken. ‘De ellende van anderen geeft haar een levensdoel.’ Hofmeester heeft geen levensdoel – dat is de ziekte die hij personifieert. Een heel vieze ziekte. ‘Het komt hem voor dat hij altijd al vies is geweest, voor zichzelf en voor anderen, en dat zijn pogingen naderbij te komen niets anders waren dan pogingen minder vies te zijn.’

Uiteindelijk lijkt Hofmeester alle controle over zichzelf te hebben verloren, waardoor hij in een monster verandert en Tirza en haar vriend op gruwelijke wijze vermoordt. Maar pleegt hij die moorden ook echt? Hofmeester zelf twijfelt daaraan, terwijl hij in Namibië op zoek is naar de vermiste Tirza. Hij weet niet meer wat spel is geweest en wat werkelijkheid.

Interessant is dat Hofmeester zijn (fantasie)moorden op Tirza en haar vriend pleegt in het huis van zijn overleden ouders. Door een bekering tot het christendom geloofden zij dat ze genezen waren van de ziekte die ‘niets’ heet.

Hofmeester verpersoonlijkt dezelfde ziekte als die waar zijn ouders aan leden, en waarvan de levensbedreigende anorexia van zijn dochter Tirza ook een symptoom is: angst voor zinloosheid en controleverlies. Grunberg plaatst die angst midden in het post-9/11-tijdperk, hij maakt de angst tastbaar en inzichtelijk. Hij toont mededogen maar lacht tegelijk de middenklasse in het gezicht uit.

In haar voortreffelijke studie Afgrond zonder vangnet: Liefde en geweld in het werk van Arnon Grunberg (2018) wijst Yra van Dijk op de vele (impliciete) verwijzingen in Tirza naar de effecten van de shoah. Het slot van de roman interpreteert zij als ‘een poging tot wedergeboorte van een schrijver, geëngageerd met de wereldproblematiek’. Daar valt weinig op af te dingen.


Elsbeth Etty is criticus en biograaf. Naast Grunberg noemde ze onder meer Philip Roth, The Human Stain; J.M. Coetzee, Elizabeth Costello; Ian McEwan, Atonement en Jeanette Winterson, Why Be Happy When You Could Be Normal