Opvang voor ongewensten

De zielenherders uit het veenland

Weiteveen is een van de meest afgelegen plaatsen van Nederland. Het is ook een van de onbekendste. In haar isolatie groeide de oude Drentse veenkolonie uit tot een schuilplaats waar verloren gewaande Nederlanders hun heil zoeken.

Medium het hoogveen voor

VOLGENS de legende kwamen dienstplichtigen uit Napoleons leger voor het eerst met de naam Siberië. Op hun terugtocht van des keizers mislukte veldtocht naar Rusland liepen zij ergens ten noordoosten van Hoogeveen door een gebied zo bar en verlaten dat zij het terstond Siberië doopten.

Halverwege de negentiende eeuw lag Siberië in de meest verre uithoek van de Drentse veenkoloniën. Voor veenarbeiders stond Siberië aan de rand van de wereld. Maar nog een dagtocht verder door het veen, in de uiterste zuidoostelijke hoek van Drenthe, lag een veenveld zo afgelegen dat het geen naam had en geen legende.

In 2010 lopen er verharde wegen naartoe. Het veld is een dorp geworden van 1750 inwoners. Sinds 1954 is er ook een naam: Weiteveen. Genoemd naar de boekweit die er ooit op de veengrond verbouwd zou zijn.
Weiteveen was en is een van de meest afgelegen plekken van Nederland. Het is vooral een paar linten bebouwing langs een paar kanalen en aanvoerwegen. Aan de rand staat ondertussen wel, net zoals overal in Nederland, een nieuwbouwwijkje van sfeerloze vrijstaande woningen. Alleen bij de katholieke kerk is het warm. Ernaast staat het oude nonnenklooster en even verderop het supermarktje. Grote bomen geven beschutting tegen de snijdende wind die over de kale akkers raast.

Het icoon van Weiteveen is stichting Veltman: een vluchtplek voor verslaafden en psychiatrisch patiënten, voor zwakzinnigen en voor mensen die, zoals dat zo kil heet, ‘de aansluiting met de maatschappij missen’. ‘De Veltmanstichting hoort bij ons dorp. Wij weten niet anders’, zegt Sienie Gerth. Zij is secretaris van Dorpsbelangen Weiteveen. ‘Wij staan voor onze stichting. Een aantal jaren geleden hebben wij een enquête gedaan onder de 55-plussers van het dorp en toen bleek dat een grote meerderheid uiteindelijk naar Veltman wil.’

Medium vakhuis

Toch is Veltman in de eerste plaats geen bejaardentehuis. Binnen de muren wonen ongeveer honderd patiënten: een paar drugsverslaafden, psychiatrisch patiënten, geestelijk gehandicapten en veel korsakovpatiënten. De meesten hebben een combinatie van aandoeningen en problemen. Ze zijn allemaal wel vrij oud. Een enkeling is eind veertig, maar verreweg het grootste gedeelte is 65-plus.

Bijna alle patiënten zaten in een sociaal isolement toen ze naar Weiteveen kwamen, legt locatiehoofd Ineke Knoops uit, soms vrijwillig, maar meestal verstoten door familie en vrienden. Korsakovpatiënten hebben met hun alcoholgebruik in het verleden veel kapotgemaakt. Oudere psychiatrische patiënten hebben vaak geen kinderen en geen naasten die in staat zijn hen te steunen. En dan zit er nog het verloren gezin met een demente moeder en een fysiek en geestelijk gehandicapte zoon.

‘JE MOEST wel gek zijn’ als je die hele tocht naar Weiteveen had gemaakt, zei men voor de Tweede Wereldoorlog. Dan was je rijp voor opname. En dat gebeurde ook. Begin jaren dertig werd er midden in het veen een zusterhuis gebouwd bemand door de zusters Franciscanessen en de lokale pastoor Veltman. Zij waren de enige vorm van verzorging in de buurt en zeiden zelden nee, zodat van Oost-Groningen tot Coevorden en Zwolle alle soorten hulpzoekenden naar Weiteveen kwamen om zich door de zusters te laten verzorgen.

Medium familie oldenhuis

Decennialang ging dit zo door totdat het zo vol was dat de gewonden op de grond van de ziekenboeg sliepen en de psychiatrisch patiënten steeds vaker de bejaarden de stuipen op het lijf joegen. En hoewel er geen twijfel over bestond dat dit het gevolg was van de ruimhartigheid van de zusters was dit eind jaren zestig toch niet meer acceptabel.

Er kwam nieuwbouw tegenover het oude zusterhuis en er werd een nieuwe stichting opgezet: stichting Veltman, genoemd naar de oude pastoor. Moeder overste moest op papier zetten waar de zusters zich in het nieuwe gebouw op zouden toeleggen. Maar wat kon je over het allegaartje van patiënten en hulp die hun werd geboden zeggen? Niets eenduidigs en dus kwam zij met een probleemstelling: ‘Ondanks de vele soorten gespecialiseerde inrichtingen voor alle categorieën van hulpbehoevende mensen die er bestaan, blijft er een categorie mensen die binnen het patroon van voorzieningen steeds weer tussen de wal en het schip dreigen te vallen.’ Voor hen, wie zij ook waren, sprongen de zusters in de bres.

HET NIEUWE bakstenen gebouw in de stijl van de wederopbouw is nog geen veertig jaar oud, maar doet verouderd aan. Er is alleen een begane grond en de vleugels strekken zich tweehonderd meter uit over het voormalige hoogveen. ‘Onwaardig is het eigenlijk’, zegt Knoops. Aan de inrichting ligt het niet, daarvoor is alles uit de kast gehaald om het gezellig te houden. Plafondschilderingen op de kamers, kunst- en knipselwerkjes uit de dagbesteding aan de muren en er is geen kantine maar een Brink. Het grote probleem voor Veltman is, net als veertig jaar geleden, overbezetting. De kamers zijn niet groot, ongeveer drie bij vier, en moeten in veel gevallen gedeeld worden. Een ziekenhuisgordijntje tussen de bedden is de enige scheiding tussen kamergenoten.

Veel is er dus in al die tijd niet veranderd. Ja, de nonnen zijn ondertussen naar een bejaardentehuis voor katholieke geestelijken in Tilburg gegaan. Maar Weiteveen blijft een toevluchtsoord. Ineke Knoops heeft daar wel een verklaring voor: ‘Wij hebben een unieke aanpak. Dat hebben we te danken aan de nonnen. Zij waren veel meer gericht op persoonlijke zorg dan op het medische.’ De nonnen waren in de eerste plaats bezielde verzorgers, soms wat amateuristisch, maar altijd begaan met de patiënt.

Medium religiositeit in weiteveen

Knoops werkt al vanaf de jaren zeventig bij Stichting Veltman. ‘De betrokkenheid bij de mensen is sindsdien altijd gebleven. Dat komt omdat we hier ontzettend veel medewerkers hebben die hier al 25 jaar werken.’ Natuurlijk is er wel iets veranderd. Het is allemaal wat bureaucratischer en efficiënter geworden, maar de aard van het werk is nog hetzelfde.

Dat maakt Veltman zo uniek, zegt Knoops: ‘Hier werken is anders dan elders omdat de mensen die we hier hebben vaak niet meer kunnen rekenen op mantelzorg, omdat de verhouding met de familie ernstig is verstoord. Dan moet je zelf als medewerker ook een beetje familie van de patiënt zijn. De groep is hier heel belangrijk. Patiënten accepteren elkaar. Ze zitten allemaal in dezelfde activiteitenruimten. Ze helpen elkaar.’ Eendracht in verscheidenheid dus.

Rolf van Zuiden is met zijn zestig jaar een van de jongeren in Veltman. Oorspronkelijk komt hij uit Amsterdam en hoewel zijn gezicht vol zit met kuilen die getuigen van een zwaar leven oogt hij fris. Zijn leefwereld reikt verder dan de muren van het tehuis en hij maakt makkelijk referenties aan Wilders en de onlangs overleden kroegbaas Sjoerd Kooistra. Hij heeft de ziekte van Ménière (‘Googel dat maar op internet’) en is daardoor aan één oor doof. ‘Ik ben een tijdje dakloos geweest. Ik moest weg uit Amsterdam, want daar ging het niet goed. Ik zoop te veel en ik hield niet van regels. Ja, dan gaat het snel één kant op. Toen ging ik naar Zwolle en woonde daar even in de opvang. En uiteindelijk kwam ik hier. Het is hier lekker rustig. Wel saai, maar dat is wel veel beter voor me. Kijk, in Amsterdam werd ik soms gewoon angstig van de drukte.’
Hoe zit het met de eendracht in de groep? ‘Nou, waar ik niet goed tegen kan, zijn die junken. Kijk, ik ben in het centrum van Amsterdam opgegroeid, daar zaten ze overal. Als ik niet oppaste, dreigde ik daar zo ingezogen te worden. Die heb je hier ook en daar wil ik dus niets mee te maken hebben. Voor de rest praat ik wel met het personeel.’

In zijn nieuwe leefomgeving in Veltman bloeit hij op. Zijn verleden, de zwaktes die hij toen toonde en de fouten die hij toen maakte, vormen het kruis dat hij op zijn rug draagt. Dat komt vaker voor, zeker bij de korsakovpatiënten. Thuis verstoten en dan in Weiteveen terechtkomen. Een modern vluchtelingenverhaal.

EEN NIEUWE verschijning zijn de vluchtelingen in Weiteveen niet. Zij stichtten het dorp halverwege de negentiende eeuw, breidden het uit en vormden de cultuur ervan. Sommigen waren pioniers die in het veen een el dorado van turf zagen. Anderen, zoals de grootouders van Bennie Mensen, zochten vooral een plek waar niemand ze zou zoeken. ‘Mijn grootouders waren Duits en zijn in 1912 de grens over gekomen. Mijn grootvader was een deserteur. Hij wilde niet meevechten in de Grote Oorlog waarvan ze toen wel wisten dat die er ging komen.’ Bennie Mensen is 75 en woont al zijn hele leven in Weiteveen. Zijn vader was veenarbeider, maar liet zoon Bennie doorleren tot timmerman, omdat ‘hij wist dat er in het veen geen toekomst zat’.

Mensen legt de fotoboeken op de eettafel. Ze stapelen op tot een halve meter. De volledige geschiedenis van Weiteveen staat erin. Het begint met niets: een leeg veenveld. Dan verschijnen er enkele plaggenhutten. Een foto van een kerk, op het eerste gezicht gelegen in de woestenij, maar bij nadere bestudering van de foto in het midden van de bedrijvigheid. Metersdiepe veenafgravingen liggen eromheen.

Medium deken veltman

Die kerk werd gebouwd in 1918-1919. Het was het eigenlijke begin van het dorp dat toen nog geen naam had. De eerste migranten kwamen hier halverwege de negentiende eeuw. Zij kwamen niet uit het westen, maar uit het oosten: gelukszoekers uit Duitsland.

Zij stichtten een kleine gemeenschap van geiten- en schapenhouders. Een dorp werd de verspreide verzameling plaggenhutten in het veen niet. Een halve eeuw later ontdekten de Hollandse turfmaatschappijen het gebied. Er kwamen kanaaltjes en een spoorlijntje. Veenarbeiders, nog steeds grotendeels Duits, volgden snel.

Vanuit hun Duitse achtergrond waren de meesten katholiek. Dat bleef niet onopgemerkt bij de bisschop in Utrecht. Deze katholieke enclave mocht niet verloren gaan aan de oprukkende gereformeerde bible belt. Die verspreidde zich vanuit Staphorst snel noordwaarts naar Meppel en via de Zuid-Drentse vaarten en kanalen tot aan de veenvelden rondom Hoogeveen.

Tijdens het einde van de Eerste Wereldoorlog werden vanuit Utrecht en Groningen priesters gestuurd naar ‘onze Nederlandsche Diaspora’, zoals de katholieke Maasbode in 1932 liefkozend terugkeek naar dat onbekende dorp in het veen.

Medium vinders tabernakel

Het verhaal is aan de katholieke Mensen vaak verteld: ‘De eerste die ze stuurden, was een jonge kapelaan. Die kwam vanuit het westen. Hij haakte af op de tocht hierheen, ergens halverwege het Amsterdamscheveld. De tweede kwam niet veel verder. Uiteindelijk kwam er een derde, ditmaal uit het noorden. Die man had een missie. Die liet zich niet uit het veld slaan. Die was gezonden.’

Die man heette Petrus Johannes Veltman. Hij moest als ‘zieleherder uit het veenland’, zoals priester Anton van Welsem hem noemde in een geschiedboekje uit 1932 - met een voorwoord van aartsbisschop Jansen - de nobele wilden daar in de diaspora opvoeden. Want voor de kerk was er weinig verschil tussen Afrikaanse Bosjesmannen en Drentse veenarbeiders. Van Welsem steekt zijn afkeur voor het veen niet onder stoelen of banken:

‘Triest is het veen in hooge mate. Grauwe turfhoopen waar men ziet met hier en daar zwarte gaten er tusschen, die spookachtig aandoen. Zelfs de bodem ligt niet stil onder uw voet en er stijgt een gevoel van onzekerheid, onbetrouwheid en verraad in u omhoog. Geen wit gekalkt huisje, dat met zijn rooden dak tusschen frisch groen loover U reeds uit de verte bemoedigend tegenlacht, maar armelijke huisjes en plaggen hutten, die zich nauwelijks van het veen en de turfhoopen afteekenen.

Arm Land. Arm volk.’

36 JAAR na zijn dood in 1974 is de erfenis van Veltman springlevend. Stichting Veltman loopt over van populariteit en zelfs het zusterhuis is ondertussen na decennia van afbrokkeling weer een tehuis. Nadat de nonnen in de jaren tachtig waren vertrokken, bood het zusterhuis periodiek onderdak aan asielzoekers en later aan Poolse gastarbeiders. Dat deed het imago van het oude tehuis weinig goed. Vooral de Polen waren ‘schorriemorrie’, zegt Karin Niers-Lubbers, wier vader het pand van de nonnen kocht.

Medium processie

Het nieuwe tehuis kwam er drie jaar geleden nadat de vader van Niers-Lubbers in contact was gekomen met Wim Kiewiet. Kiewiet zocht samen met enkele andere ervaren zorgverleners naar een plek voor een nieuw project voor ‘cliënten met een psychische stoornis of met verslavingsproblemen of allebei’. Eigenlijk net als stichting Veltman dus: een plek voor mensen die elders, thuis én in de zorg tussen wal en schip terechtkomen en van wie niemand goed weet wat je met ze aanmoet.

Vitez, zoals het project heet, is Veltman niet, benadrukt Kiewiet. In de nauwe en donkere gangetjes waar ooit de nonnen doorheen schuifelden, hangen nu camera’s. De kamers van de cliënten, 24 in totaal, zijn groot en modern, zeker twee keer zo groot als de kamers in Veltman. Niemand hoeft te hokken. Vooralsnog wonen er alleen jongeren. De oudste is dertig.
‘Cliënten staan hier altijd centraal’, verklaart Kiewiet over de werkwijze van Vitez. ‘Wij werken vraaggestuurd. Neem bijvoorbeeld een cliënt die denkt dat hij weer op zichzelf kan wonen, terwijl wij denken van niet. Dan zeggen we geen nee. We helpen je juist. We huren dan een appartement bij de sociale woningbouw en blijven je daarna bijstaan. Tegelijkertijd houden we hier jouw kamer vrij. De deuren staan altijd open en je kunt naar ouders of vrienden gaan wanneer je wilt.’

Medium os921104

‘Drugs staan we niet toe, alcohol wel. Maar ja, aan één jongen staan we wel toe dat hij thuis blowt en hier stoned aankomt. Hij is er zo aan verslaafd dat hij schuimbekkend hier zit als we het niet doen. Dat is wel wat oneerlijk voor de anderen die dat niet mogen, maar het is niet anders.’

Die vraaggestuurde aanpak is volgens Kiewiet heel modern, omdat het uitgaat van een vertrouwen in en betrokkenheid bij cliënten en op kleine schaal werkt waar ‘zorgprofessionals de dienst uitmaken en niet de managers’.

Een jong meisje van begin twintig schiet Kiewiet in de gang aan: ‘Ik wil geld! Geld!’ Ze lacht erbij. Blijkbaar is het een grapje. Kiewiet lacht, slaat zijn arm om haar schouder en drukt haar stevig tegen zich aan. Ze schrikt niet van het intieme gebaar en gooit haar eigen arm zelfs even kort om zijn middel. Dan rent ze lachend weg.

De meest nauwe band heeft Wim Kiewiet met Freddy. De twee kennen elkaar al bijna zeven jaar. Freddy is nu 24. Toen Freddy achttien was, kwam Kiewiet hem voor het eerst tegen. Freddy was toen net veroordeeld en Kiewiet was zijn reclasseringsambtenaar. Een paar jaar geleden zei de rechtercommissaris dat hij vervroegd uit de gevangenis mocht worden vrijgelaten als zijn zielenherder een veilige plek voor hem had. Zo bracht Wim Freddy in Weiteveen.

Freddy bezit een oude donkerblauwe BMW 320I. Een prachtig ding, opgeknapt alsof hij net van de dealer komt. Als hij langsrijdt, stopt hij en opent zijn deur. Een dikke jongen met een knalgele muts komt te voorschijn. Hij past amper tussen het stuur en de rugleuning. ‘Net helemaal opgeknapt. Kostte me vijfhonderd euro. Ga nu tweeduizend vragen’, zegt Freddy glimmend. Dat is wat Freddy doet, auto’s opknappen. De rest van zijn leven, want volgens Kiewiet ‘zal hij hier nooit weggaan’. ‘Dat kan hij niet aan. Zijn IQ is heel laag. Hij zal zichzelf volledig verwaarlozen.’

De moderne zielenherder is er erg zeker van dat het lot van zijn vluchtelingen in Weiteveen veilig is. Maar waarom ook niet? Als er één plek in Nederland een veilige thuishaven voor onze afgewezenen en ongewensten is, dan is dat daar, ver weg, in het veen waarvan vrijwel niemand de naam zelfs weet.