Interview met Frank Furedi

De zieligheidscultus

Volgens socioloog Frank Furedi hebben we het geloof in de vooruitgang nagenoeg verloren en laten we ons leiden door angst.

Een treinreis van Londen naar Canterbury verloopt nog steeds zonder problemen, ondanks alle betuttelende bordjes en omroepmededelingen. Elke onbeheerde doos had een bom kunnen zijn. Rennen op de trappen is een levensbedreigende actie, een sigaretje op een winderig perron een gevaar voor de volksgezondheid, het gat tussen perron en treintoestel de oorzaak van bloederige ongelukken, de regen de aanleiding tot verschrikkelijke slippartijen. En als de machinist niet negen keer alle stations tussen Faversham en Dover had opgesomd, was ik wellicht nooit op station Canterbury-East uitgestapt.

In zijn kantoor op de campus van de Universiteit van Kent moet sociologieprofessor Frank Furedi hier hartelijk om lachen. Furedi: ‘Het dagelijks leven zit vol met zulke veiligheidsrituelen. Het nemen van risico’s is vervangen door het gevoel voortdurend “gevaar te lopen”. We lopen te koop met onze paranoia. Je kunt geen tas meer achterlaten of een heel station ligt plat. Mijn favoriete ritueel is op het vliegveld, waar je altijd wordt gevraagd of iemand anders zich heeft bemoeid met het pakken van je koffers. Die vraag is al aan miljoenen reizigers gesteld. Denk je dat ooit iemand “ja” heeft geantwoord?’

Risicomijdend gedrag is het voornaamste onderzoeksterrein van de zestigjarige, in Hongarije geboren Furedi. Die belangstelling heeft geresulteerd in een stortvloed van boeken als Paranoid Parenting (2001), Culture of Fear (2002), Therapy Culture (2003), Where Have All the Intellectuals Gone? (2004) en Politics of Fear (2005). Volgens Furedi hebben we het geloof in de vooruitgang nagenoeg verloren, hetgeen zich uit in angstvisioenen, zwelgen in slachtofferschap en een bijgeloof in zelfbenoemde experts. Furedi: ‘Koelbloedige analyses van feiten en direct opgedane ervaringen zijn vervangen door irrationele speculaties, doorgaans gebaseerd op onwetendheid, geruchten en Hollywood-scripts. Socrates’ uitspraak: “Het enige dat ik zeker weet is dat ik niets weet” is ons motto, maar dan zonder de bijbehorende nieuwsgierigheid, zonder de wil om te weten. We leven nog steeds in de wereld van de onbegrensde mogelijkheden, alleen gaat het daarbij niet meer om dromen maar om nachtmerries, om de talrijke mogelijkheden dat er iets misgaat. Voorzover we nog nieuwsgierig zijn, is het naar worst-case scenarios. Elke scholier gelooft dat Europa verdwijnt door klimaatverandering.’

Furedi constateert een verschuiving in de risicoanalyse van het denken in waarschijnlijkheden naar het denken in mogelijkheden. Een mooi voorbeeld is de één-procentsregel van Dick Cheney: indien er een kans van één procent bestaat dat er een aanslag komt, moet die worden opgevat als een zekerheid.

De transformatie naar het ‘wat als?’-denken staat centraal in Furedi’s nieuwste boek Invitation to Terror: The Expanding Empire of the Unknown. Hierin stelt hij met zoveel woorden dat westerse samenlevingen solliciteren naar onheil door terrorisme op fatalistische wijze te beschouwen als een gevaar voor onze beschaving. Furedi: ‘We hadden hier een minister van Binnenlandse Zaken, David Blunkett, die een bepaalde terrorismeverdachte bestempelde tot een gevaar voor de vrijheid van het land, voor het voortbestaan van de natie. Door zo veel macht toe te kennen aan een individu plaatste deze politicus zichzelf in een machteloze rol.’

Gingen zijn vorige boeken vooral over de angsten van burgers, het nieuwste gaat over de angstvallige houding van politici. Furedi: ‘Wáár de ira ons in het verleden ook aanviel, altijd luidde het devies: “Business as usual”. Na de bomaanslagen tijdens de partijconferentie van de Conservatieven in Brighton in 1984 stond premier Margaret Thatcher een paar uur later weer gewoon op het podium. Wat een verschil met Bush, die na de aanslagen van 11 september aankondigde dat het leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Met deze reactie werd het initiatief bij de terroristen gelegd. We veranderen nu onze wetten, passen de procedures op vliegvelden aan, gaan ons anders gedragen. Overheden benadrukken dat we geen idee hebben hoeveel gevaar we lopen. Vroeger werd terrorisme voorgesteld als een fysieke bedreiging, nu als existentiële bedreiging. Het bewijst vooral dat westerse politici het vermogen zijn kwijtgeraakt om mensen te inspireren.’

Het punt is dat onze regeringsleiders zelf bang zijn. Ze projecteren hun angst voor de toekomst op de bevolking. Ze lijken ervan overtuigd te zijn dat mensen zwak zijn, doodsbang voor een handvol ineffectieve terroristen. Furedi: ‘Sinds “11 september” is er echter geen Amerikaan omgekomen bij een terroristische daad. Ook in Europa staat de paniek rond terrorisme niet in verhouding tot wat werkelijk heeft plaatsgevonden. Politici voelen goed aan dat hun legitimiteit onder druk staat. Dat komt door de armoede van hun eigen verhaal. Die vertrouwensbreuk is ontstaan in de jaren zeventig. Sindsdien is de politieke elite vervreemd geraakt van de maatschappij. Dat is goed zichtbaar bij de Europese Unie, waar men zo bang is voor het houden van referenda omdat men beseft geen voeling meer te hebben met de bevolking. Daarentegen bestaat er een onophoudelijke drang om “iets” te doen, wat leidt tot veel haastig opgestelde wetten.’

‘Die nieuwe wetten van de maakbaarheidpolitici zijn een vorm van compensatie. Als je niet weet wat je doel is en waar je legitimiteit ligt, dan ga je jezelf “nuttig” maken door zaken te reguleren. Zo probeert de Europese Unie de minste of geringste onzekerheid vanuit de verte in te perken. Het voorzichtigheidsprincipe is geïnstitutionaliseerd, wat tot uiting komt in gezondheidsbeleid, misdaadbeleid, sociaal beleid. In het geval van terrorisme wordt dit mechanisme uitvergroot. Het zorgwekkende is dat het beleid vaak gebaseerd is op onwetendheid, op de unknown unknowns van Donald Rumsfeld. In het uitdijende rijk van het onbekende is onwetendheid een privilege. Het ontslaat politici van de plicht om verantwoording af te leggen. Het vormde de basis voor de oorlog in Irak: “We kunnen niet wachten op de smoking gun maar moeten meteen handelen.” Je ziet dit mechanisme ook bij milieubeschermers. Al het gespeculeer leidt niet tot verstandige maatregelen maar tot onbezonnen daden die de zaken meestal alleen nog maar erger maken.’

Een teken des tijds is de evidence-based policy, een Britse politieke mode die thans als een plaag door Europa trekt. Politici komen niet meer met inspirerende ideologische verhalen, maar baseren zich op een samenraapsel van semi-wetenschappelijke feitjes, analyses, meningen, anekdotes en ‘thinking outside the box’. De beoefenaars maken graag gebruik van experts, een menssoort waarmee Furedi weinig opheeft. Hij koestert een – typisch Engels – wantrouwen tegen de cult van de expertise. Furedi: ‘Steeds vaker zeggen mensen dat ze ergens expert in zijn hoewel die bewering op geen enkele wijze wetenschappelijk is onderbouwd. De meeste opvoedingsexperts weten vaak niet meer over opvoeden dan jij of ik. Voor Paranoid Parenting heb ik een paar nonnen geïnterviewd die zichzelf “ouderschapsexperts” noemden. Veel experts bewegen zich op gebieden van het leven die niet in wetenschappelijke kennis te vangen zijn en waarin je je moeilijk kunt specialiseren. Wanneer het gaat om opvoeden en het opbouwen van relaties leer je vaak het meest door te doen, door vallen en opstaan. Experts ondermijnen zowel de echte wetenschap als het echte leven. Mensen worden onzeker en afhankelijk van professionals, adviseurs, mentors, personal coaches en noem maar op.’

De opkomst van de expert gaat ten koste van de publieke intellectueel. Bij opinieleiders treft Furedi zelfcensuur en terughoudendheid aan. Typerend was volgens hem een recente redevoering van het hoofd van de geheime dienst over terrorisme. Furedi: ‘Hij zei dat we op onze taal moesten letten. We mochten terroristen geen “moslimterroristen” meer noemen. Het doet denken aan de Harry Potter-boeken, waarin de duivelse tovenaar Voldemort zo veel angst genereert dat mensen zijn naam niet meer durven uitspreken. Politici en opinieleiders zijn verschrikkelijk bang om het beestje bij de naam te noemen. Het gebruik van al die eufemismen zorgt niet alleen voor verwarring, het is symptomatisch voor een gebrek aan ideeën en overtuiging.’

Het streven naar helderheid heeft plaatsgemaakt voor angst om mensen te kwetsen. Op scholen mogen docenten leerlingen niet meer ‘intelligent’ of ‘talentvol’ noemen omdat andere scholieren zich dan misschien dom voelen. Furedi merkt dat er een ander idee is ontstaan van wat een menselijk wezen is: ‘We denken dat mensen de grootste emotionele problemen krijgen zodra ze gekwetst worden. En dat we dus voorzichtig moeten zijn in onze woordkeus. Daarom hebben we iets als hate crime. Dat komt voort uit het idee dat woorden meer pijn kunnen doen dan wapens. Kwetsbaarheid is het toverwoord. We zeggen niet meer dat een persoon kwetsbaar is, we hebben het over “de kwetsbaren”. Kwetsbaarheid is een vaststaande identiteit geworden. Hele groepen zijn “kwetsbaar” geworden. Sinds de jaren zeventig heeft kwetsbaarheid zich als een epidemie verspreid en is in de plaats gekomen voor de Blitz-spirit. We verwachten tegenwoordig dat mensen bij het minste of geringste in paniek raken en in elkaar storten.’

De beoefenaars van het angstige worst-case-_denken beseffen dat gebeurtenissen niet te controleren zijn. Dus leggen ze de nadruk op het voorkómen van gebeurtenissen. _Furedi: ‘Wanneer je niet wilt dat kinderen iets overkomt, dan laat je ze niet buiten spelen. Zo veroorzaak je een afbraak van een immuunsysteem, niet alleen van de burger maar van de maatschappij als geheel. Wanneer er wel iets gebeurt, kan niemand ermee omgaan.’

Het uitgangspunt dat mensen zwak zijn en geen controle over hun leven hebben zal alleen maar sterker worden, vreest hij. Hij ziet het verlichte, humanistische concept van de burger als een autonome, vrijdenkende, verantwoordelijke en voor zichzelf zorgende mens als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Dat het nog niet te laat is, heeft Furedi ervaren tijdens gesprekken met slachtoffers van aanslagen. De rode lijn daarin was dat mensen niet zozeer werden gered door professionals, maar door de mensen om hen heen. Furedi: ‘Bij de presentatie van mijn boek was een vrouw die twee benen had verloren bij een aanslag. Ze zei dat deze ervaring haar dichter bij andere mensen had gebracht. Iedereen was behulpzaam. Ondanks de gruwelijke gevolgen heeft de ervaring haar positiever gemaakt. Zulke reacties krijg je wanneer mensen aan hun lot over worden gelaten, hun problemen onderling moeten uitzoeken. Dat is iets wat autoriteiten niet willen begrijpen. In de Verenigde Staten bestaan al cursussen in onverzettelijkheid. Wanneer de nood aan de man komt gedragen mensen zich op verantwoordelijke en altruïstische wijze. Daar zouden politici op moeten vertrouwen.’