Film Festival Rotterdam: doodt relativisme schoonheid?

De zin van de wansmaak

Op het International Film Festival Rotterdam draaien fijnzinnige werken uit Azië, Europa en Amerika. Maar er is ook ‹De Nacht van de Wansmaak›, een klein programmaonderdeel dat een grote vraag oproept: heeft het cultureel relativisme geleid tot de dood van schoonheid?

Eind jaren zeventig vormden Europese kannibalenfilms een populair genre dat nog altijd behoort tot het meest abjecte uit de geschiedenis van de cinematografie. Qua vulgariteit kennen films als Mountain of the Cannibal God (1978) en Emmanuelle and the Last Cannibals (1977) hun gelijke niet. Het stramien blijft doorgaans hetzelfde: een beeldschone vrouw zoekt samen met een ruige jager in de Amazone-jungle naar vreselijke inboorlingen. Veel bloot, bloed en donkere mensen die wit vlees verslinden alvorens bij bosjes te worden afgemaakt door de jager.

Enkele jaren geleden was The Blair Witch Project een mooie hommage aan het genre. Het leuke aan deze film was de wijze waarop de «inboorlingen» (de heksen) eindelijk aan het langste eind trokken. Na Blair Witch werd het weer stil rond de filmkannibalen. Maar dezer dagen duiken ze weer op, en wel op een tamelijk onwaarschijnlijke locatie: het International Film Festival Rotterdam. Tussen de keurige Europese arthouse films en Amerikaanse onafhankelijke producties presenteren de filmjournalisten Jan Doense en Jan Verheyen het vier uur durende programma De Nacht van de Wansmaak. Behalve Emmanuelle tussen de kannibalen ook veel Kung Fu Gorilla Vechters, Gorgo het duivelsmonster en Shocking Asia. Sprekende vagina’s en vliegende penissen zijn de makers van deze films niet vreemd. Gelukkig serveren Doense en Verheyen hun obsessies met een flinke dosis humor.

Ondanks de grote populariteit van De Nacht van de Wansmaak — het betreft een vierde editie — speelt het programma zich af in de marge van het festival. Wel roept het een interessante vraag op, namelijk: heeft het cultureel relativisme geleid tot de dood van stijl, smaak en schoonheid? Deze vraag heeft niet alleen betrekking op het festival als geheel en op film als kunstvorm, zij staat ook hoog op de agenda in het huidige klimaat. In Nederland, land van Bentleys, volksfeesten, politainment en peilingenpolitiek, luidt het gezegde nog altijd: over smaak valt niet te twisten — terwijl het postmodernisme de «zekerheid» van de goede smaak nu juist onderuit heeft gehaald. In Nederland is het relativistisch denken vooral ingegeven door de opkomst van de populaire cultuur in de gedaante van commerciële televisie. De kracht van de nieuwe volkscultuur leidt tot vragen over wat mooi en lelijk is, wat cultureel waardevol en waardeloos is. Illustratief hiervoor is het devies «Over smaak moet je twisten!» van de in 2001 opgerichte Volksbeweging tegen de Lelijkheid, een initiatief van onder meer de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek. Uitgangspunt: Nederland is of wordt lelijk en de discussie over «de schoonheid» moet weer op de agenda komen.

Deze roep om schoonheid is opmerkelijk. Voor de postmodernisten staat lelijkheid immers centraal. De mens, stelt Jacques Lacan, is een wezen dat in tegenstelling tot andere dieren niet in staat is iets met zijn uitwerpselen te doen. Dientengevolge leeft hij in een wereld van excrement. Voor Lacan symboliseert de cloaca maxima, het beroemde rioolsysteem van het antieke Rome, de beschaving. Bijval vindt hij op dit punt van Jacques Derrida, die constateert dat kennis over schoonheid slechts mogelijk is door kennis van haar antithese: de slechte smaak.

Het is duidelijk: wie zijn rug draait op de lelijkheid, vermoordt de schoonheid. Daarom zijn in de cinema van het postmodernisme schoonheid en lelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een werk dat een perfecte metafoor is voor de dichotomie smaak/wansmaak is The Cook, the Thief, his Wife, and Her Lover (1989) van Peter Greenaway. De openingsscène speelt zich af aan de achterkant van restaurant Le Hollandais, waar de vulgaire crimineel Spica (despicable, verachtelijk) een man martelt die zich vervolgens uit vrees ontlast. Zo ontstaat de connectie tussen enerzijds «achterkant» en «uitwerpselen» en anderzijds «voorkant» en «consumeren» in de vorm van het in barokke stijl ingerichte restaurant. Cultuur staat tegenover natuur, en Greenaway stelt dat cultuur steeds meer in de verdrukking komt. Spica zegt het zelf: «Ach, het is toch allemaal shit…» De film is een aanklacht tegen burgerlijke vulgariteit. De gargantueske consumptie van Spica reflecteert de moderne tijd waarin oppervlakkigheid en lelijkheid leiden tot wansmaak en mensontering. Spica vermoordt de minnaar van Georgina. Uit wraak laat zij haar geliefde koken en dwingt ze, zoals Titus Andronicus in Shakespeares stuk, haar vijand tot het eten van het mensenvlees. In een van de beste slotscènes aller tijden schiet ze Spica door het hoofd. En zegt, uit de hoogte: «Kannibaal.»

Voordat hij Nederland verliet, gaf cineast Ian Kerkhof een interview aan deze krant. Hij refereerde aan zijn film The Dead Man 2, Return of the Dead Man waarin twee mannen elkaar aftrekken waarna de een in de mond van de ander kotst. Hij zei: «Blijkbaar word je een beter mens als je een expressie kunt vinden voor je demonen. En dat kan niet altijd op een esthetische manier, want er is niets erger voor de ziel dan goede smaak. Goede smaak, de gemiddelde, dominante smaak, is altijd de antithese van de ziel.»

Als pleitbezorger voor de ideologie van de slechte smaak was Kerkhof zijn tijd jaren vooruit. Je zou kunnen zeggen dat «smaak» de reden voor zijn vlucht was; hij vond bijvoorbeeld dat men op de Filmacademie film als kunstvorm verachtte. Het is bittere ironie dat elementen van zijn stijl qua vorm en inhoud terug te vinden zijn in de beste Europese film sinds mensenheugenis: het controversiële Irreversible (2002) waarin Gaspar Noë de grenzen van de goede smaak opzoekt. In een scène die zich voltrekt in real time — tien minuten lang — wordt een zwangere vrouw verkracht. Sommige critici vinden de film pure exploitatie. Maar dat is juist het punt: door exploitatie — door slechte smaak — laat Noë de ware verschrikking zien van verkrachting en de onvoorstelbare dierlijkheid waartoe de mens in staat is. In deze film gaan hoge kunst en slechte smaak hand in hand.

Hetzelfde mechanisme is bepalend in de openingsfilm van het Rotterdamse festival: Far from Heaven (2002, Amerika), Todd Haynes’ herverfilming van All that Heaven Allows, het meesterlijke melodrama van Douglas Sirk uit de jaren vijftig. Het verhaal draait in beide films om een archetypische huisvrouw die verliefd wordt op een sensuele tuinman. Net als in Sirks All that Heaven Allows voert wansmakelijke kitsch op het oog de boventoon in Far from Heaven. Op de maat van de soapmuziek van Elmer Bernstein beweegt de camera liefkozend over kleurrijke herfstbladeren, melancholische winterlandschappen en witte lentebloesems. Het is de wereld van de kasteelroman. Maar Sirk zei ooit: «Zo ziet de dialectiek eruit: het is maar een korte afstand tussen hoge kunst en trash. Rotzooi die een element van waanzin bevat, staat juist hierdoor dichter bij kunst.»

De kracht van zijn werk spruit voort uit het feit dat hij burgerlijke esthetiek gebruikt als wapen om de «gemiddelde, dominante smaak», in de woorden van cineast Kerkhof, te ondermijnen. In de combinatie van burgerlijke esthetiek en het ondermijnen van diezelfde esthetiek ligt de zin van de wansmaak. Ogenschijnlijk is deze combinatie een duivelspact, zij is «waanzinnig», volgens Sirk. Maar de combinatie creëert wel een nieuw soort smaak: gespeend van dominante normen en waarden. Hierdoor zijn de vulgariteit van Noë in Irreversible en de kitscherige stijl van Sirk in werkelijkheid bijzonder smaakvol. En Todd Haynes doet Sirk bijna perfect na. Met stroperige muziek en roze lentebloeisels weet hij in Far from Heaven een wereld te openbaren die even monsterlijk is als die van de dief Spica in The Cook, the Thief.

Wansmaak werkt zingevend in film, een kunstvorm die een mengeling van stijlen is, van hoogstandjes op het gebied van special effects tot persoonlijke verhalen van een wroegende cineast met een handcamera. Dat blijkt in Rotterdam. Het prachtige Eliana, Eliana (Indonesië, 2002) van Riri Riza is een grotestadsvertelling, gedraaid op digitale video en opgeblazen tot 35-millimeterfilm. Een moeder gaat in Jakarta op zoek naar haar dochter. De twee belanden een nacht lang in een taxi. Samen reizen ze door de donkere straten. De moeder, een stijlvolle, mooie vrouw, kijkt vol afschuw naar de excessen van het moderne leven: de vulgariteit van stripteasedanseressen, de luiheid van de taxichauffeur en het algemene gebrek aan respect voor andere mensen. Deze boze buitenwereld is chaotisch en verleidelijk tegelijk. Hoe haar dochter gereed te maken voor de waanzin van de wereld, is de vraag waar de moeder mee worstelt.

Gebruikt Riza in zijn film de digitale camera — die valt te bestempelen als de «camera van de slechte smaak» door de bedroevende kwaliteit van het beeld —, in Turning Gate (Zuid-Korea, 2002) wendt regisseur Hong Sang-Soo traditionele esthetische technieken aan om zijn verhaal over verloren kansen en verboden liefde te vertellen: statische 35-millimetercamera, evenwichtige belichting en vrijwel geen muziek. De stilte in de vormgeving symboliseert de leegte in het bestaan van de hoofdpersoon, een aantrekkelijke acteur die rondreist op zoek naar hartstocht en zingeving. De seksscènes in de film zijn expliciet en eerlijk. Ze zijn voor velen wellicht wansmakelijk, maar dat is een verademing gezien de preutsheid van de Amerikaanse cinema en de pretentie van Europese films op dit gebied.

Deze twee Aziatische films hebben dit gemeen met het werk van Douglas Sirk en Haynes’ fantastische Far from Heaven: ze bevatten een esthetische complexiteit die geen moment te zien is in de pulp van «De Nacht van de Wansmaak». Maar toch: de zin van de wansmaak is ook voelbaar in de onuitsprekelijk slechte kannibalenfilms, die de meest radicale ondermijning van het burgerlijk fatsoen representeren. Bij Sirk en Haynes is melodrama — stapelvoedsel van het burgermansdieet — verheven tot grote kunst. En daar is de schoonheid te vinden.

Far from Heaven van Todd Haynes, Eliana, Eliana van Riri Riza en Turning Gate van Hong Sang-Soo zijn te zien op het International Film Festival Rotterdam van 22 januari tot en met 2 februari. The Very Best of De Nacht van de Wansmaak is binnenkort verkrijgbaar op dvd