De zin van het huwelijk, de betekenis van liefde

JOHN CHEEVER
DE VERHALEN
Vertaald door Else Hoog, Atlas, 411 blz., € 22,90

Schrijven is een gevaarlijke bezigheid, omdat het zoeken naar waarheid en schoonheid riskant blijft. Die opmerkelijke zin staat een paar keer, in wisselende bewoordingen, in Verscheurde stilte, een postume bloemlezing uit de dagboeken van John Cheever (1912-1982). Zelden heb ik scherpere zelfkritiek gelezen van een auteur. Cheever – leermeester van onder anderen Raymond Carver en T.C. Boyle – ging gebukt onder drankzucht, seksuele gespletenheid en een moeizaam huwelijk. Bovendien twijfelde hij voortdurend aan de kwaliteit en de diepgang van zijn korte verhalen, die in The New Yorker verschenen. Cheevers onophoudelijk zoeken in Verscheurde stilte naar een balans tussen schrijven en leven (‘Ik mag mezelf niet langer kapotmaken’) is leerzaam en confronterend.
Zonder echt programmatisch te willen worden, omschrijft Cheever het toegewijde schrijven als een verdieping van de verbeelding. Met die volle inzet draagt de auteur bij aan het begrip van goed en kwaad, zonder daartussen te kiezen. Maar tegelijk doemt een dilemma op. Want dankzij zijn verruimde fantasie wordt hij meer ontvankelijk voor angst, ‘waardoor hij onvermijdelijk het slachtoffer wordt van verwoestende fobieën die alleen kunnen worden verholpen met fatale doses heroïne of alcohol’. Het is dan 1966 en Cheever is een zeer gewaardeerde auteur in Amerika. Het is geen toeval dat hij vlak voor zijn dagboekaantekening over schrijversangst F. Scott Fitzgerald noemt als een van de vele literaire giganten ‘die zichzelf kapot hebben gemaakt’.
Wie de Penguin-editie van The Collected Short Stories of F. Scott Fitzgerald (1986) vergelijkt met The Stories of John Cheever (1978) ziet talloze overeenkomsten tussen deze twee alcoholistische auteurs, een band die al staat beschreven in Fitzgeralds Portret van de schrijver als een gebarsten bord (1936): de toestand is én hopeloos én hoopvol. Als ik me beperk tot de al te bescheiden Nederlandse bloemlezing van 29 verhalen – nu herdrukt als De verhalen (nr. 68) in de mooie Atlas-reeks De twintigste eeuw – zie ik meteen eenzelfde houding tegenover sociaal gerichte vertellingen, die voor beide schrijvers niet van belang waren. Het ging hen om literatuur als een intiem en urgent communicatiemiddel. Het draaide om de ‘tekenen en de gebaren van liefde en vriendschap’, zoals Cheever het omschrijft in het bekende De inbreker van Shady Hill. In de literaire wereld van Fitzgerald en Cheever trilt het huwelijk dan ook op alle grondvesten. De schrijverspersonages die deze verwante geesten schiepen en met wie ze zich verregaand identificeerden, waren tuk op snel succes en naïef (Cheevers O stad van vervlogen dromen), of ze hadden iets doortrapts en verscheurds (Fitzgeralds vastgelopen Hollywood-scriptschrijver Pat Hobby; Cheevers beroemde dichtersfiguur Asa Bascomb, die in De appelwereld stiekem vieze gedichten schrijft).
Niet alleen zijn Cheevers (en Fitzgeralds) creaturen zeer vertrouwd ‘met de klinische bijzonderheden van het zware drinken’, ze zijn gevoelig voor vernederende situaties en lokken die zelfs uit. In het prachtige en tragische forensenverhaal De trein van vijf uur achtenveertig dwingt een in de steek gelaten secretaresse haar ex-minnaar letterlijk op de knieën: ‘wrijf uw gezicht door het stof’.
John Cheever is op z’n allerbest in de vertellingen die hij situeert in de buitenwijken en voorsteden van de Grote Stad. In die pseudo-paradijselijke tuinsteden heerst de ogenschijnlijke harmonie van huwelijk en huiselijkheid. Shady Hill en Bullet Park zijn de omineuze namen die Cheever zijn suburbs meegeeft. In O jeugd en schoonheid! stelt hij de kernvragen: ‘Wat was de zin van het huwelijk? Wat had liefde te betekenen?’ De angst die ondergronds en onbewust woekert is niet alleen de vrees voor de atoombom of de Apocalyps, maar ook het dreigende vooruitzicht innerlijk te ontsporen door drank, seksuele desoriëntatie (Cheever worstelde zijn leven lang met zijn biseksualiteit) of gekte. Vluchtige affaires met bizarre nasleep, femmes fatales, zelfdestructie, alcoholische ontsporing: alle verhalen van Cheever zijn ‘geteisterd door onzedelijkheid’. Er bestaat geen ultieme vluchthaven, altijd is daar ‘de onweerstaanbare, titanische stem van het leven zelf’. Of het nu gaat om de aan de grond zittende en geld stelende Johnny Hake in De inbreker van Shady Hill, of om Neddy Merrill, die in De zwemmer van het ene in het andere zwembad in zijn Bullet-Parkbuurt duikt om maar te vergeten dat zijn huis leeg staat en zijn huwelijk kapot is, het gaat in alle Cheever-vertellingen over welbespraakte, verwende maar verbijsterde mensen die vast zitten in hun (seksuele) eigenbelang of bezwijken onder financiële druk. Ze zijn ‘te ongelukkig om zich te houden aan de vormen die de continuïteit van een samenleving garanderen…’
Een van de aantrekkelijke kanten van het typische Cheever-verhaal is dat de schrijver af en toe welbewust de lezer toespreekt en deelgenoot maakt van zijn twijfels, of zijn vertelling afbreekt – in een van zijn Italiaanse verhalen, Een jongen in Rome – om te vertellen dat hij natuurlijk niet die jongen in Rome is, maar een volwassen man in het oude tuinstadje Ossining die zich afvraagt waar die ‘ongeneeslijke eenzaamheid’ vandaan komt die ervoor zorgt dat hij, als schrijver die het leven voor de literatuur heeft verruild, van alles verzint. Wie alle 180 verhalen van Cheever leest merkt bijna aan den lijve dat Cheevers gevecht tussen het leven en de literatuur geen einde kende.

Verschijnt op 3 december