Generatielange trauma’s

De zin van verdrietverwerking

De identiteit van de slachtoffers van oorlogsmisdaden of zinloos geweld wordt al snel verbonden met een trauma. Die verworvenheid valt moeilijk weer op te geven en in het ergste geval werkt die nog generaties lang door.

Ik kijk naar de beelden van een demonstratie tegen zinloos geweld. Weer zo’n stille tocht. Ik zie hoe de vaders en moeders in het middelpunt van de belangstelling staan. Hun leed is niet zomaar een incident, hun kind is slachtoffer van een Witte Pest die door ons land waart: ‘zinloos geweld’. De massa die in de demonstratie loopt, voert deze abstrahering met meedogenloze precisie uit. Ik heb het gevoel dat de nabestaanden als heksen naar een brandstapel worden gevoerd. De brandstapel van de grote woorden. Straks is het 4 mei. Ook dan zullen er weer groepen mensen de straat op gaan om hun betrokkenheid bij een gewelddaad uit te dragen. Deze gewelddaad is meer dan 55 jaar oud. Is die situatie te vergelijken met de demonstraties tegen zinloos geweld? Tijdens de herdenking zal ook ik bij een monument staan. Tussen mijn familie die het zelf heeft moeten meemaken, maar ook tussen de mensen die zich solidair verklaren zonder direct betrokken te zijn geweest. Slachtoffers, nabestaanden en demonstranten mengen zich hier. En deze groepen hebben elk hun eigen manier van herdenken. Van de directe oorlogstrauma’s wordt vaak gezegd dat ze eigenlijk niet te verwerken zijn. Het leed is te groot. In die situatie wordt de herdenking aangegrepen om de geschiedenis vers te houden. Om niet te verwerken. Het is ook mogelijk een herdenking te gebruiken om steeds wat meer afstand te nemen van het verleden. Die twee groepen staan daar met een tragisch conflict: de een wil het verleden hier houden, de ander wil het op respectvolle wijze achter zich laten. Misschien is het daarom wel zo moeilijk een monument of herdenking goed vorm te geven; het heeft meerdere functies in één. Gewelddadige gebeurtenissen zijn moeilijk te verwerken. Het is misschien niet nodig de dader te vergeven, maar het is op z’n minst nodig de existentie van de dader te accepteren. In het geval van de shoah is dat onmogelijk. De daden zijn hier zo onvoorstelbaar verschrikkelijk dat de daders worden geabstraheerd. Het zijn geen mensen meer, het zijn vleesgeworden ideologieën, concepten. Zo’n abstractie kan worden uitgebannen, die kunnen wij de doodstraf geven: 'Nooit meer Auschwitz’. Wat er gebeurd is, hoeft nu niet meer gezien te worden als een incident. Als een toevalligheid die ook niet had kunnen gebeuren. De gebeurtenissen overstijgen hiermee de zinloosheid, die niet te verdragen is. Niemand weet eigenlijk precies wat verwerken is. Maar voor mijn gevoel is het de mogelijkheid niet meer fulltime de persoon te zijn aan wie zich een tragedie heeft voorgedaan. Dat op z’n minst af en toe los te kunnen laten. Voor de mensen die de vervolging hebben doorstaan, lijkt dat haast onmogelijk: wie een gelukkig leven leidt, toont dat 'ze’ hem niet klein gekregen hebben. Wie ongelukkig is, toont dat met deze ervaringen niet valt te leven. Elk bestaan is een statement ten opzichte van het verleden. Het is vanuit dit gezichtspunt volledig te begrijpen dat het voor de oorlogsgetroffenen niet te doen is om hun trauma’s te verwerken. Het is voor hen zelfs niet goed om aan te zien dat anderen dat wel doen. Dat conflict wordt op de spits gedreven tijdens de herdenkingen. De rechtstreekse slachtoffers staan daar midden in de gebeurtenissen van 55 jaar geleden en eisen als genoegdoening een totale solidariteit van de anderen: doe ons, na het leed dat wij moesten meemaken, niet aan dat we moeten aanzien dat deze gebeurtenissen achter ons gelaten zouden kunnen worden. En ze hebben zo onmetelijk gelijk. In mijn eigen leven heeft dit diep ingegrepen. Op een avond in 1974 is mijn moeder in aanwezigheid van het hele gezin, op een slecht verlichte provinciale weg, doodgereden door een mens dat te veel gedronken had. De volgende morgen heeft mijn vader mij en mijn zuster omarmd. We liepen totaal ontredderd een stuk dijk op en neer. De vader heeft zijn kinderen op dat moment met plechtige stem bezworen: 'Nu hebben jullie ook het concentratiekamp meegemaakt.’ De redenatie die hij hiervoor had was onnavolgbaar schrijnend. Volgens mijn vader was de onverschilligheid waarmee de automobilist ondanks zijn promillage in de auto was gestapt, recht evenredig met de onverschilligheid waarmee de Nederlandse bevolking had toegezien hoe de joodse burgers uit hun midden werden weggevoerd. En zo is het restant van ons gezin op die morgen in 1974 alsnog met de joodse vervolgden in de trein gestapt. Het is moeilijk uit te leggen wat er allemaal op zo’n bizar moment gebeurt. Maar het heeft in elk geval voor mij betekend dat er een volledig taboe lag op het verwerken van de dood van mijn moeder. Het is een cru voorbeeld, en ik wil niet beweren dat alle kinderen van de tweede generatie op een dergelijke manier met de trauma’s van hun ouders worden geconfronteerd. Maar ik wil mijzelf toch ook niet als uitzondering zien. Ik wil mij niet beroepen op een unieke tragedie. Ik herken veel van mijn obsessies in andere kinderen van de tweede generatie. En toch blijven de problemen die ik met deze geschiedenis heb mij ook verbazen: ik sta altijd klaar voor oorlog, voor auto-ongelukken en ik heb altijd een mes op zak waarmee ik iedere dader onmiddellijk te lijf kan gaan. Ik leef op een bom van paraatheid. Als we ons nu in een situatie van oorlog of ramp zouden bevinden, zou ik daar zeker mijn voordeel mee doen. Het is heel goed om dat te beseffen. Maar we leven niet in oorlog. We leven in een onverdraaglijke veiligheid. Een van de joodse vriendinnen van mijn ouders bezwoer mij met een zekere regelmaat zeer zuinig te leven; je wist nooit of je het geld nog eens nodig had om te vluchten. Maar ik kan niet in deze tijd leven als ik het gevoel heb dat ik bij elke gulden die ik uitgeef mijn leven in de waagschaal stel, dat wringt. Ik heb mijzelf vaak verbaasd over de bezetenheid waarmee ik rampen fantaseer. Het lijkt alsof ik niet zonder kan. Alsof ik steeds weer creëer wat er niet is. Ik ben permanent op herhaling. De vrede en veiligheid waarin ik leef, zijn voor mij wezensvreemd en toch ligt er een intens taboe op het verlangen naar oorlog en geweld. Ik zal mij moeten aanpassen aan een wereld van veiligheid. Ik heb de ambitie in vrede met de vrede te leven. Voor zolang het mag duren. Ik heb de oorlog niet meegemaakt. Ook in het verkeersongeluk van mijn moeder niet. Ik heb getraumatiseerde ouders meegemaakt. Die wilden dat ik mijn hele leven solidair blijf. Klaar staan voor een oorlog die nooit komt. Maar ik ken de oorlog niet, ik ken mijn ouders. En zo staan de verschillende generaties straks op vier mei bij de monumenten. De oude generatie zou zo vreselijk graag willen dat wij er bij blijven horen. Maar ik ben niet in het kamp geweest, ik heb alleen het leed van mijn ouders gezien. En dat wil ik blijven zien, zonder iemand te hoeven wijsmaken dat ik de oorlog zelf zag. En alle welwillende mensen, die ik zo meedogenloos vergeleek met de demonstranten tegen 'zinloos geweld’, zij die daar staan om hun solidariteit met het leed van anderen te betuigen, wat doen die daar? Aan welke kant van het monument staan zij? Zinloos geweld: het is een restgroep van delicten waar een gebrek aan kennis tot een wezenskenmerk van de gebeurtenis wordt aangemerkt. De daden die gerangschikt worden onder de noemer 'zinloos geweld’, zijn per definitie daden die door een mens gepleegd zijn. Wie de moeite neemt om zich in de sukkel die dader is te verdiepen, zal altijd een motief of aanleiding kunnen zien. Hoe onbegrijpelijk ook. Als dat zo is vervalt het begrip 'zinloos geweld’. Een gewelddelict tot zinloos geweld bestempelen is een daad van niet-kijken. Het is op een interessante manier totaal onmogelijk een daad van zinloos geweld te plegen met voorbedachten rade omdat in het moment van planning al een intentie zit, die elke zinloosheid ondermijnt. Een persoon die zinloos geweld pleegt, kan logischerwijze niet bestaan. Het is alsof men zou aannemen dat alle schilderijen waarvan de meester onbekend is, door een geheimzinnig verband samenhangen, en alsof deze 'onbekende meester’ iets is waar een bedoeling en een ideologie achter schuilgaan. Een tijdgeest bijvoorbeeld. Het onbekend-zijn krijgt een betekenis die de leegte van het niet-weten opvult. De eigenschap zinloos geweld is er een die door de buitenstaander aan een gebeurtenis wordt toegedicht. Zinloos geweld bestaat daarmee alleen als concept, als categorie; nooit als daad. Het toepassen van dit concept is wel een daad, een daad die op een delict parasiteert. Maar wat is dit voor een daad? Wat gebeurt er op zo’n moment? Het eerste wat in het oog springt, is dat de dader totaal geabstraheerd wordt. Dat betekent dat het geweld niet meer gepleegd is door een persoon, maar door een concept; door een ideologie, een tijdgeest. Dit heeft grote gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden. Het maakt, zoals ik hierboven heb betoogd, heel veel uit of geweld gepleegd is door een individu en daarmee altijd het karakter houdt van een incident, of dat het geweld gepleegd is door een abstractie. In het eerste geval is het een daad van een mens, een persoon die er nu eenmaal is en blijft, zolang we de doodstraf niet willen toepassen. In het laatste geval wordt het geweld een onacceptabel gegeven: in de daad klinken dan alle daden door die in het licht van dit concept zijn gepleegd. Wie zo’n gebeurtenis accepteert, accepteert het abstracte en verwerpelijke concept dat als dader wordt gezien. Er zijn meer delicten waarbij dit gebeurt, seksuele delicten bijvoorbeeld. Een vrouw is daarbij niet meer het toevallige slachtoffer van een gek die haar aanvalt op een zomeravond op een bospad. Nee, zij is weer het zoveelste slachtoffer van het vervloekte seksuele geweld. Een icoon. Een martelaar. Er ontstaat een band met alle andere slachtoffers van seksueel geweld. Niet alleen die in het verleden, niet alleen die in het heden, maar juist ook die in de toekomst. Met het slachtofferschap ontstaat dan een grote verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid om de dader de doodstraf te geven, om dergelijke gebeurtenissen in de toekomt onmogelijk te maken: 'Weg met seksueel geweld’, 'Nooit meer Auschwitz’, 'Stop het zinloos geweld’. Wij accepteren dit niet: 'No pasarán’. Het slachtofferschap krijgt daarmee een zin. Er is een hoger doel. En dit is het corrumperende van het mechanisme: op het moment dat het slachtoffer zingeving van zijn slachtofferschap toelaat, wordt het een onderdeel van zijn identiteit en wordt de gebeurtenis een vitaal onderdeel van zijn bestaan, dat in het ergste geval nog generaties lang doorwerkt. Op een moment van totale zwakte, totale ontreddering, totale rouw, wordt hem een brok 'zin’ voorgehouden als in goud gedompeld gif. Wie in de eerste dagen na een verlies in de diepe put van het blinde toeval moet kijken, zal elk signaal van zingeving aangrijpen. Maar het construeren van dergelijke signalen is iets waar je heel voorzichtig mee moet zijn. Het kan ertoe leiden dat het slachtoffer of de nabestaande tot in lengte van dagen door deze gebeurtenis zal worden getekend. Tot in het vijfde geslacht. De nabestaanden van Meindert, Joes, Marianne en Sjoukje zou ik dit graag besparen. Hun leed is in zichzelf al groot genoeg. Op het moment dat een trauma is veroorzaakt door een dader, is de enige manier om het verlies te accepteren ook het bestaan van de dader te accepteren. Je hoeft hem niet te vergeven maar je moet wel onder ogen kunnen zien dat hij er was. Op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats. Probeer het bestaan van zinloos geweld maar eens te accepteren. Maar een of andere oetlul, een mens, die door een overdaad aan pillen en drank tot een beestachtige gewelddaad komt, die was daar gewoon en die zal er waarschijnlijk ook altijd weer kunnen zijn. Wie dat wezen op het verkeerde moment is tegengekomen, heeft gewoon botte pech gehad. Niets meer en niets minder. Dat is precies dezelfde pech die mijn moeder had toen we op die weg liepen. Als ik nu naar de demonstraties tegen zinloos geweld kijk dan kost mij dat veel moeite. Ik zie een grote stroom mensen die een klein groepje nabestaanden de brandstapel van de eeuwige rouw opjaagt. Het ziet er in mijn ogen gewelddadig uit. Nooit meer zullen deze mensen vrijelijk kunnen lachen zonder dat iedereen kijkt en denkt: dat de ouders van dat vermoorde kind nu weer lachen… Hun identiteit wordt voor het oog van de gehele natie verbonden met een drama en dat is een verworvenheid die heel moeilijk is op te geven. Hun tragisch slachtofferschap staat nu in de verheven context van een grootse abstractie die in feite niet eens bestaat. Het is de kunst een solidariteit te betuigen die niet op de loop gaat met de maat van de gebeurtenissen. Dat is de subtiele kunst van het herdenken. Een vorm vinden die recht doet aan het werkelijke leed, zonder het op te blazen, te abstraheren of uit z’n verband te lichten. Werkelijk troost bieden. Dat is heel moeilijk. Veel moeilijker dan een avondje de straat op gaan.