Op zoek naar Bart van der Schelling

De zingende antifascist

De Rotterdammer Bart van der Schelling was circusclown, politiek visionair, communist, operazanger en officier van de Internationale Brigaden tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Hij leefde in Amerika, Spanje, Frankrijk en Mexico en was bevriend met Willem de Kooning. Maar bovenal was hij zanger.

Luister>

Medium bartsbo

Op de hoes van Songs of the Spanish Civil War, de beroemdste plaat met liederen van en over de Spaanse Burgeroorlog (Folkways Records 1961/62), prijkt naast de namen van bekende zangers als Pete Seeger, Woody Guthrie en Ernst Busch de naam van de Nederlandse zanger Bart van der Schelling. Bij de plaat hoort een boekje met een foto van hem: hij staat er zingend op voor een jaren-dertigmicrofoon. Opmerkelijk is de zware metalen band die hij onder zijn kin draagt. Het boekje meldt dat hij in 1892 geboren werd in Rotterdam en in Spanje vocht met de vermaarde Amerikaanse Abraham Lincoln Brigade. Bij herdenkingen van de Lincoln Brigade wordt nog steeds ieder jaar het lied Viva la Quince Brigada gezongen – op de melodie van een oud Spaans volksliedje en met een tekst die toegeschreven wordt aan Van der Schelling.

Wie is deze zanger, die in Nederland volslagen onbekend is? Bij een eerste zoektocht op internet kom ik tot mijn stomme verbazing niet een lied maar een schilderij van Bart van der Schelling tegen. Te koop aangeboden door de weduwe van Willem de Kooning, de vermaarde schilder die net als Bart uit Rotterdam afkomstig was.

Een volgende hit levert het boek A Gathering of Fugitives van de Amerikaanse Diana Anhalt op. Het vertelt het verhaal van een grote groep van communistische sympathieën verdachte en vaak excentrieke Amerikanen die in de jaren veertig en vijftig hun heil zochten in Mexico – onder wie Bart van der Schelling en zijn Amerikaanse vrouw Edna Moore, en een flink aantal scenarioschrijvers en regisseurs uit Hollywood die volgens de fbi bezig waren de Amerikaanse filmindustrie onder communistische controle te brengen. In Anhalts boek tref ik een iets uit­gebreider biografietje van Bart aan: ‘De in Holland geboren Bart van der Schelling was circusclown geweest, politiek visionair, opera­zanger, en officier van de Internationale Brigaden gedurende de Spaanse Burgeroorlog. In 1950 verliet hij de Verenigde Staten – uit angst om gedeporteerd te worden. In Mexico werkte hij als pianostemmer tot een hartaanval hem het werken onmogelijk maakte. Alhoewel hij al in de vijftig was, begon hij te schilderen en verwierf een zekere faam als naïef schilder.’

Diana Anhalt blijkt haar gegevens te ont­lenen aan een interview dat ze begin jaren negentig maakte met zijn weduwe Edna Moore. Zelf heeft ze Bart gekend als jong meisje in Mexico City en ze brengt me in contact met verschillende mensen die hem allemaal als kind hebben gekend en die zonder uitzondering weg van hem waren. ‘Hij was de held van mijn jeugd’, schrijft de dochter van dichter George Oppen me, de man die het dichten in de jaren dertig opgaf om zich geheel en al te wijden aan politiek activisme. Allemaal weten ze zich te herinneren dat Bart van der Schelling altijd en overal zong – vooral zijn vertolking van het lied Freiheit maakte diepe indruk. Hoewel de politieke vervolging ook in Mexico doorging en het Edna Moore uiteindelijk haar baantje aan de American School kostte, geven ze de indruk dat het toch een zeer gelukkige tijd was.

Die indruk wordt bevestigd als ik maanden later wat persoonlijke documenten van Bart van der Schelling in handen krijg: brieven aan zijn jongste zus in Nederland waarin hij enkele jaren voor zijn dood in 1970 de lijdensweg van zijn laatste levensjaren beschrijft. In 1965 was hij gedwongen door een serie hartaanvallen en de slechte medische zorg in Mexico ­teruggekeerd naar de VS. Maar het land verafschuwde hij, de oorlog in Vietnam wekte zijn woede en de nostalgie naar Mexico komt om de paar zinnen terug.

Bart van der Schelling kwam uit een kinderrijk Rotterdams arbeidersgezin met socialistische sympathieën. Vader was stukadoor, veel zonen werkten in het slachthuis in de Boezemstraat in Rotterdam, waar het gezin ook jaren woonde. Tijdens mijn speurtocht stuit ik op twee nichten van Van der Schelling en die vertellen dat het ‘armoede troef’ was, ‘de vloer was kaal maar er stond wel een piano en zingen konden ze allemaal’. Bart was in 1927 naar Amerika vertrokken en dat was een familiedrama. Hij liet vrouw en twee jonge kinderen achter en heeft volgens de nichten nooit meer iets van zich laten horen en nooit een cent alimentatie betaald. Zijn vrouw Wijntje moest het alleen rooien, ook in de grote crisis van de jaren dertig, en het was een wonder dat haar kinderen nog zo goed terecht waren gekomen. Bart is een pakje sigaretten gaan kopen en nooit meer teruggekomen, zegt een van de nichten schamper. Tot 1964, als hij een tentoonstelling heeft in het Schiedams Museum en zijn zoon en dochter ontmoet, die dan rond de veertig zijn.

Nicht Truus in Rotterdam blijkt een foto te hebben waar Bart op staat in het uniform van de Internationale Brigaden. ‘Er moet dus toch wel enig contact zijn geweest tussen Bart en zijn broer, mijn vader Huib’, concludeert ze en ze meent zich vaag te herinneren dat er ooit wel brieven van Bart zijn geweest maar die zijn bij het oud vuil terechtgekomen. Net als het schilderij dat hij zijn broer in 1964 had gegeven. ‘Ik vond het niet mooi’, zegt ze schaterlachend.

Nicht Tiny, dochter van Barts jongste zus Nel, heeft haar schilderij wel bewaard en ook de brieven die Bart tussen 1964 en 1970 aan zijn zus schreef. Ontroerende brieven van een oude man die terugverlangt naar de broers en zussen die hij al die jaren niet heeft gezien. ‘Het leven van de familie Van der Schelling was niet zeer rooskleurig betreffende materialistische dingen maar er was diep gevoelde liefde onder ons en dat hielp zeer veel’, schrijft hij eind 1967. Zijn brieven gaan over dagelijkse gebeurtenissen, zijn intense tevredenheid als een van zijn schilderijen door Unicef gekozen wordt voor de jaarlijkse kerstkaart, de vele ziekten die hem plagen en de hoge kosten van de medische zorg (‘Je moet in dit land, toch het rijkste land van de wereld, miljonair zijn om te kunnen overleven’). Over zijn verleden spreekt hij met geen woord.

In Willem de Kooning: An American Master van Mark Stevens en Annalyn Swan komt de naam van Bart van der Schelling verschillende keren voor als een intieme vriend van de schilder. Maar de informatie over hun vriendschap is minimaal en De Kooning heeft nooit in enig interview iets over Bart verteld.

Willem de Kooning was in 1926 als verstekeling naar Amerika gegaan en belandde daar in het Nederlandsch Tehuis voor Zeelieden in Hoboken. Bart vertrok enkele maanden later en ze moeten elkaar daar hebben leren kennen. Tot ver in de jaren dertig waren ‘Bill’, zoals De Kooning zich al snel was gaan noemen, en Bart ‘zo vaak samen dat ze wel broers leken’, aldus de biografen Stevens en Swan. Over Van der Schelling melden ze: ‘Bart, van wie algemeen bekend was dat hij geen baantje kon houden en nooit geld had, was groot, charmant en zeer aantrekkelijk voor zowel mannen als vrouwen.’

De Kooning werkte aanvankelijk als huisschilder en Bart zocht een baantje als zanger. Ze verhuisden samen naar Manhattan, waar Willem werk vond in de reclame en als decorbouwer en Bart optrad in musicals. Willem ontmoette Nini Diaz, met wie hij tot de Tweede Wereldoorlog een verhouding had. Nini kwam uit een circusfamilie en misschien komt daar het verhaal vandaan over Bart die tussen twaalf ambachten en dertien ongelukken door ook circusclown zou zijn geweest. Barts naam komt in de biografie weer terug als begin jaren dertig Bill en Nini een buitenhuisje huren in Woodstock, dan een befaamde kunstenaarskolonie. ‘Bart van der Schelling (die vlakbij een landarbeidershuisje huurde) was de kok en ik deed de huishouding’, vertelde Nini aan de biografen. ‘Wij hadden de voorkamer en we hadden het erg naar onze zin.’

De economische crisis van de jaren dertig had inmiddels heftig toegeslagen. Een goede vriend van zowel De Kooning als Van der Schelling was Robert Jonas, een van de oprichters van de kunstenaarsbond die officieel The Unemployed Artists’ Union heette maar al gauw afgekort werd tot Artists’ Union. Het hoofdkwartier van de bond was in Manhattan, vlak bij Union Square. Het overgrote deel van de New Yorkse kunstenaars was erbij aan­gesloten. Over de linkse signatuur van de bond bestond geen twijfel.

Robert Jonas was lid van de Amerikaanse Communistische Partij, De Kooning niet, maar zoals Nini Diaz vertelde: ‘Ze bleven maar praten, Jonas en hij. Allemaal over communisme. En als ze uitgepraat waren, begonnen ze weer opnieuw.’ De Kooning was geen politiek dier, zijn activisme lijkt beperkt te zijn gebleven tot deelname aan de grootse 1 mei-optochten die in die jaren in New York werden gehouden. Midden in de crisis schafte De Kooning zich de duurste en grootste grammofoon aan die in Amerika te vinden was en er werd heel wat af gefeest in het piepkleine appartementje waar hij met Nini woonde. Bart was daar ongetwijfeld ook bij.

Bart was wél politiek geïnteresseerd. Hij woonde een tijdlang samen met Jonas en lijkt veel sterker dan De Kooning door hem beïnvloed te zijn. Tot de gemeenschappelijke vriendenkring hoorden Max Margulis, journalist van de communistische Daily Worker, en de van oorsprong Duitse architect Max Vogel.

‘Een oude vriend van me, Max Vogel, reed me naar de haven en daar ging ik aan boord. Er was ons verteld dat we niemand mee moesten nemen en dat we er zo onopvallend mogelijk uit moesten zien. Ik had een mooie tweedehands koffer gekocht, met allemaal stickers erop, van de Orient Express en van allerlei Europese hoofdsteden. Ik had een keurig pak aan.’ Vermomd als doorsnee toerist verliet Bart van der Schelling in het vroege voorjaar van 1937 de haven van New York om zich in Spanje aan te sluiten bij de Internationale Brigaden die de door fascisten bedreigde Spaanse Republiek te hulp waren geschoten. Tienduizenden jonge mensen uit meer dan vijftig verschillende landen – een uniek verhaal in de wereldgeschiedenis.

Bart vertelt het verhaal van zijn vertrek uit New York zelf: op oude, krakende en ruisende _small tape-_banden die al jaren niet meer beluisterd waren. Ik vind ze bij alba, het Abraham Lincoln Brigade Archive in New York, op Washington Square – niet ver van Union Square, in de jaren dertig het hart van cultureel en politiek New York. Ik heb er twee weken lang kunnen grasduinen in oude papieren en dozen met voor een deel nog niet gecatalogiseerd materiaal. Op de bodem van een van die dozen komen banden te voorschijn waar zijn naam op staat, maar het materiaal is nog niet overgeschreven en ik moet drie maanden in angstige spanning afwachten of er überhaupt nog iets bruikbaars op staat.

Dan klinkt de stem van Bart, een oude stem die Engels spreekt met een uitgesproken Hollands accent. Hij begint zijn verhaal in het najaar van 1936, zomaar ergens middenin, alsof er meer banden geweest moeten zijn waarop de jaren daarvoor verteld worden. Hij vertelt dat hij in een musical optrad, Professor Mamlock van de Duitse schrijver Friedrich Wolf, geschreven in een tijd dat ‘the star of Hitler was on the rise and unfortunately to say 95 percent of the German population followed that star’. ’s Avonds na de voorstelling ging hij met zijn vrienden Robert Jonas en Willem de Kooning wat drinken in een bekend café waar de ‘revolutionists’ bijeen­komen: veel gepraat en weinig wol, was zijn conclusie.

‘Niemand wist toen dat ik besloten had om naar Spanje te gaan’, zegt hij, maar hij vertelt nergens waarom hij dat dan wel had besloten. Hij zegt wel dat er de nodige problemen waren: hij was ‘an uninvited guest’ in de VS. ‘Ik was een Hollander maar ook in mijn eigen land was ik niet bepaald welkom’, voegt hij eraan toe, zonder te specificeren waarom. Het lukt hem om een Nederlands paspoort te krijgen op de ambassade en hij vertrekt.

Van de jaren tussen 1937 tot begin 1940 doet hij uitgebreid verslag: de oversteek naar Frankrijk, zijn clandestiene overtocht over de besneeuwde Pyreneeën, zijn jaren in Spanje, de ernstige verwondingen die hij opliep, zijn kwaadheid toen hij halverwege 1938 volledig afgekeurd werd voor het front maar als tolk de strijd voortzette, de terugtocht per invalidentrein waar hij zijn kameraden opbeurde met strijdliederen, en ten slotte de terugtocht als verstekeling naar de VS. En dan, halverwege 1940, houdt zijn verhaal weer even abrupt op als het begonnen is.

Hij is een laconieke, feitelijke verteller – zelden of nooit klinkt er iets van emotie door in zijn stem, ook niet als hij vertelt hoe hij zwaar­gewond in een gleuf in de harde Spaanse grond lag: zijn hoofd was bedekt maar zijn lange benen staken uit en werden herhaaldelijk doorschoten. Een andere keer werd de vrachtwagen waarin hij zat gebombardeerd door Italiaanse vliegtuigen. De wagen vloog van de bergweg – ‘ik zie alleen nog dat grote dal voor me en daarna niks meer’. Toen hij dagen later wakker werd in een ziekenhuis had hij een ernstige verwonding aan zijn nek: die zou pas veel later in New York behandeld kunnen worden en het leverde hem de brace om zijn nek op waarmee hij staat afgebeeld op de Folkways Records-plaat.

Enige wanhoop klinkt door in zijn verhaal als hij vertelt hoe onervaren en ongetraind de Amerikanen waren. Hij was zelf al midden veertig, had wat militaire ervaring opgedaan in zijn diensttijd en probeerde ze enige discipline bij te brengen. ‘Opa’ noemden ze hem en hij accepteerde het goedmoedig. Zonder enige ironie vertelt hij het verhaal van zijn vriend Paul Bloch, een beeldhouwer uit Ohio, die met een loodzwaar boek – Das Kapital van Karl Marx – in zijn rugzak naar het front trok. ‘Ik zeg: gooi dat boek weg en neem je voedselporties mee.’ Bloch zou aan het front sterven. De ideologische bevlogenheid in de Internationale Brigaden was aanzienlijk groter dan de militaire kennis; daar kwam bij dat de tegenstander beter georganiseerd en bevoorraad was en hulp kreeg van Hitler en Mussolini. Bart vertelt hoe ze vaak wekenlang zaten te wachten op munitie ‘die, om een lang verhaal kort te maken, nooit kwam’.

Talloze Amerikaanse Spanje-veteranen herinneren zich dat Bart zong – altijd en overal. ‘Seems like only yesterday that we were swinging thru Tarazona’s timberland to the cadence of Bart’s thundering “we are the fi—ting antifassists”’, schrijft een van de veteranen aan Edna. Zelf vertelt Bart hoe hij, nadat hij uit een vrachtwagen was geslingerd en pas dagen later weer bijkwam, als eerste vroeg waar zijn rugzak gebleven was: daarin had hij zijn aantekeningen bewaard van Spaanse volksliedjes en de liederen die in alle mogelijke talen door de Interbrigadisten gezongen werden. Toen hij vlak voor zijn evacuatie in Barcelona in een ziekenhuis lag, was hij op een dag getuige van de begrafenis van veertig mijnwerkers die bij een bombardement omkwamen: het Catalaanse volkslied Els ­Segadors werd gezongen en het maakte op Bart een onvergetelijke indruk. Het zou vast onderdeel worden van het repertoire van liederen waarmee hij later in de VS furore maakte. Ik hoor het hem ook zingen op de banden die bij alba te voorschijn zijn gekomen. Het zijn opnamen van 1966, vier jaar voor zijn dood. Zijn stem heeft de kracht niet meer die hij ooit gehad moet hebben, maar de felheid is onverminderd.

Ergens in 1939 moet Bart de illegale oversteek naar de VS hebben gemaakt: het moment vermeldt hij niet en ook niet wat hem deed besluiten naar New York terug te gaan. Op zijn kaart in het gemeentearchief van Rotterdam staat een aantekening waaruit op te maken is dat hij geprobeerd heeft een Nederlands paspoort te krijgen: dat was in Spanje verdwenen. Hij was niet de enige die de overtocht naar de VS clandestien maakte: met hulp van bemanningsleden van luxe passagiersschepen werden de vaak gewonde mannen ondergebracht in kleine ruimtes onder de machinekamers, waar ze zich uiteraard muisstil moesten houden. Bart vertelt dat het verschrikkelijk koud was en dat zijn lengte hem weer eens behoorlijk in de weg zat.

Hij maakte de tocht met een Griekse kameraad. De truc was om eenmaal aangekomen in New York te doen alsof ze ‘gewone’ matrozen waren die een avondje gingen stappen. Ze moesten vooral de aandacht niet op zich vestigen. Bart kwam er doorheen, zijn Griekse kameraad werd aangehouden en teruggestuurd naar Europa. ‘Ik ben eerst een eind gaan lopen, hoe moeizaam dat ook ging, ik had echt achtervolgingswaanzin. Toen heb ik een taxi genomen en daar kreeg ik een volledige black-out. Ik wist niet meer wie ik was of waar ik was. De taxichauffeur heeft me er op Times Square uitgezet. Ik voelde dat iedereen naar me keek en toen ik in een winkelruit keek, begreep ik waarom. Ik had mijn haar met koud water gewassen, het stond recht overeind en ik had een idioot grote blauwe regenjas aan met daaronder van die Spaanse sandalen. Ik weet niet hoe lang ik heb rondgezworven. Ik ben op een gegeven moment stom toevallig tegen iemand aan gelopen die ik kende. Die kon zijn ogen niet geloven. Hij heeft me mee naar zijn huis genomen en vandaar uit ben ik naar het huis van mijn vrienden Robert Jonas en Willem de Kooning gegaan.’

Om in zijn levensonderhoud te voorzien was hij aangewezen op de steun van de Friends of the Abraham Lincoln Brigade en hij maakte zelfs een uitstapje naar het huis van Ernest Hemingway in Florida. Die had hij in Spanje ontmoet en hij had hem zijn steun toegezegd ‘als we dit alle twee overleven’. Hij hielp hem inderdaad aan een baantje, op de boot van een vriend. En dan, tegen het eind van de laatste band, het is ergens in 1940, vertelt hij hoe hij samen met Willem de Kooning een schijnhuwelijk arrangeerde met een Amerikaanse vrouw om aan Amerikaanse papieren te komen. ‘Eleanor, my wife to be’, zijn de laatste nog net verstaanbare woorden, en dan volgt alleen nog geruis en gekraak.

Het archief van de Lincoln Brigade blijkt nog een verrassing te bevatten: een interview met Edna Moore, de Amerikaanse die Bart in 1944 leerde kennen in Los Angeles. Ze wordt geïnterviewd door Manny Harriman, een Spanje-veteraan die na zijn pensionering besloot zijn oude makkers op te zoeken en hun verhalen te filmen. Bart is dan al overleden en Harriman ondervraagt Edna over zijn leven. Ze is een kleine, magere, zorgvuldig opgemaakte, levendige vrouw. Haar vader was een excentrieke rabbijn die uit Rusland via Ierland naar de VS kwam. Maar met religie heb ik niks, voegt ze er onmiddellijk spottend aan toe. Ze leerde Bart kennen via de muziek. Ze was een enthou­siaste amateurpianiste en werd door een vriendin gevraagd in te vallen bij een optreden van Bart, dat plaatsvond in een psychiatrische inrichting waar Eleanor verpleegd bleek te worden. Bart ging er vaak naartoe. Uit wat Edna vertelt, is op te maken dat hij dan wel een huwelijk had gesloten om aan papieren te komen maar dat hij zijn tweede vrouw niet in de steek liet. Wat er van haar is geworden, vertelt Edna niet.

Bart was op aanraden van zijn arts naar Californië verhuisd – de kou van New York was niet goed voor hem. Edna verontschuldigt zich in het interview steeds voor alles wat ze niet weet, maar ze geeft een aantal waardevolle aanvullingen. Zo vertelt ze dat Bart in de jaren dertig optrad in Showboat, het grote succes van Paul Robeson, de zwarte zanger die met Ol’ man river furore maakte. Robeson mocht niet in de kleedkamers van de blanken komen, vertelt Edna met afgrijzen, en Bart kon zich daar goed kwaad over maken. Een van de verdiensten waar de Spanje-veteranen prat op gingen, was dat ze geen rassendiscriminatie kenden: in Spanje was een zwarte Amerikaan commandant geweest!

In 1940 had Bart voor de League of American Writers de plaat Behind the Barbed Wire opgenomen, de opbrengst ervan was bedoeld om Europese schrijvers die door de nazi’s vervolgd werden te helpen. Vanaf dat moment trad hij regelmatig op bijeenkomsten van de Writers League op en kwam hij in contact met de folksingers die naam begonnen te maken. The New York Times meldde in 1942 onder de kop ­‘Sizzlers against Nazis’: ‘Men fight for their liberties with songs on their tongues as well as with guns, tanks and planes.’ Het was een optreden van de bekende Almanac Singers, dan nog met Woody Guthrie, maar, meldt The Times: ‘Most moving was the group called Verboten. Bart van der Schelling sang “Peat Bog Soldiers” (Lied der Moorsoldaten), the poignant song of the men in the concentration camps.’

Edna vertelt dat Bart en zij al snel gingen samenwonen in Los Angeles en dat in hun huis tot 1950 wekelijks ‘hootenannies’ werden gehouden. Pete Seeger was een regelmatige gast. En toen kregen ze problemen. Vrienden waarschuwden dat de fbi ze in de gaten hield. Achteraf bleek dat van talloze Spanje-veteranen een fbi-dossier was opgesteld. De mannen die al in 1936 tegen het fascisme streden, werden omschreven als ‘premature antifascists’, voorbarige antifascisten. In 1936 waren ze te vroeg, in 1950 waren ze verdacht met hun linkse sympathieën. Bart en Edna besloten naar Mexico uit te wijken. Daar kwamen ze terecht in een milieu waarin ze zich uitstekend op hun plaats voelden: uitgeweken linkse intellectuele Amerikanen, schrijvers, Hollywood-regisseurs, Mexicaanse kunstenaars. Bart werkte aanvankelijk als pianostemmer, Edna vond een baantje op de American School en Bart gaf nog kort les aan het conservatorium.

Halverwege de jaren vijftig kreeg Bart gezondheidsproblemen; hij kon niet meer werken en Edna stimuleerde hem om te gaan tekenen. Hij ontpopte zich tot naïef schilder en bouwde in Mexico een bliksemcarrière op. Zijn werk bracht hem in 1964 terug naar Nederland voor de tentoonstelling in het Schiedams Museum. Hij ontmoette zijn ex-vrouw en kinderen maar het leidde niet tot een verzoening.

De communistische krant De Waarheid publiceerde een groot interview met hem. Kunstcritica Mathilde Visser was laaiend enthousiast over zijn werk, maar vooral ook over zijn leven: ‘Met een weelde van kleuren die soms diep en helder zijn, soms getemperd en bestoven, schildert Bart van der Schelling in eenvoudige beelden de wezenstrekken van het Mexicaanse landschap waarin mensen doende zijn, dieren leven, planten en bomen ademen en door mensenhanden gemetselde bouwsels in hun strenge vormen oprijzen.’ Bart is ‘een slanke, rijzige man met een gesloten, energiek gelaat en een jongensachtige lach. (…) Hij mocht na een zware hartaanval niet meer werken en zo kwam hij er toe te gaan schilderen. Hij ging beeldend uitdrukken wat hij vroeger, als zanger, uitdrukte in woorden en muziek: de wereld zoals deze is en zoals deze zou moeten wezen. Men zegt van een leven als het zijne, dat het avontuurlijk is. Ik noem zo’n leven heldhaftig. En omdat dit leven een grote en zuivere inhoud heeft gehad, zijn ook de schilderijen van Bart van der Schelling zuiver en groot.’

In 1965 gingen Bart en Edna terug naar de VS omdat de medische zorg in Mexico onvoldoende was. Hij had het contact met zijn jongste zus hersteld. Vlak voor zijn dood schreef hij haar: ‘Beste, brave Nellie, ik zou o zo graag met jullie samenzijn. Er is een spreekwoord dat zegt: bloed is dikker dan water. Ik gevoel dit nu als de tijd gaat voorwaarts en ik weet dat ik jullie niet meer zal zien voor de man met de zeis komt.’

Oktober 1970 overleed hij. Een paar maanden later, vlak voor wat zijn 79ste verjaardag zou zijn geworden, schreef Edna aan een vriendin: ‘Maar ach… hij gaf niks om dat soort getallen, he went swinging along, vol nieuwsgierigheid naar alles. Iedereen die Bart heeft gekend moet dat gevoel hebben gehad dat hij er altijd zou zijn, die rots in de branding.’


Met dank aan Maarten Eilander die mij op Bart van der Schelling opmerkzaam maakte.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Op zondag 5 mei is de stem van Bart van der Schelling te beluisteren in Holland Doc Radio, Radio 1, 21.00 uur