De zinloze oorlog tegen de drugs

In zijn fascinerende studie Een eeuw van uitersten besteedt de historicus Eric Hobsbawm bij zijn bespreking van wat hij een beetje verwarrend als de Culturele Revolutie aanduidt, opvallend weinig aandacht aan drugsgebruik en drugshandel. Wat hij erover zegt is echter des te opmerkelijker: hij stelt eerst vast dat de permissieve samenlevingen tot de jaren negentig niet zo ver gingen dat drugsgebruik werd gelegaliseerd, en vervolgt dan: ‘Drugs bleven verboden, maar met een wisselende mate van strengheid en een hoge mate van ineffectiviteit.

Sinds het eind van de jaren zestig kwam er namelijk razendsnel een enorme markt voor cocaine op, vooral onder de welvarende Noordamerikaanse en wat later ook Westeuropese middenklassen. Daardoor, en door de al wat eerder en meer onder het gewone volk opgebloeide markt voor heroine (…) werd de misdaad voor het eerst big business.’
Nu is ‘big business’ wel iets waar we de laatste jaren respect voor schijnen te moeten hebben, maar toch weer niet als ze wordt verbonden met misdaad. Dat ze daarmee werd verbonden is echter het gevolg van de keuze van nationale overheden, die de teelt, het bereiden, de handel en het vervoer alsmede het gebruik van een bepaald soort drugs - niet van alcohol en niet van tabak, wat ook drugs zijn - strafbaar hebben gesteld en wel met steeds hogere straffen. Dat dat lang niet altijd zo is geweest, komt niet doordat handel en gebruik van drugs vroeger niet bestonden. Ook niet doordat overheden vroeger toleranter zouden zijn geweest ten opzichte van afwijkend gedrag. Men hoeft maar kennis te nemen van oude wetten inzake homoseksualiteit en dergelijke om beter te weten.
De psychiater Van Dantzig en de jurist Drion hebben twee weken geleden in NRC/Handelsblad over de 'oorlog tegen drugs’ geschreven en daarbij de barre gevolgen van de drooglegging, de oorlog tegen de alcohol in de jaren 1920 tot 1933 in de Verenigde Staten, in de vergelijking betrokken. Die oorlog werd verloren en vervolgens werd een soort vrede gesloten waarin ook de overwinnaar, alcohol, er niet zonder concessies van afkwam. De oorlog tegen de huidige drugs is eveneens verloren, maar de vrede blijft uit. En daarmee ook de mogelijkheid om drugsgebruik te reguleren via de wet en te ontmoediging via een beroep op het verstand, het gevoel en de overtuiging dat een verkeerd gebruik van drugs net als misbruik van alcohol en tabakswaren afschuwelijke gevolgen heeft voor individuele gebruikers en hinderlijke gevolgen voor de samenleving.
Dat indertijd de drooglegging na betrekkelijk korte tijd is vastgelopen, kan de tegenstander van de huidige oorlog niet tot groot optimisme verleiden. Die oorlog werd in Europa en elders ter wereld niet overgenomen. Het misbruik van alcoholische dranken werd daar bestreden met andere middelen. En hoewel er ook nu nog veel slachtoffers vallen onder en door de alcoholisten, is aan die volksplaag uit de beginperiode van de industrialisatie met redelijk succes het hoofd geboden zonder oorlogsvoering en zonder inschakeling van het strafrecht, behalve natuurlijk in gevallen waarin de drank tot het begaan van misdrijven leidde. Maar als straks die andere drugs zijn gelegaliseerd, wat lang kan duren maar gebeuren zal, zullen degenen die onder invloed van die drugs, of ter verkrijging ervan, misdrijven begaan natuurlijk ook strafbaar blijven.
Het verschil met de situatie tijdens de drooglegging is vooral dat zowat heel de wereld zich aan deze nieuwe drooglegging bij verdragen en wetten heeft verbonden. Alles hangt met alles samen en als Nederland protesteert tegen de kernproeven van Frankrijk, krijgt het te horen dat het maar een toontje lager moet zingen zolang het zelfs die innocente Franse onderdanen op gemakkelijke wijze aan (soft) drugs en daarmee aan de ondergang helpt.
Dit soort schijnheiligheid, dit soort vergelijking van onvergelijkbare zaken, schijnt in de internationale politiek tot de goede toon te behoren, waarbij dan ook nog hoort dat wie klein is zich van de grote broer, hoe lummelachtig ook, alles moet laten welgevallen, omdat die sterker is.
Ik ben met Van Dantzig en Drion de vaste overtuiging toegedaan dat deze impasse alleen maar kan worden doorbroken door deze kwesties onbevangen internationaal ter discussie te stellen. Het is immers ondenkbaar dat waar zoveel belangeloze mensen uit alle landen oprecht menen dat de bestrijding van het drugsgevaar niet langs de weg van oorlog en strafrecht moet worden aangepakt, deze wetenschap bij alle politici geheel zou ontbreken. Daarvoor heb ik dat slag mensen toch nog net iets te hoog zitten. En die discussie zal moeten worden gevoerd niet vanuit het idee: wij voorstanders van legalisering zijn de good guys en de tegenstanders de bad guys, maar vooral ook niet vanuit de daaraan tegenovegestelde houding.
Echte argumenten heb ik van de tegenstanders van legalisering bijna nooit gehoord, of het zouden dan die argumenten moeten zijn die nu juist ook bestaan bij de voorstanders: zorg voor het welzijn van vooral jonge mensen, die hun leven aan het verknoeien zijn en die anderen daarbij, voorzichtig gezegd, lastigvallen.
Niemand is in Nederland ooit op het idee gekomen het gebruik van alcoholische dranken te gedogen, maar het bereiden en verhandelen ervan strafbaar te stellen. Het is op den duur onvermijdelijk om de handel in en bereiding van die zaken, die commodities, die door anderen zeer gewenst worden en waarvan men het gebruik niet of slechts symbolisch strafbaar stelt, ook buiten het strafrechtelijke bereik te laten vallen.
Wie de parlementaire enquete inzake opsporingsmethoden beter volgt dan ik, weet ook (nog) beter dan ik dat het bij die schrikbarende zaken die wij nu te weten komen over methoden maar ook over menselijke relaties bijna uitsluitend gaat over de opsporing van hard maar ook van soft drugs. En dat terwijl er ook zoveel andere grote, wellicht beter georganiseerde criminaliteit bestaat, die daardoor met rust wordt gelaten: fraude in internationaal verband, grootscheepse corruptie. En dat terwijl daardoor de criminaliteit waarvan gewone mensen het meest last hebben en die wij mismoedig (of is het bittere humor?) 'kleine criminaliteit’ zijn gaan noemen, zich tot een plaag kan ontwikkelen: straatgeweld, tasjesroof, inbraken enzovoort.