Moet Nederland in de top-tien van sportlanden?

De zoete broodjes van de sportfabriek

Nederland lijdt aan evenementisme. En sport is bij uitstek een mogelijkheid om het land ‘op de kaart te zetten’. Over de handel in luchtkastelen ter meerdere eer en glorie van het vaderland.

NEDERLAND MOET EEN SPORTLAND WORDEN. Dat is de ambitie die is uitgesproken door de overkoepelende sportbonden in Nederland, met als einddoel de organisatie van de Olympische Spelen in 2028. Nieuw is die ambitie niet. Het is eerder de culminatie van de grote sportevenementdrukte die al enige jaren gaande is in Nederland. Want het organiseren van grote sportevenementen, doorgaans besproken in termen als ‘binnenhalen’, is mateloos populair. Tal van steden willen zich profileren als sportstad. Afgelopen maand was er al het WK sprint op de schaats in Heerenveen, in april is er de marathon van Rotterdam, in mei het WK tafeltennis, eveneens in Rotterdam, in augustus het EK dressuur in Rotterdam, in november het WK bridge in Veldhoven en het WK squash in Rotterdam, in 2012 het WK wielrennen op de weg in Valkenburg, in Den Haag het WK hockey in 2014 en in Amsterdam het WK roeien in 2014. En dan sla ik er nog vast een paar over en tel ik de nationale en lokale kampioenschappen niet eens mee. Geografische logica telt overigens niet bij het binnenhalen van de sportevenementen. Of de Ronde van Frankrijk (sic!) nu in Den Bosch of Maastricht startte en de Ronde van Italië in Amsterdam begon, het maakt niet uit. Als de eigen plaats maar op de spreekwoordelijke kaart gezet kan worden.

En dan zwijg ik nog over alles wat er buiten de sportevenementen om georganiseerd wordt aan feesten, markten, talentenjachten, spektakels, beurzen, festivals, Nachten van en Dagen van. Nederland lijdt aan evenementisme. De theatrale stedelijke stoornis is een olijke, geografische afwijking, maar de drang om te vermaken en met effectbejag de stad als een beleving en spektakel neer te zetten is er niet minder om. Met de bekende technieken als place-marketing en place-branding wordt getracht het eigen domein zo sexy en hip mogelijk te vermarkten om het evenement binnen te halen en er dan, als het eenmaal binnen is, goede sier mee te maken.

Het eindresultaat is telkens weer de creatie van een selectieve hyperrealiteit, een romantische fictie van de plaatselijke werkelijkheid. Steden en landen worden verstild tot verleidelijk kijkende etalagepoppen, fraai opgepoetst en aangekleed. De ene pin-up city is nog attractiever en uitdagender dan de andere. Het strategisch inzoomen op en zinnenprikkelend etaleren van plaatsen om exploitatiedoeleinden omschreef ik eerder als topoporno. Wat echt en onecht is, is daarbij niet de vraag. Als de begeerte maar gewekt is. Als het zoete broodje maar verkocht wordt.

Eigenlijk verschillen steden en landen in hun ambitie om sportevenementen binnen te halen niet zo veel meer van de sponsors en spelersmakelaars die handelen in sporters alsof het producten zijn. Want ook de steden en landen bouwen luchtkastelen om verleidelijk te etaleren en mee te colporteren. Het verschil is dat de sportindustrie, die optreedt namens de steden en landen, zegt een publieke zaak te dienen, een onderscheid dat ze echter zelf in hoge mate mee helpen te vervagen. Alles om te kunnen zeggen: hier zijn wij. Wij hebben het sportevenement, dus wij zijn. Het is de hebzucht die dienend is voor de zijnszucht. Paradoxaal is het wel, dat verkopen van dromen om zichzelf te zijn.

Of de stad of het land in haar existentie daadwerkelijk wordt bevestigd en of de inwoners zelf hun belastinggeld daar aan willen besteden is zeer onzeker. Het nut en het effect van die existentialistische bewijsdrang door middel van het sportevenement zal voorlopig een open vraag blijven. Economisch kost het in ieder geval in de meeste gevallen meer dan dat het oplevert. Dat maakt de steden- en landenmakelaars bij monde van het ingehuurde commerciële organisatiebureau weinig uit. Zij verdienen er doorgaans goed aan. En ook de politicus die sport in zijn portefeuille heeft is er doorgaans dol op, want een sportevenement 'binnenhalen’ staat synoniem voor instant-roem. Zie hier het brood en spelen anno 2011. Waarin het spel het brood zelf is geworden. Op bestelling te leveren.

Dit evenementisme zou je wellicht nog als een spel kunnen opvatten. De waarheid wordt gefabriceerd, maar dat is met ieder theater het geval. Maar met de acquisitiewedren om de topsportevenementen wordt niet alleen de waarheid geweld aangedaan door de romantische fictie van de bids. Het gaat verder. Veel verder. Meest in het oog springend afgelopen tijd waren de dubieuze praktijken van een van de rijkste en grootste sportbonden, de Fifa. De zelfverrijkende verdeel-en-heerspolitiek van voorzitter Blatter cum suis is opzichtig en stuitend. Maar hij kan dat maffiose marionettenspel alleen spelen als landen zich daaraan uitleveren. Dat gebeurt begerig, zelfs als daar nationale belastingwetten of ruimtelijke- ordeningsrichtlijnen tijdelijk voor moeten zwichten. Voor eeuwige roem moet alles wijken, zelfs de goede naam. En zo zie je gebeuren dat nationale politici, leden van het koningshuis, ondernemers en ’s lands bekendste sporters als Cruijff, Krajicek en Gullit elke keer weer opdraven om het volgende droomevenement in tweeduizendzoveel 'binnen te halen’, om te 'scoren’ en die 'competitie’ te winnen.

In de meest recente landenwedstrijd, met als hoofdprijs de organisatie van het WK voetbal, werd uiteindelijk niet Nederland, Spanje of Engeland door de Fifa gekozen als organisator van het wereldtoernooi voetbal, maar de politieke schijndemocratie Rusland (2018) en het rijke oliestaatje Qatar (2022). De flyers waren glossy en de praatjes net zo glimmend glad, maar de werkelijke concurrentieslag vond natuurlijk in de achterkamers plaats. We blijven maar denken dat de topsport in Nederland schoon is. Maar de corruptie in de sport is geen uitwas of anomalie, het is een kenmerk van het systeem zelf.

TOPSPORT EN VUIL SPEL dienen elkaars belangen. Dat werd al eens prachtig met tal van voorbeelden geïllustreerd in een boek van Gerrit Valk, die de geschiedenis van het Nederlands voetbal hierop doorlichtte. Maar ook meer recent werd de morele plooibaarheid van de topsportindustrie ragfijn aangetoond door nota bene de ambassadeur van het Nederlandse bid voor het WK, Ruud Gullit. Vorige week is hij voor veel geld het boegbeeld geworden van de club van Kadyrov, de Tsjetsjeense alleenheerser die verantwoordelijk wordt gehouden voor vele 'verdwijningen’ en martelingen. Het is een dunne lijn tussen fifteen minutes of fame en fifteen minutes of shame. Gullits morele verdediging voor deze dubieuze overstap? 'Het is uit idealisme.’ Treffender kan de topsportindustrie als droomfabriek niet verwoord worden.

Want hoe mooi ook de topsport als schouwspel zijn kan, achter de coulissen schuilt maar al te vaak een wereld van hebzucht, koehandel, gokschandalen, doping en steekpenningen. Naar analogie van de hebzuchtige praktijken in de banksector wordt het tijd voor een internationale variant op de commissie-De Wit in de topsport die het falende toezicht ten aanzien van graaiende bonden, makelaars, sponsoren, spelers en trainers eens blootlegt. Het woekerkapitalisme is een ingebakken script in de betaalde topsport geworden dat politieke vrienden heeft gemaakt en zich maar moeilijk laat veranderen.

Maar de droomfabriek houdt zich niet bezig met haar eigen afval. De heteluchtoven moet branden. Want dit is niet zomaar sport, zo is de gedachte, dit is TOPsport. En dat is een strijd om het recht van de sterkste en de gewiekste. Wie wil er nu de Fair Play Cup winnen? Het volgende zoete broodje moet weer gebakken worden. En inderdaad, de volgende droom is alweer geproduceerd. Het Nederlands Olympisch Comité*Nederlandse Sport Federatie (NOC*NSF) heeft zoals gezegd het idee gelanceerd om een Olympisch Plan te ontwikkelen dat als oogmerk heeft in 2028 de Spelen in Nederland te organiseren. Voor dat doel wil men 'heel Nederland naar Olympisch niveau’ brengen. Onder het NOC*NSF-motto 'Ieder zijn Olympische droom’ opent de website met de inmiddels vertrouwde sportachtige politieke peptalk:

'De droom, de stip op de horizon, is het naar Nederland halen van het mooiste evenement dat er bestaat. Maar (…) voordat we überhaupt over een kandidatuur voor de Olympische en Paralympische Spelen kunnen nadenken, willen we Nederland eerst naar een hoger niveau brengen op allerlei gebied. (…) Sterker nog, in 2016 willen we met ons land al op Olympisch Niveau zijn. Dit lukt alleen als we dat SAMEN doen. Er als heel Nederland keihard voor gaan. Laat het Olympisch Plan 2028 u ook inspireren en besef, samen met veel anderen, hoe uniek het is dat onze generatie dit plan mag en kan realiseren. “Once in a lifetime”!’

Verderop in het plan wordt duidelijk wat de statusangst, die zucht naar erkenning, het meetellen en mee mogen doen met de groten, kortom het klassieke Calimero-complex van Nederland, concreet impliceert: 'Als klein land willen we groot zijn in de mondiale topsport. De Nederlandse sport en de overheid hebben de ambitie uitgesproken om structureel tot de top-tien van de beste topsportlanden ter wereld te behoren. Maar de statistieken leren dat we die plek niet structureel hebben veroverd. Bovendien zit de concurrentie niet stil. Er is wereldwijd een medaillerace gaande en een structurele positie in de kopgroep vergt ambitie, daadkracht en lef.’

De medaillerace als heilig moeten. Waarbij de state of emergency van het land wordt afgemeten aan de stand op de internationale medaillespiegel. De prestaties van sporters worden vertaald naar een spiegel waarin een land zijn ideale zelfbeeld projecteert. En blijkbaar geldt dan: hoe meer goud, hoe fraaier het zelfbeeld. Het is hetzelfde mimetische, dramatische verlangen als dat narcistische sprookje over het spiegeltje aan de wand. Het gaat bovendien gepaard met een eigen ondoorgrondelijke, mathematische logica. Want waarom het de top-tien moet zijn en geen top-twaalf, top-drie, of top-36 is onduidelijk. Belangrijker dan welke plaats is blijkbaar dat er überhaupt een getal moet worden toegekend aan het uitoefenen van sport door inwoners van een land.

Terwijl sport toch weinig meer is dan lenige ledigheid. Het is voor de beoefenaar zelf een tijdelijke, betekenisvolle ontspanning van het dagelijkse ritme door lichamelijke inspanning. Een inspanning zonder direct voortplantingsdoel - ook om te overleven als soort heb je er weinig aan, zeker aan topsport niet, zoals Midas Dekkers al eens fraai heeft verwoord in zijn boek over lichamelijke oefening. Een vrolijke bijzaak van het leven dus. Dat betekent dat als je kiest voor lichamelijke ontspanning door sport het niet vanzelfsprekend is dat die ontspanning ook een wedstrijd tegen anderen impliceert.

Maar het oorspronkelijke Olympische credo dat meedoen belangrijker is dan winnen wordt alleen nog met de mond beleden door de sportmarketeers en sportmakelaars. Het denken in ratraces, wedstrijden, talentenjacht, scoren en ranglijstjes, dat voortdurend willen spiegelen aan de winnaar, is volledig geïnternaliseerd door het bedrijfsleven, media en de politiek. Alles voor de roem. Roem is de laatste onderscheider in de klassenloze maatschappij; je status wordt bepaald aan de hand van de stand op de ranglijst. En dus regeert het verlangen naar roem, of zoals filosoof Alain de Botton het uitdrukt, de statusangst regeert. De fonkeling van het sterrendom is voor velen onweerstaanbaar. Zie de jacht op succes, de zoektocht naar het gedroomde zelf in programma’s als Popstars, Idols en _X-facto_r. De maatschappij als wedren maakt het leven lekker duidelijk, het geeft richting en doel. En vooral, het maakt het leven tot een spel. Of het om het nationale onderwijsniveau gaat, of zangers, voetbalclubs, best geklede man, dansers, of wetenschappers, het wordt allemaal vervat in ranglijstjes.

De willekeurigheid van het getal top-tien zal vanaf nu niettemin de ambities bepalen. Statistieken zullen bepalen wat er gedaan moet worden, wat er geïnvesteerd moet worden om dat getal ook daadwerkelijk te halen. Om met andere woorden in de toekomst topsporters te 'produceren’. Zoals een ex-volleybalster en tegenwoordig hoofd sponsoring Rabobank in het rapport beweert: 'De Olympische medailles van 2028 worden gehaald door de kinderen van nu.’ Want de droom, het heilige doel, moet werkelijk worden. We zullen er allen aan moeten geloven.

De alliantie aan belangrijke vrienden die de sportindustrie iedere keer weer weet te verzamelen is overigens opvallend. Zowel in de media als in de politiek. En dat terwijl nooit helder is aangetoond dat sport ook daadwerkelijk verbroedert, mensen gezonder maakt of een samenleving slimmer of vrediger maakt. De sportindustrie laat in financiële middelen en aandacht alsook in politieke vrienden andere maatschappelijk betekenisvolle sectoren zoals kunst, onderwijs en wetenschap ver achter zich. Sport spreekt blijkbaar tot de nationale verbeelding. De kans op eeuwige roem, populariteit onder de nationale massa, is groter.

IN ZIJN BOEK Sferen maakte filosoof Peter Sloterdijk duidelijk dat de natie, zeker in een tijd van secularisatie, voor velen een surrogaat voor het verlangen naar het eeuwige leven is geworden. Een sportieve meting tussen naties wordt dan ook niet louter ervaren als een ontspannend partijtje tussen sportieve jonge mensen; het wordt gevoeld als zelfverwerkelijkingsstrijd van de eigen natie. Een wedstrijd tegen de vergankelijkheid. Waarbij een overwinning telt als een testament van het zijn. Waarbij het eindoordeel niet langer wordt beslecht in het hiernamaals, maar in het hiernumaals. Er moet nu, in dit leven nog gepresteerd worden. Er moet nu roem behaald worden. Om niet voor eeuwig te vergaan. En zoals het ooit begon, wordt die strijd tegen de dood uitgevochten in een sportstadion, een arena. De dood of de gladiolen.

Die symbolische doodsstrijd heeft een aanzuigende werking, zie de telkens weer opzwepende Oranje-extase. Het is moeilijk om neutraal te zijn als er gestreden wordt voor de droom, de extatische roes van de eeuwigheid. De statusangst voor het eeuwige niets, de leegte, maakt wannabees van ons allen. En de sportindustrie heeft zich succesvol gepositioneerd als een curator van die droomwereld van nationale zelfvergroting en zelfverwerkelijking. En dus zijn 'onze jongens en meiden’ op het veld de heroïsche steracteurs van het nationale theater. Zij strijden met hun welgevormde lichamen in de nationale kleuren voor de eer en glorie van 'ons vaderland’.

Voor de eeuwige roem van de natie zijn vanzelfsprekend ook de politici en leden van het koninklijk huis wel te porren om op te optreden als spreekbuizen voor de sportindustrie dan wel als cheerleaders van de natie, desnoods hossend in het Heineken House of bemiddelend voor Bavaria Babes. Waarbij de vermaaksindustrie gretig de nationale droom als real life soap aan de man brengt en het Hollandgevoel als cultureel fastfood maximaal exploiteert. Zodoende wordt een theater van de onvervulde dromen geproduceerd waarin het heerlijk zwijmelen is. En waarin emoties soms hoog oplopen. Kan het beeldender voor het theater van de nationale sportextase dat een val of een verkeerde wissel op een sporttoernooi een persoonlijke tragedie of de uitschakeling een nationaal drama wordt genoemd. Of een nachtmerrie.

Het verbaast dan ook niet dat die link naar de droomwereld van de topsport veelvuldig wordt genoemd in de jongste plannen om van Nederland een topsportland te maken. Erica Terpstra begint ermee in haar voorwoord, maar het staat vrijwel op iedere pagina. Er wordt niet geschroomd om daarbij citaten van Nelson Mandela en John Lennon over dromen, gezegd in een andere context, aan te wenden om het plan te kunnen rechtvaardigen en kracht te geven. 'Een plan met zo'n grote impact op de Nederlandse samenleving verdient het om zijn vorm te krijgen in een alliantie van zoveel mogelijk partijen die bij onze samenleving betrokken zijn. John Lennon zei het al: “A dream you dream alone is only a dream. A dream you dream together is reality.” En gelijk had hij. (…) Dan pas ontstaat het klimaat dat we nodig hebben om, vanuit een gedeeld ideaal, deze droom te verwezenlijken. Een fit, saamhorig en enthousiast Nederland, klaar om de Olympische Spelen te ontvangen.’

Alles is gericht is het verwezenlijken van De Droom. En ook al duurt de droom altijd maar even, en wordt er in elke competitie met maar één winnaar per definitie veel meer verloren dan gewonnen, dat stopt het verlangen naar het morgenland niet. Het verlangen is onverzadigbaar. De volgende strijd wacht al weer. Nederland sportland is een NeverNeverland.

Henk van Houtum is politiek geograaf aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Brood en spelen - Moet Nederland in de top-tien van sportlanden?

Dinsdag 1 maart, Rode Hoed, Amsterdam,
aanvang 20.00 uur.

Nederland moet naar de top op het gebied van sport, vindt sportkoepel NOC*NSF. Er moeten meer medailles gewonnen worden en evenementen georganiseerd worden dan ooit tevoren. Wat zeggen deze ambities over Nederland? Zijn ze haalbaar? En wat zijn de gevolgen? Met onder anderen Clemence Ross-Van Dorp (oud-staatssecretaris van Sport), Rens Blom (oud-wereldkampioen polsstokhoogspringen), Maarten van Bottenburg (hoogleraar sportontwikkeling UU) en Gerard Dielessen (algemeen directeur NOC*NSF). Moderator: Xandra Schutte. De Rode Hoed i.s.m. De Groene Amsterdammer

Bestel kaarten