De zoethoudertjes van het rijksinstituut

Als directeur Blom van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie nu nog enige eerbied kan opbrengen voor de integriteit van zijn hooggewaardeerde medewerkers, stuurt hij de opdracht voor het onderzoek naar het drama-Srebrenica deze week onverwijld terug naar het kabinet. Het eindeloze gemarchandeer binnen het kabinet over wat het Riod precies moet onderzoeken, maakt de allerduisterste vermoedens los over de vrijheid die de speurders wordt gegund. De mededelingen van secretaris-generaal Solana van de Verenigde Naties dat het Riod in geen geval inzage krijgt in ‘gevoelige rapporten’ van de Navo-top inzake de genocide in de moslimenclave bieden al even weinig perspectief.

Ondertussen is de opstelling van de betrokken Nederlandse ministers evenmin hoopgevend. Namens Buitenlandse Zaken hamert Van Mierlo telkens op het ‘delicate karakter’ van de materie en de noodzaak om vooral 'behoedzaam’ te opereren. Aan een van staatswege gesubsidieerd j'accuse aan het adres van de grootmachten binnen de Navo heeft deze minister begrijpelijkerwijze weinig behoefte. Daarnaast ligt er reeds een veto van minister Voorhoeve van Defensie over de vraag van het Riod om de betrokken Dutchbatters nog eens over een en ander te horen. De top van de Koninklijke Landmacht was al even gereserveerd. Die sprak verontrusting uit 'over wéér een onderzoek dat de beschadiging van het image van de hele krijgsmacht in het gunstigste geval in stand houdt’.
Gezien deze informatie zal het voor het Riod schier onmogelijk worden 'het relevante feitenmateriaal te inventariseren en te ordenen’, zoals Voorhoeve en Van Mierlo de aard van het onderzoek onlangs in een brief aan de Tweede Kamer definieerden. 'Het kabinet meent daarbij niets te verbergen te hebben’, lichtte Voorhoeve later nog toe. Dat valt dus vies tegen. Het Riod dreigt te worden opgezadeld met een mission impossible, eens te meer daar het instituut zich tot voor kort beperkte tot de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en daarbij al meer dan eens over weke knieën bleek te beschikken. Van reeds aanwezige expertise over de toestand in voormalig Joegoslavië is bij het Riod in ieder geval geen sprake. Terecht vergeleek de Nijmeegse polemoloog Léon Wecke de opdracht aan het Riod al met een tandarts die wordt opgezadeld met de naspeuringen naar een overlijdensgeval. De theorie dat de opdracht voor het Riod al vanaf het prille begin bedoeld is als een zoethoudertje, geïnspireerd door de wens van Van Mierlo en Voorhoeve om het parlement van een eigen enquête af te houden, wordt nu van alle kanten bevestigd. Zoals het er nu naar uitziet zal het Riod het onderzoek naar 'de gebeurtenissen en oorzaken die hebben geleid tot de val van Srebrenica en tot de dramatische ontwikkelingen die daarop zijn gevolgd’ (Voorhoeve en Van Mierlo) slechts kunnen baseren op reeds publieke bronnen. Maar dat werk heeft de pers al lang gedaan. De speurders van het Riod doen er beter aan zich maar weer te begraven in de reeds aanwezige archieven over de Tweede Wereldoorlog. Dat is al moeilijk genoeg.