David Fromkin, Waarom de wereld in 1914 ten oorlog trok

De zomer van 1914

David Fromkin

De laatste zomer: Waarom de wereld in 1914 ten oorlog trok

Bezige Bij, 397 blz., € 24,50

Op 1 augustus 1914 noteerde de in Praag woonachtige Franz Kafka in zijn dagboek: «Duitsland heeft Rusland de oorlog verklaard — ’s middags gezwommen.» Het was een prachtige zomer en blijkbaar te heet om uitgebreid te schrijven. Achteraf, toen bekend was door welk noodweer de wereld bijna vierenhalf jaar zou worden geteisterd, verklaarden veel tijdgenoten dat die zomer van 1914 de mooiste sinds mensenheugenis was geweest.

Een andere mogelijke reden dat Kafka op die fatale eerste augustus zo weinig noteerde, was dat veel mensen nog steeds van mening waren dat het allemaal wel zou loslopen. Anders dan vaak wordt gesteld, was Europa in het decennium dat voorafging aan de Eerste Wereldoorlog helemaal niet dat idyllische, vreedzame paradijs, waar iedereen lustig flaneerde over de boulevards en zich verheugde in de steeds toenemende welvaart en waar oorlog werd geassocieerd met parmantige officiertjes in operetteachtige uniformen. Naast groeiende sociale onrust waren er enorme internationale spanningen, die het continent dikwijls op het randje van de oorlog brachten. Bovendien had de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, waarvan Kafka een onderdaan was, in 1912 en 1913 twee bloedige oorlogen met Servië gevoerd.

Op het gebied van internationale crises was men wel iets gewend, en ook van het vermoorden van staatshoofden of leden van vorstenhuizen keek men niet echt op. In de twintig jaar vóór die zomer van 1914 gebeurde dat gemiddeld één keer per jaar. Toen op 28 juni in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn vrouw werden vermoord, was er niemand die verwachtte dat dit zou leiden tot een grootschalige oorlog. Bovendien rouwde vrijwel niemand om de dood van de weinig sympathieke, vormelijke, reactionaire en niet al te snuggere Franz Fer dinand. Zelfs zijn oom, de al sinds 1848 op de troon zittende Franz Joseph, scheen niet erg onder de indruk. Alleen de enige vriend die de vermoorde aartshertog leek te hebben, de eveneens sociaal minder begaafde Duitse keizer, was heftig geëmotioneerd.

Hoe deze moord, gepleegd door een Bosnische Serviër, dan toch kon resulteren in het onmetelijke bloedbad van de Eerste Wereldoorlog is nog altijd een van de grootste raadsels van de geschiedenis. Vaak — bijvoorbeeld in de veelgelezen boeken van A.J.P. Taylor en Barbara Tuchmann — zijn de catastrofale gebeurtenissen uit die zomer van 1914 beschreven als een ingewikkeld proces met een eigen dynamiek, dat volkomen uit de hand liep. De verschillende regeringen waren gebonden aan allerlei bondgenootschappen en hadden de ontwikkelingen niet meer onder controle, en op deze wijze struikelde Europa de oorlog in. Die visie geeft echter geen antwoord op de vraag waarom de oorlog juist op dat moment is uitgebroken, en niet tijdens eerdere crises. Andere historici hebben Duitsland, en dan vooral de onverantwoordelijke Wilhelm II, aangewezen als boze genius. Door onvoorwaardelijke steun te beloven aan Oostenrijkse maatregelen tegen Servië zou Duitsland de wereldoorlog hebben ontketend.

De Amerikaanse historicus David Fromkin plaatst in De laatste zomer de nodige kanttekeningen bij bovenstaande opvattingen. Zo laat hij zien dat de zogenaamde «blanco cheque» van Duitsland minder blanco was dan meestal wordt aangenomen. Bovendien wijst hij erop dat Wilhelm II, ondanks zijn martiale geschreeuw, als puntje bij paaltje kwam altijd terugkrabbelde en ook in de zomer van 1914 enthousiast elk mogelijk alternatief omarmde. Twee weken voor de moord op Franz Ferdinand had Duitsland nog geweigerd Oostenrijk te steunen in een oorlog tegen Servië, waarvoor de plannen al lang klaar lagen.

Fromkin stelt dat het uitbreken van de oorlog alleen valt te begrijpen als men uitgaat van twee oorlogen in plaats van één, en inziet dat die oorlogen door bepaalde personen gewenst en gepland werden. De Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Bechtold en stafchef Conrad wilden eens en voor altijd afrekenen met Servië, en bepaalde elementen in de Duitse legerleiding, onder aanvoering van stafchef Moltke, wilden een preventieve oorlog tegen het steeds sterker wordende Rusland. Het probleem was echter dat de stafchefs ieder andere, niet met elkaar te verenigen, strategieën hadden uitgedacht. Moltke wilde, conform de ideeën die een jaar of acht eerder waren ontwikkeld, eerst Frankrijk verslaan terwijl de Oostenrijkers de Russen tegenhielden. Conrad dacht Servië te kunnen vernietigen terwijl de Duitsers de Russen aanvielen.

Volgens Fromkin was Moltke de echte boosdoener. Hij dacht dat het het juiste moment was om de benarde internationale positie waar Duitsland zich de voorafgaande decennia zelf in had gemanoeuvreerd, te doorbreken door Frankrijk als grootmacht uit te schakelen en het snel moderniserende Rusland te verpletteren. Van vaak geuite opvattingen dat Rusland verantwoordelijk was omdat het als eerste mobiliseerde en dat Engeland niet per se had hoeven ingrijpen, wil Fromkin niets weten. Engeland, Frankrijk en Rusland hadden geen alternatief. Meer malen wijst hij erop dat om een vrede tot stand te brengen de goede wil van twee partijen vereist is. Om een oorlog te beginnen is er maar één nodig.