Schoon in elk oog is wat het bemint: Arabische liefdesgedichten

«De zon die achter lamfers ondergaat»

Schoon in elk oog is wat het bemint: Arabische liefdesgedichten

gekozen en vertaald door Hafid Bouazza

Prometheus, 122 blz., € 24,95

In de oude Arabische poëzie was het gebruikelijk om panegyriek met een amatorische inleiding te beginnen. Dat las ik in de aantekeningen van Hafid Bouazza bij door hem gekozen en vertaalde Arabische liefdes gedichten en ik moest de Van Dale raadplegen om te weten dat «panegyriek» een lofdicht maar ook «lage vleierij» is. En wat is «amatorisch»? Dat is met mijn woordenboek Nederlands niet eens te achterhalen. In het Latijn, zo blijkt, kan een «amator» in gunstige zin een liefhebber of vereerder zijn en in ongunstige zin een vrouwengek. Er zijn ook Arabische dichters, zo leer ik van Hafid Bouazza, die complexe zinnen met paronomasie schreven. Paronomasie? Op gezocht: een woordspel door samenstelling van woorden met dezelfde stam of met soortgelijke klank, zoals in «de bedrogen bedrieger». Ik had niet verwacht dat er voor het begrijpen van oude Arabische liefdes poëzie begrip van zulke academische termen nodig was.

Maar wie begint zo’n poëziebloemlezing te lezen bij de aantekeningen? Een bloem lezing overigens die een herziene en sterk uitgebreide versie is van een bundel die vijf jaar terug onder dezelfde titel verscheen. In zijn voorwoord van Schoon in elk oog is wat het bemint schrijft Bouazza dat voor het aan voelen van «het trillen van het verliefde hart en de huivering van de onderbuik» in de gedichten geen verklaringen nodig zullen zijn. En hij hoopt dat zijn keuze «alle geijkte ideeën over Arabische literatuur zal doen wankelen».

«Zij is de zon die achter lamfers ondergaat en uit de kragen van haar gewaden oprijst», lees ik. Dat klinkt fraai. Maar wat zijn «lamfers»? Onder meer rouwsluiers van fijn gaas, volgens de Van Dale. Dat ik dit woord nu pas heb leren kennen! De versregels met die oh- en ah-klanken worden er nog mooier van. Even verderop «trantelt» dezelfde aan bedene. Het lijkt wel alsof ik in plaats van Arabische poëzie iets van mijn Nederlands aan het leren ben… Trantelen heeft allerlei betekenissen: rustig heen en weer lopen of trappelende bewegingen maken of treuzelen. Herman Gorter had het over een «handblanke, blanktande, trantele koningin», waarbij trantel zoiets betekent als «fier».

De vertalende Bouazza heeft een opvallende voorkeur voor woorden die in het woordenboek als «verouderd» worden aangeduid: langtijds, kommernis, nes, brageren et cetera. Hij houdt er evenzeer van nieuwe woorden te vormen: konenappels, monkelcavalcade, rankhalzig, molligteder… Bouazza blijkt allerminst een droge taalkundige wiens aantekeningen met vakjargon op een behoefte aan academisme of gewichtig doenerij wijzen. Hafid Bouazza is een woordengek in de meest gunstige betekenis. Samen met gevoel voor versritme en klank zorgt dit ervoor dat zijn vertalingen even vol als levendig en zinnelijk zijn.

Het rankhalzig jong schonk narcissen uit oogkassen

En zwierend schudde hij met de meiklokjes van zijn halslokken

Hij rees als een lans in rijzige rankheid

En dodelijke blikken en smedige zijden

En in zijn flanken golfde het water van de jeugd

Overvloedend en geen andere golven dan zijn billen

Mijn ogen kusten in zijn open gelaat een monkelmond

Uiteengetand en in zijn oorkrullen moreten nipzame lippen.

Zouden de oorspronkelijke Arabische ge dichten net zo barok zijn? Ik ben niet bij machte ze met hun vertalingen te vergelijken. Een geijkt idee over de Arabische poëzie heb ik ook al niet. Integendeel. Ik zoek juist zoiets als een ijkpunt. In toenemende mate immers hebben we te maken met dichters die van oorsprong in het Arabisch schrijven, die vanuit een Arabische cultuurtraditie binnen de Nederlandse cultuur een plek proberen te vinden. In het algemeen wordt van deze dichters verwacht dat ze, bijvoorbeeld om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring van hun literaire werkzaamheden, poëzie ter beoordeling voor leggen die in het Nederlands is ge schreven of op z’n minst in het Nederlands is vertaald. Dat vereist een bijna even gedegen kennis van het Nederlands als van het Arabisch. Van de dichter zelf. Of van zijn vertaler. Daarenboven moet de Arabische dichter literair gezien uiteraard ook iets in huis hebben.

Persoonlijk heb ik, onder meer als adviseur van het Fonds voor de Letteren, nooit nieuwe poëzie «uit de Arabische sfeer» onder ogen gehad die erg bijzonder was. Afgaande op wat ik in het Nederlands las, moest ik vaststellen dat het allergrootste deel van de dichters zich van krakkemikkig taalgebruik en clichés bediende. Maar ik ben met het trekken van conclusies altijd voorzichtig ge weest. Natuurlijk is het aannemelijk dat de meeste dichters, zoals altijd en overal, werk van middelmatige kwaliteit of minder leveren. Maar wat wanneer alleen het vertaal vermogen tekortschiet? Wanneer je geen Hafid Bouazza heet of niet van diens vertaalhulp gebruik kunt maken? Wanneer je in het Arabisch fabuleuze paro nomosieën kunt scheppen maar (nog) niet bij machte bent daar Nederlandse equivalenten voor te vinden? Wanneer je de naam Layla gebruikt omdat die dezelfde stam heeft als layl, nacht, iets waarmee je in het Nederlands niets kunt?

Bouazza heeft niet zomaar nogal technische aantekeningen achter zijn vertalingen gezet. Ze schetsen niet alleen een historische context maar geven ook aan dat er in deze poëzie wordt gewerkt met toespelingen, klanksuggesties, meerduidigheden, dat er dus alle aandacht is voor de barokke eigenwilligheid van de taal. Het zal alle re den hebben dat Bouazza zoekt naar klankrijk Nederlands, dat hij archaïsche woorden gebruikt die sfeer of meerduidigheid bezitten. Maar doet zekerheid omtrent de kwaliteiten van de oorspronkelijke gedichten er eigenlijk veel toe? Wat als Bouazza’s vertalingen hun originelen de loef zouden afsteken? Dan zouden ze sowieso een ijkpunt kunnen zijn voor hoe poëzie geschreven kan worden.