Europa’s chaotische transitie naar een duurzame energievoorziening

De zon en de wind zijn Europees

Europa wil één interne energiemarkt creëren en de energievoorziening vóór 2050 volledig verduurzamen. Een dubbelexperiment dat chaos en hoge kosten oplevert. Maar ondertussen is er ook een groene revolutie op gang gekomen die zijn weerga niet kent.

Medium energie3

Als het tegenzit mogen tienduizenden Belgen deze winter niet koken, strijken of wassen tussen 18.00 en 20.00 uur. De industriële activiteit zal tijdelijk worden stilgelegd en de verlichting in reclameborden gaat uit. Het zijn maatregelen uit het noodplan dat ingaat als het land deze winter met een stroomtekort komt te zitten. Een reële mogelijkheid, omdat de afgelopen tien jaar onvoldoende is geïnvesteerd in nieuwe centrales. De kans op een tekort is acuut geworden nu de helft van de kerncentrales uit staat. In twee reactoren zijn haarscheurtjes gedetecteerd, een derde werd door een medewerker gesaboteerd.

Mochten de noodmaatregelen niet helpen, dan zal de overheid de stroom van een deel van de bevolking afschakelen om een algehele blackout te vermijden. Duizenden gezinnen kunnen tijdelijk zonder stroom komen te zitten. In oktober sleepte de Gentse burgemeester Daniël Termont de Belgische staat voor de rechter om dit voornemen aan te vechten. Realiseerden ze zich in Brussel wel wat er zou gebeuren als de 96.000 inwoners van zijn stad geen stroom hadden? Termont noemde de situatie ‘levensbedreigend’.

Hoe anders is de situatie over de grens in Nederland bij het Limburgse dorpje Maasbracht. Aan de oevers van de Maas domineert de Clauscentrale van Essent sinds 1977 het landschap. ‘Het is hier nog nooit zo stil geweest’, zegt Franklin van der Laan als hij de tientallen meters hoge hal in loopt waar de generator staat – het hart van de centrale. Elf jaar lang bestierde hij de aardgascentrale. Anderhalf jaar geleden is de hele boel afgeschakeld omdat Nederland kampt met een groeiend stroomoverschot. Volgens een rapport van PwC is voor de binnenlandse stroomvraag in 2020 maximaal twintig gigawatt nodig, terwijl tegen die tijd 55 gigawatt beschikbaar is – bijna drie keer zo veel dus. In zo’n markt is geen droog brood te verdienen en kiezen energiebedrijven voor sluiting van de minst rendabele centrales. ‘We hebben alle kleppen die normaal de druk en de stoom reguleren eruit gehaald, en pompen alleen nog maar warme, droge lucht door de leidingen om ervoor te zorgen dat de boel niet gaat roesten’, zegt Van der Laan. Een medewerker, gekleed in de nog steeds verplichte overall, met valhelm en veiligheidsbril, gaat de centrale door met een plumeau.

Eén en één is twee, zou je denken. België komt stroomcentrales te kort, Nederland heeft er te veel en dus kunnen we elkaar helpen. Maar zo simpel is het niet. Er zijn wel stroomverbindingen over de grens, maar die hebben onvoldoende capaciteit om het wegvallen van de Belgische kerncentrales op te vangen. Inmiddels zijn plannen gemaakt voor een directe kabel van de Clauscentrale richting België, maar die laat nog jaren op zich wachten.

Dat de Nederlandse overcapaciteit niet door België benut kan worden, is tekenend voor de situatie in Europa. Landen hebben veel te winnen bij samenwerking, maar vaak moet er een crisis aan te pas komen om de boel echt in beweging te krijgen. Toen het conflict met de Russen dit voorjaar hoog opliep, klonk al snel de roep om meer Europese samenwerking. ‘We need to pool our resources, combine our infrastructures and unite our negotiating power vis-à-vis third countries’, zei Jean-Claude Juncker bij zijn kandidaatstelling als voorzitter van de nieuwe Europese Commissie. Eenmaal aangetreden bombardeerde hij een nieuw op te richten Europese energie-unie tot topprioriteit en benoemde hij de Slowaak Maroš Šefcovic tot supercommissaris voor die post. Šefcovic zei op zijn beurt dat Europa nu vierhonderd miljard euro per jaar uitgeeft aan fossiele energie uit het buitenland en dat het daarmee afgelopen moet zijn. ‘The sun is ours, the wind is ours. It is all European.’

Aan ambities dus geen gebrek. Maar wat presteert Europa werkelijk op energiegebied? Sinds de jaren negentig koestert Brussel twee doelen: het creëren van één interne energiemarkt en het terugdringen van de CO2-uitstoot. Groene stroom en lage prijzen, dat was de inzet.

Als de windmolens voor de kust van Denemarken niet konden leveren, dan zouden we gebruik maken van de zonnestroom uit Spanje. De elektronen zouden hun weg over het continent vinden als over een koperen plaat: moeiteloos, de perfecte uitwerking van vraag en aanbod. Overheden zouden de omstandigheden creëren, de markt zou het verder regelen.

Dat was het idee. De praktijk is even anders. Wij namen de situatie in Engeland, België, Nederland en Duitsland onder de loep. We bestudeerden de ontwikkelingen op het hele continent. Wat blijkt? Van een geharmoniseerde Europese energiemarkt is nauwelijks sprake. Consumenten zijn in het ene land veel goedkoper uit dan in het andere. De stroomprijzen voor huishoudens zijn tussen 2008 en 2013 in bijna alle lidstaten gestegen en variëren aanzienlijk. Directe vergelijkingen zijn door een kluwen van subsidies en belastingen moeilijk te maken, maar in het ene land besteden huishoudens 3,5 procent van hun besteedbaar inkomen aan energie, in het andere tien procent.

Ondanks de retoriek over Europese samenwerking bepaalt ieder land zijn eigen agenda, wat tot grote verschillen leidt. In Nederland is bijvoorbeeld slechts 4,5 procent van de energie groen, terwijl Denemarken nu al op 26 procent zit. De klimaatwinst van de duurzame stroom is nog beperkt: de CO2-uitstoot van de Europese energie-industrie daalde met 0,4 procent tussen 2011 en 2012 (de meest recente cijfers). Maar de opkomst van groen in heel Europa zorgt wel voor grote pijn bij de gevestigde energiebedrijven, die nu zelfs lobbyen voor staatssteun om uit de rode cijfers te komen. Een actie die zowel het voorlopige falen van de interne energiemarkt illustreert als het succes van de groene revolutie in Europa.

Dit is het verhaal van een oud continent dat een dubbelexperiment is aangegaan. De tegenstrijdige ontwikkelingen die wij in Engeland, België, Nederland en Duitsland beschrijven zijn in de kern het gevolg van een strategische fout. In heel Europa zien we nu de gevolgen van het idee dat je tegelijkertijd de markt zijn gang kunt laten gaan en de aarde een klimaatcatastrofe kunt besparen – alsof je kunt loslaten en ingrijpen tegelijkertijd.

‘Het is een perverse situatie’, zegt Petra Rösch. De bruinkoolmijn in de nabijheid van haar dorp Proschim, in de Oost-Duitse deelstaat Brandenburg, wil fors uitbreiden. ‘Wij dorpelingen moeten dan verhuizen. Onbegrijpelijk. Duurzame energie heeft de toekomst, onze landelijke regering zet al jaren fors in op groene stroom. Iedereen weet dat. Als we ons neerleggen bij uitbreiding van de mijn wissen we de stappen uit om een duurzame toekomst op te bouwen.’

Proschim is een landelijk dorp met ruim driehonderd inwoners dat midden in het bruinkoolgebied Welzow ligt. Hier wordt al ruim een eeuw bruinkool gedolven. In de open mijn vlak bij Rösch’ huis wordt elke dag 63.000 ton bruinkool gewonnen, maar volgens de eigenaar Vattenfall zijn de voorraden in 2025 uitgeput en dus moet er worden uitgebreid. Het Zweedse staatsbedrijf – de naam betekent ‘waterval’ en verwijst naar het duurzame imago dat het in eigen land heeft opgebouwd met hydro-energie – wil nog eens vijftienhonderd hectare extra afgraven om vanaf 2027 zo’n tweehonderd miljoen ton bruinkool meer te kunnen produceren.

Het gebied rond de mijn ziet eruit als een maanlandschap, de nabije omgeving lijdt onder de vervuiling. Uit de kraan komt bruin water en in de lucht hangt fijnstof. De dorpelingen zijn eraan gewend, ze wonen hier al van generatie op generatie. Verhuizen willen de meesten niet, ook al krijgen ze mooie nieuwe huizen buiten het mijngebied aangeboden. ‘Zo ga je niet om met mensen. Ik houd van mijn Heimatsgrund, die is onvervangbaar’, zegt Rösch, die op een mooie boerderij woont en tevens burgemeester is van haar dorp. Ze gelooft inmiddels heilig in groene alternatieven voor fossiele energie en investeerde zelf fors in zonnepanelen, zoals het hele dorp dat heeft gedaan. ‘Ons dorp produceert meer energie dan het consumeert. Wij blijven hier en strijden door om onze huizen te verdedigen.’

Proschim is niet het enige Duitse dorp dat bedreigd wordt door de mijnbouw van bruinkool, de meest vervuilende fossiele brandstof die er maar te vinden is. Alleen al door de plannen van Vattenfall in Oost-Duitsland zullen 2400 mensen gedwongen moeten verhuizen. Nog eens tien gemeenschappen staan op de tocht door plannen van andere energiebedrijven zoals mibrag, dat een mijn wil ontwikkelen bij de stad Lützen. Als de plannen doorgaan wordt onder meer een twaalfde-eeuws kerkje in Röcken gesloopt – het dorpje waar Friedrich Nietzsche werd geboren en begraven.

Ondanks de retoriek over Europese samenwerking bepaalt ieder land zijn eigen agenda, wat tot grote verschillen leidt

Dat Duitsland de afgelopen jaren méér bruinkool is gaan winnen, is het onbedoelde gevolg van een besluit dat Angela Merkel aankondigde op zaterdagavond 12 maart 2011. Die avond verscheen ze op tv in een stemmig, gitzwart mantelpak. Een dag eerder was Japan getroffen door een aardbeving en een tsunami. Een kernreactor bij de stad Fukushima was aan het smelten. Duitsland kon ‘niet overgaan tot de orde van de dag’, zei Merkel. ‘En we zullen ook niet overgaan tot de orde van de dag.’

Twee dagen later kondigde Die Kanzlerin deemoedig een moratorium af op het Duitse kernenergieprogramma, drie maanden later besloot de regering definitief tot versnelde sluiting van de zeventien Duitse kerncentrales (acht gingen er direct uit, de rest volgt stapsgewijs en de laatste sluit in 2022). Merkels besluit zal een sector die bijna een kwart van de Duitse stroom levert de kop kosten. Om de wegvallende kernstroom op te vangen worden tussen 2010 en 2015 negen nieuwe kolencentrales geopend. In 2013 werd een nieuw record gevestigd: sinds de eenwording verstookten de Duitsers niet eerder zo veel bruinkool. Er is nog genoeg van het spul over om twee eeuwen op het huidige tempo door te stoken. Bruinkool is de inktzwarte keerzijde van het veel bekendere verhaal over Duitsland – dat van het groene wonder, het voornaamste voorbeeld voor alle Europese voorstanders van meer duurzaamheid. Duitsland was een van de eerste landen die werk maakten van klimaatambities die – net als het marktdenken – in de jaren tachtig en negentig opgang deden in Europa. Dankzij een royale subsidieregeling ging het aandeel Ökostrom in ruim twintig jaar bijna drie keer over de kop. In 1990 was 3,4 procent van de Duitse stroom groen, in 2013 was dat meer dan een kwart.

Deze ‘Energiewende’ is even ingrijpend als omvangrijk, en de kosten zijn ernaar. De subsidies kostten Duitsland 19,4 miljard euro in 2013, oftewel 240 euro per inwoner. Daar staan grote baten tegenover, zoals ruim 370.000 arbeidsplaatsen in de duurzame-energiesector. De toegevoegde duurzame energie spaarde in 2013 het equivalent van bijna 150 miljoen ton CO2 uit. Door de sluiting van de kerncentrales en de extra geproduceerde kolenstroom stootte het land toch meer CO2 uit dan het jaar ervoor. De CO2-uitstoot van de stroomvoorziening ging alleen van 2007 tot 2009 naar beneden, en daarna weer omhoog. Vorig jaar leek de uitstoot zich te stabiliseren.

De wende wordt dus geplaagd door tegenstrijdige uitkomsten en hoge kosten. De helft van de Duitse burgers is om die reden kritisch over de uitvoering, maar 82 procent steunt het project als zodanig. Sommigen verdienen er goed aan. Eind 2013 zijn in Duitsland ruim 75.000 burgers actief in bijna duizend energiecoöperaties. Inmiddels is bijna de helft van alle duurzame-energiebronnen in Duitsland eigendom van burgers, al dan niet verenigd in coöperaties. De traditionele energiebedrijven blijven steken op twaalf procent.

Medium energie1

Door de opmars van groene stroom zagen de vier grote energiebedrijven die in Duitsland de dienst uitmaakten hun verdienmodel in rook op gaan. Vroeger verdienden zij bijna al hun geld overdag, met een piek rond de middaguren als de energievraag het hoogst was. Maar dat zijn toevallig ook de uren dat de zon schijnt. De opkomst van zonnepanelen heeft de meest lucratieve uurtjes uit de verdienmodellen van de energiebedrijven geslagen. Zo hebben de Duitse elektriciteitsproducenten vier vijfde van hun winstmarge zien sneuvelen. Elk nieuw zonnepaneel ondermijnt hun business case verder. Het viel dus te verwachten dat op een goed moment energiebedrijven in Europa in het geweer zouden komen tegen de in hun ogen oneerlijke concurrentie van groene stroom. Dat brengt ons in Brussel.

Op de Brusselse kunstberg staat het Magritte Museum. Het gebouw is even vreemd als het werk van surrealist René Magritte zelf. Het deelt een ingang met drie andere musea, bezoekers moeten eerst met een lift naar beneden om zich daarna met de trap een weg omhoog te banen door verduisterde zalen die half in de helling van de kunstberg liggen. In de hal van het museum is op 11 oktober 2013 een podium getimmerd voor een optreden van tien ceo’s van Europa’s grootste energiebedrijven. Samen zijn ze goed voor ongeveer de helft van de elektriciteitsproductie op het continent.

De mannen kijken ernstig. Gastheer Mestrallets Gas de France – naar stroomproductie het grootste elektriciteitsbedrijf ter wereld – doet het onwaarschijnlijk slecht. Het bedrijf moest vorig jaar bijna vijftien miljard euro afschrijven op niet renderende centrales.

Gertjan Lankhorst, ceo van GasTerra, is afgereisd uit Nederland. Hij is groothandelaar in gas en aanwezig in naam van zijn aandeelhouders Shell, ExxonMobil en het ministerie van Economische Zaken. Gas, de core business van GasTerra én van de Nederlandse staat, heeft betere tijden gekend. De brandstof wordt rechts uit de markt gedrukt door goedkope kolen uit de Verenigde Staten en links ingehaald door gesubsidieerde groene stroom van windmolens en van zonnecellen op de daken van miljoenen Europese burgers. Tien Europese energiebedrijven hebben tussen 2012 en 2013 aangekondigd gezamenlijk twintig gigawatt aan gascentrales te sluiten of in de mottenballen te zetten. Naar schatting gaat het om afschrijvingen van ruim zes miljard euro.

In het Magritte Museum leggen de ceo’s hun belangrijkste eis op tafel. Vanaf nu willen ze geld zien voor de centrales die stroom kunnen leveren als groene bronnen dat niet doen. Politici hebben ervoor gekozen een steeds groter deel van de stroomvoorziening afhankelijk te maken van de grillen van de wind en de zon. De volgende stap is nu logisch: als overheden willen dat het licht altijd brandt, dan moet er ook worden betaald voor de betrouwbare achtervang van de fossiele centrales. Dat kan via directe subsidies of via een aparte ‘markt’ voor fossiele capaciteit – in beide gevallen draait de consument ervoor op.

Voorman van het Duitse rwe Peter Terium licht de eisen toe: ‘Voor onze civilisatie en welvaart hebben we energie nodig. Maar de infrastructuur daarvoor dreigt in Europa kapot te gaan, we zijn echt de kip met de gouden eieren aan het slachten. Dat is niet in het belang van Europa en niet in het belang van de kip. Laten we teruggaan naar de tekentafel en de spelregels zo aanpassen dat het spel weer gespeeld kan worden.’

Met hun roep om overheidsingrijpen vallen de energiebedrijven terug in een oud patroon. De liberalisering van de stroommarkt die Margaret Thatcher al in 1986 in Engeland had ingevoerd, stuitte op het continent aanvankelijk op grote weerstand van de toenmalige energiemonopolisten. Zij hadden altijd onder het genot van een kopje koffie de elektriciteitsprijzen uitonderhandeld met rijksambtenaren, waarom moest die gemoedelijke kartelvorming op de schop? Pas in 2003 hadden Brussel en de nationale regeringsleiders afgesproken dat zowel groot- als kleinverbruikers vrij konden gaan kiezen bij wie ze hun stroom afnamen. Het was aan de lidstaten om de liberalisering voor de deadline van 2007 door te voeren.

Dat vooruitzicht bracht de elektriciteitsproducenten rond de millenniumwisseling in beweging. Ze zagen kans om internationaal te groeien en begonnen elkaar in hoog tempo op te kopen. ‘Het is in Europa een kwestie van groeien of doodgaan’, zei president-directeur van Vattenfall Carl-Erik Nyquist in 1999 toen hij plannen aankondigde om de Nederlandse markt op te komen. Het ‘goedkope geld’ van voor de crisis voedde een hausse van fusies en overnames. De nieuwe multinationals investeerden voornamelijk in apparatuur die ze al honderd jaar kenden: gas- en kolencentrales. Gezamenlijk bouwden ze er in tien jaar tijd 85 gigawatt bij – bijna drie keer zo veel als er momenteel in heel Nederland staat. De beurswaarde van de gezamenlijke energiebedrijven steeg met vijfhonderd miljard euro.

Toen de financiële crisis een economische crisis werd, kwamen ze in zwaar weer. De vraag naar elektriciteit nam af en leningen voor de nieuwe investeringen werden ineens duurder. Toch bleven de jonge energiemultinationals gas geven: centrales die al op de planning stonden werden afgebouwd. Bedrijven als rwe en e.on waren zo druk met hun nieuwe fossiele centrales dat ze de impact van de gestage groei van groene stroom grotendeels over het hoofd zagen.

De liberalisering heeft vooral voor concentratie van macht gezorgd in miljarden­concerns die inmiddels too big to fail zijn

Toen ze eenmaal in hun portemonnee werden getroffen door de groene concurrentie ging het snel bergafwaarts. De vijfhonderd miljard euro die er in de goede jaren bij waren gekomen vervlogen weer op de beurs, en zo kwamen de energiebazen in oktober 2013 terecht in het Magritte Museum op de Brusselse kunstberg, smekend om subsidie en daarmee om het einde van de markt. Op dat moment was uitgerekend Engeland al bezig de vrije marktwerking stevig aan banden te leggen.

Somerset aan de westkust van Engeland stond lange tijd vooral bekend om appels en de smaakvolle cider die daarvan gestookt wordt. Sinds dit jaar staat het plaatsje echter vooral in de schijnwerpers door Hinkley Point, het terrein tussen de licht glooiende heuvels waar nu al een kerncentrale staat en waar binnenkort de bouw van twee nieuwe reactoren begint. Premier David Cameron had zich in een blauwe overall gestoken toen hij de plannen bekendmaakte. ‘Hinkley Point C’ zou duizenden banen opleveren, claimde de premier, en door de aanzienlijke investering in kernenergie liet Groot-Brittannië zien dat het ‘open for business’ is.

De nieuwe centrale heeft echter weinig met zaken te maken en alles met overheidsingrijpen. In een ‘wel heel knusse overeenkomst’, zo noteerde een commentator van The Guardian, krijgt een consortium van Franse en Chinese staatsbedrijven een gegarandeerde afnameprijs van ruim twee keer de huidige Engelse stroomprijs – voor de komende 35 jaar. De belastingbetaler draait op voor de risico’s en de kosten van minstens zestien miljard pond.

Waarom staatssteun voor kernenergie, nota bene in het land van Thatcher? Omdat de markt niet heeft geleverd. Bijna alle bestaande Britse kern- en kolencentrales moeten de komende jaren sluiten omdat ze sterk zijn verouderd of niet aan de strenge Brusselse milieunormen voldoen. De zes energiebedrijven die de Britse stroommarkt domineren konden het zien aankomen, maar hebben – net als in België – onvoldoende geïnvesteerd in nieuwe centrales. Nu kan Engeland nog voorzien in 114 procent van de piekvraag voor stroom, in 2015 zal dat nog maar 104 procent zijn. Premier Cameron kon zich de (politieke gevolgen van de) stroomtekorten uit de jaren zeventig nog herinneren en besloot tot stevig ingrijpen. Hij moest bovendien zien te voldoen aan de Britse doelstelling van tachtig procent CO2-reductie in 2050.

De staatssteun voor kernenergie in Hinkley Point is de meest zichtbare exponent van Camerons nieuwe beleid. De overheid blijft ook duurzame energie subsidiëren en maakt vanaf nu elke vijf jaar nieuwe doelen en voorwaarden voor de stroommarkt bekend, zodat iedereen weet waar hij aan toe is. In een slip of the tongue zei de Europese energiecommissaris Günther Oethinger eerder dit jaar dat de Britse hervormingen een zekere ‘sovjet’-stijl hebben. Een van de vele gevolgen van het nieuwe beleid is dat de Britse belastingbetaler gegarandeerd opdraait voor de verliezen van bijvoorbeeld kolencentrales die niet langer winstgevend zijn.

Op de vierde verdieping van Tower Three van de campus van London School of Economics, tussen de metrostations Temple en Holborn in hartje Londen, spreken we met Samuel Fankhauser en Alex Bowen. Zij vertegenwoordigen het Grantham Research Institute on Climate Change and the Environment. Ze weten alles van ‘de economie van klimaatverandering’ en hoe de energiemarkten werken. ‘De hervormingen van Cameron gaan recht in tegen de marktwerking die de Britten normaliter prediken’, onderschrijft Fankhauser. ‘De staat is terug van weggeweest.’

Maar waarom? ‘Iedere technologie komt met zijn eigen economische uitdagingen’, zegt Bowen. ‘Als je een nucleaire centrale wil bouwen, heb je hoge opstartkosten. Als je veel windmolens of zonnepanelen installeert, moet je een oplossing vinden voor het wisselvallige stroomaanbod.’ Het probleem is: de markt levert deze coördinatie niet. Daar kan alleen de overheid voor zorgen. Fankhauser is er glashelder over: ‘Een low-carbon energievoorziening noodzaakt interventie van de staat.’

Dat inzicht geeft de ontwikkelingen op de Europese stroommarkt een zekere logica. De lidstaten wilden groene stroom en begonnen die, Duitsland voorop, te subsidiëren. Maar nu de groene stroom rechtstreeks ten koste gaat van de belangen van de gevestigde energiebedrijven, en nu in sommige landen het licht dreigt uit te gaan, vragen de energiebedrijven zelf aan de overheid om weer spelbepaler te worden en ook hun fossiele centrales te subsidiëren. Daarbij zijn niet alleen slim verdedigde belangen in het spel, maar ook fundamentele vragen over de houdbaarheid van een stroomvoorziening met een steeds groter aandeel wisselvallige duurzame energie. Eén ding is zeker: van een ‘vrije markt’ voor energie kunnen we niet spreken.

Brussel heeft zich daar vooralsnog bij neergelegd. Aanvankelijk werd kritisch gereageerd op de Britse plannen, want wie zoals Cameron prijsgaranties voor 35 jaar afgeeft, ondermijnt de vrije marktwerking direct. De verbazing was dan ook groot toen Joaquín Almunia, de eurocommissaris van mededinging, op 8 oktober zijn zegen gaf aan de Britse hervormingen. De waakhond van de gedroomde interne energiemarkt zei nu dat de ruimhartige Britse staatssteun voor de kerncentrale ‘geen hindernis’ vormde voor vrije concurrentie en een toekomstige energie-unie niet in de weg zou zitten. ‘Er is geen twijfel over mogelijk dat Engeland de Europese regels voor staatssteun ondermijnt’, zei de Britse europarlementariër Molly Scott Cato van de Groenen in een reactie op het volgens haar ‘cynische’ besluit van de Commissie. (Brussel-vorsers waren het erover eens dat de Commissie de staatssteun door de vingers had gezien omdat Duitsland eerder toestemming had gekregen voor verregaande groene subsidies. Quid pro quo.)

Tot in de top van de Europese Commissie vreest men nu een ‘inktvlek’ van nationale steunmaatregelen voor oude en nieuwe fossiele energiecentrales. Daar bleek al snel reden toe. ‘Het is altijd fijn als een groot iemand de weg voor je vrijmaakt’, zei de voorzitter van de raad van bestuur van de Tsjechische moloch cez in reactie op het besluit van Almunia. Het bedrijf maakt nu plannen om met subsidie van de Tsjechische overheid een kerncentrale in Temelin in het zuiden van het land uit te breiden.

Is het erg als de staat weer de regie neemt, ten koste van de markt? Meer marktwerking is altijd aan consumenten verkocht met de belofte van meer keus, betere service en prijsdalingen. ‘We weten dat markten de beste prijs en de beste service leveren’, zei toenmalig eurocommissaris voor energie Andris Pielbags in een interview in 2007. ‘That is a generally well-perceived truth.’

Medium energie2

Inmiddels hebben we ruime ervaring met deze ‘waarheid’ en kunnen we conclusies trekken over de vermeende voordelen van marktwerking. In Groot-Brittannië, waar de liberalisering en privatisering van de stroommarkt tot in het extreme zijn doorgevoerd, zette de Britse toezichthouder de feiten eerder dit jaar fijntjes op een rijtje. De Britse consument is de laatste jaren gemiddeld steeds duurder uit, er is sprake van stilzwijgende kartelvorming tussen de zes grote stroomaanbieders die de Britse markt domineren, en die bedrijven maken ieder jaar méér winst. De concurrentie van nieuwe spelers is ‘zwak’, omdat zij moeite hebben de markt te betreden, en consumenten wisselen veel minder vaak dan gedacht van stroomleverancier, zodat er voor de bedrijven ook weinig aanleiding is om de beste deal voor hun klanten uit het vuur te slepen.

In andere landen zijn vergelijkbare conclusies te trekken. Duitsland was voor de liberalisering een lappendeken van regionale monopolistjes – bijna net zo veel als er in de achttiende eeuw hertogdommen, hanzesteden en prinselijke landerijen waren. Nu domineren de ‘grote vier’ – EnBW, Vattenfall, e.on en rwe – de Duitse markt. Deze giganten hebben ook stevige posities in Nederland, Engeland, Slowakije en Hongarije. Samen met de Zweden en de Tsjechische cez-group verdeelden de Duitse bedrijven de Centraal- en Oost-Europese markten.

De EU wil in 2030 veertig procent minder CO2-uitstoot, 27 procent duurzame energie en 27 procent energiebesparing

De liberalisering heeft dus vooral voor concentratie van macht gezorgd in miljardenconcerns die inmiddels too big to fail zijn. In reactie op de politieke grillen van nationale overheden bouwden zij in het ene land veel te veel nieuwe centrales (bijvoorbeeld in Nederland), en in het andere te weinig (België, Engeland). De groothandelsprijs van elektriciteit ging de laatste jaren in bijna heel Europa omlaag, vooral dankzij het groeiende aandeel groene stroom – als windmolens of zonnepanelen eenmaal zijn geïnstalleerd, leveren die nagenoeg gratis. De energie-intensieve industrie profiteerde van de kostendaling, maar ondertussen steeg de energierekening van huishoudens door hogere btw, accijnzen, subsidies en stijgende transportkosten voor stroom – allemaal kosten waarvan grote energiegebruikers dankzij succesvolle lobby’s doorgaans zijn vrijgesteld.

De marktwerking heeft dus geen nieuwe concurrentie gebracht en ook geen lagere kosten voor de consument (over verbetering van de service valt te twisten). De integratie van de stroomnetten vordert moeizaam. Volgens de Europese toezichthouder op de marktintegratie, Acer, liggen er nog honderden miljoenen euro’s voor het oprapen door betere samenwerking.

Er zijn echter ook hoopvolle signalen. Met horten en stoten slaagt Europa er wel degelijk in om steeds dichter bij één Europese energiemarkt te komen. En ondanks alle tegenstrijdige ontwikkelingen is er een onmiskenbare onderstroom die steeds krachtiger wordt: de burgerbeweging voor duurzame energie.

Zondag 21 september 2014. In New York gaan meer dan driehonderdduizend demonstranten de straat op om te pleiten voor klimaatactie. VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon is erbij en noemt klimaatverandering ‘the defining issue of our time’. In Londen sluiten veertigduizend mensen zich aan bij de mars richting het Britse Lagerhuis, en op de oever van Amsterdam-Noord komen ook een paar duizend mensen bij elkaar. Greenpeace heeft iemand meegenomen in een ijsberenpak, leden van Milieudefensie zijn verkleed als pinguïn. Wereldwijd worden er die dag 2700 evenementen georganiseerd, met als doel klimaatverandering weer boven aan de globale politieke agenda te krijgen.

Europa wil al sinds de jaren negentig voorop lopen in de aanpak van klimaatverandering. De EU nam het voortouw in de klimaatakkoorden van 1997 in Kyoto, en onderling werden de lidstaten het in 2008 eens over de ‘20-20-20’-doelstellingen (zie kader). De verschillen tussen landen zijn aanzienlijk, maar inmiddels is veertien procent van Europa’s energie duurzaam. Volgens een recente opiniepeiling wordt deze ontwikkeling gedragen door burgers. Negen van de tien Europeanen gaven in een enquête aan het ‘belangrijk’ te vinden dat hun overheid doelen stelt om de hoeveelheid duurzame energie te vergroten. Tachtig procent is ervan overtuigd dat klimaatactie en meer energie-efficiëntie goed zijn voor de economie en banen.

Zelfs de meest fossiele energiebedrijven hebben inmiddels het licht gezien. Kolenkampioen rwe wil bijvoorbeeld ‘manager’ worden van het nieuwe, groene energiesysteem van de toekomst. Een verstandige zet, want dat systeem komt snel dichterbij. De energiecoöperaties die in Duitsland voor een radicale wending zorgen, beginnen ook in Nederland op te komen – we hebben er al 110. Ook in Engeland begint de hegemonie van de zes grootste energiebedrijven, die 95 procent van de energie in het land leveren, af te brokkelen. Sinds juni vorig jaar stapten iedere maand honderdduizend Britten over naar een onafhankelijke leverancier.

Ondertussen blijft Europa nieuwe doelen stellen. Het conflict met Rusland is door politici in alle lidstaten aangegrepen om te pleiten voor meer samenwerking. ‘In januari zei men nog dat we met het verkeerde onderwerp bezig waren op het verkeerde moment’, zei scheidend voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso toen hij op 24 oktober een nieuw pakket van Europese klimaatmaatregelen presenteerde. ‘Vandaag hebben we hun ongelijk bewezen.’ Voorzitter van de Europese Raad Herman Van Rompuy wees op de potentie van meer duurzame energie: ‘Met de crisis in Oekraïne en de onrust in het Midden-Oosten is heel duidelijk geworden dat het van vitaal belang is om Europa’s energieafhankelijkheid snel te verkleinen.’

Met de nieuwe klimaatafspraken hoopt de EU in 2030 drie doelen te bereiken: veertig procent minder CO2-uitstoot, 27 procent duurzame energie, en 27 procent energiebesparing. Of dat gaat lukken valt te bezien. Engeland weigerde een verplichting voor energie-efficiëntie te accepteren, en een coalitie van Oost-Europese landen, Polen voorop, ging dwars voor bindende doelstellingen op het gebied van duurzame energie liggen omdat die hun economie zouden schaden. De doelstelling van 27 procent groene energie wordt niet vertaald in nationale verplichtingen – zodat niemand erop kan worden aangesproken.

Milieuorganisaties wijzen er terecht op dat de voornemens lang niet ver genoeg gaan om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Daar lijken ook de Europese burgers en ondernemers steeds meer van overtuigd. Zij hebben op veel plekken besloten dat de economie groener moet worden en gaan zelf aan de slag. Ook op het Steigereiland in de Amsterdamse nieuwbouwwijk IJburg hangt die vernieuwing in de lucht. Het is 11 mei 2014 en de oprichter en ceo van het Californische zonne-energiebedrijf Sungevity is op bezoek. Zijn bedrijf is goed in één ding: zonnepanelen verkopen. En niet zo’n beetje, maar met een insane costumer experience. Klanten kunnen online een offerte aanvragen, daarna is één telefoontje met een callcenter genoeg en voordat je het weet liggen de panelen op je dak en gaat je energierekening richting de nul. Andrew Birch – Birchy voor intimi en ieder ander, alleen z’n moeder noemt ’m nog Andrew – heeft zojuist het Nederlandse Zonline overgenomen. Hij wil de Nederlandse vestiging gaan gebruiken als springplank voor de ganse Europese markt.

Waarom hier, in een land waar zonne-energie nog niet goed is voor één procent van de opgewekte stroom? Een land dat bovendien te kampen heeft met knallende overcapaciteit? Omdat Sungevity inzet op menselijke emotie. ‘Wanneer jouw buurman in zonne-energie gaat zitten, ga jij dat ook doen. Wanneer vier of vijf families in solar gaan zitten, dan zie je dat de hele straat het doet.’ Birchy gelooft heilig in dit zwaan-kleef-aan-effect. ‘Ik vergelijk het altijd met cd’s. Eerst waren het alleen een stel idioten die met die schijfjes in de weer waren, maar plotseling slaat het om, en dan wil je niet de laatste zijn die nog lp’s gebruikt. Hetzelfde zag je met wasmachines in de jaren vijftig en laatst nog met iPhones. We staan op het omslagpunt voor zonnepanelen.’

De cijfers ondersteunen Birchy’s enthousiasme. Vorig jaar werd wereldwijd voor 36 gigawatt aan zonnepanelen bijgebouwd – ongeveer even veel vermogen als in heel Nederland staat. De kosten gaan al hard omlaag, en zullen naar verwachting tot 2020 jaarlijks tot wel tien procent dalen. Volgens het Internationaal Energie Agentschap iea kan de zon al in 2040 de grootste elektriciteitsleverancier van de wereld zijn.

Welke plannen Brussel maakt voor 2030, kan Birchy niet veel schelen. Hij speelt het spel van de lange termijn. En dat gaat hij winnen, samen met de miljoenen klanten die hij over een paar jaar hoopt te hebben. Als Europa haar ultieme klimaatdoelstelling gaat halen – tachtig tot 95 procent minder CO2-uitstoot in 2050 – dan is het dankzij dit soort initiatieven, dankzij de burgers die het heft in eigen handen nemen, dankzij de vernieuwende energiecoöperaties. ‘Er zijn allemaal verschillende en tegenstrijdige ontwikkelingen op beleidsniveau, op de korte termijn’, zegt Birchy. ‘Maar de mega-trend? Die gaat onze kant op.’


De Europese doelstellingen en het ETS

In 2008 werden de Europese regeringsleiders het eens over drie klimaatdoelen voor het jaar 2020. Ze spraken ten eerste af dat twintig procent van de Europese energie dan groen zou zijn – een doel dat we op het nippertje zullen halen, of net niet. Daarnaast zouden we in 2020 twintig procent energiebesparing realiseren, wat vooralsnog onhaalbaar lijkt. Tot slot zouden we de CO2-uitstoot met twintig procent reduceren, wat dankzij de crisis al is gelukt. Overigens is veel van onze CO2-uitstoot niet verdwenen maar verplaatst: de uitstoot staat nu op het conto van bijvoorbeeld Chinese fabrieken die spullen maken voor de Europese markt.

Het vlaggenschip van Europa’s klimaatbeleid was het emissiehandelssysteem ETS, een poging om CO2-uitstoot zo te beprijzen dat klimaatvriendelijke investeringen automatisch rendabel worden. Maar het systeem liep een flinke deuk op door de crisis en werd verder ondermijnd door een harde lobby van industriële bedrijven die vrezen voor te hoge kosten. Het is vooralsnog niet gelukt het ETS te repararen. (Voor onze reconstructie, zie groene.nl/ets)


Met dank aan Margreet Fogteloo. Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos


Beeld: (1) Bochum, Duitsland. Bruinkooldagbouw. Op de achtergrond de RWE-kolencentrale Neurath (Dirk Hoppe / Netzhaut / HH). (2) De kerncentrale van Tihange, België. De zonnepanelen rechts leveren energie aan een dichtbij gelegen hotel (Nick Hannes / HH). (3) Groot-Brittannië. Kerncentrale bij Hinkley Point Simon (Simon Dawson / Bloomberg / Getty Images).