Ai Weiwei en zijn visie op China

De zon komt op

Misschien wel het meest beklemmende van de manier waarop Ai Weiwei zijn China kritisch verbeeldt, is hoe bekend het ons voorkomt: dit is het moderne leven.

NOG EVEN en China is niet alleen een economische superpower, maar ook een culturele. Nu al scoort hedendaagse Chinese kunst hoger op de grote kunstveilingen dan schilderijen van Picasso. Analisten schrijven dat toe aan de economische recessie in het Westen, maar een belangrijkere reden zou wel eens het toenemende nationale zelfbewustzijn van China kunnen zijn. Dat drukt zich uit in gespierde kunst en een snel groeiend aantal kapitaalkrachtige Chinese kunstverzamelaars. Iedere natie met ambitie weet immers dat kunst het aanzien van een land in de wereld vergroot en misschien voelen de machthebbers in China intuïtief aan hoe de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog hun militaire overwinning wisten om te zetten in een culturele hegemonie: door de Amerikaanse kunst als het definitieve antwoord op Picasso naar voren te schuiven. Daarbij fors geholpen door een nauw met de CIA in contact staande groep gezaghebbende museumdirecteuren, kunstcritici en grootverzamelaars.
China heeft geen militaire overwinning nodig nu het triomfeert op het terrein waar tegenwoordig de belangrijkste oorlogen worden uitgevochten, het slagveld van de economie. En het land heeft een machtige kaart waarmee het de Amerikaanse culturele almacht wel eens zou kunnen overtroeven: een duizenden jaren oude cultuur. Tal van Chinese kunstenaars refereren nu aan die cultuur en werken ermee. Dat er niet lang geleden een Culturele Revolutie heeft plaatsgevonden die juist die cultuur en iedereen die haar representeerde wilde vernietigen, is hierbij natuurlijk geen positief verhaal. Er is de Partij dan ook veel aan gelegen om dat deel van de ‘glorieuze geschiedenis van het communisme’ uit het collectieve geheugen van de natie en de wereld te wissen. Wat daar enorm bij kan helpen is kunstenaars in China net als kunstenaars in 'het Vrije Westen’ in (betrekkelijke) vrijheid hun werk laten doen. En juist daarom zitten de Chinese apparatsjiks zo met Ai Weiwei in hun maag. Want deze in 1957 geboren kunstenaar heeft zijn wereldfaam te danken aan het ontmaskeren van die tolerante houding als de valse glimlach van een onderdrukker, terwijl hij óók de Chinese cultuur en tradities celebreert.
Hij doet dat met zijn kunst maar evenzeer met zijn dagelijkse blogs, want, zegt hij: 'Kunst en communicatie zijn met elkaar vermengd en onderling afhankelijk.’ Dat geldt zeker als je, zoals Ai Weiwei, kunst ziet als 'een daad van rebellie’ die niet alleen de kunstwereld wil raken, maar vooral sociale en politieke systemen. Dan zijn blogs waarop je in direct contact met tienduizenden mensen misstanden aan de kaak stelt een machtig medium. Ook kunst blijkt zo'n macht te kunnen hebben. De vele protesten uit de kunstwereld en ver daarbuiten tegen de mishandeling en arrestatie van Ai Weiwei in 2011 moeten de Partij duidelijk hebben gemaakt dat repressie binnen het frame van de kunst extreme zichtbaarheid kan krijgen. Vandaar misschien dat Ai Weiwei, in tegenstelling tot duizenden andere Chinese dissidenten, betrekkelijk snel (81 dagen) na zijn arrestatie werd vrijgelaten. Wel staat hij nog steeds onder huisarrest en heeft hij een zwijgplicht.

IN MUSEUM De Pont in Tilburg is nu te zien hoe Ai Weiwei de westerse kunstopvatting inzet om het politieke systeem in China aan te vallen, maar ook om de Chinese cultuur uit het moeras der vergetelheid te trekken. Het kleine portretje waarmee de tentoonstelling begint, markeert het startpunt van zijn enorme en veelzijdige oeuvre. Het bestaat uit een bleke, geglazuurde tegel waar bovenop, gebogen uit het ijzerdraad van een klerenhanger, het profiel ligt van Marcel Duchamp, de kunstenaar met wiens gedachtegoed Ai Weiwei kennismaakte toen hij begin jaren tachtig naar New York was vertrokken. Het idee dat ook gewone, dagelijkse voorwerpen kunst kunnen worden, maakte voor hem de weg vrij om voortaan alles wat hij vond en zag als materiaal te beschouwen waarmee je als kunstenaar een uitspraak kunt doen over de werkelijkheid. Maar wát hij daarover te zeggen had, ontdekte hij pas nadat hij in 1993 naar China was teruggekeerd. Er was wel iets veranderd, zegt hij in een interview, in economisch opzicht was het wat losser geworden, er was wat meer dynamiek, meer schoonheid, maar de Partij was nog altijd dezelfde. Die bepaalt tot op de dag van vandaag hoe de werkelijkheid van de Chinezen eruitziet. Wat Ai Weiwei voortaan met zijn kunst, maar ook met zijn persoon, wilde uitdragen, is dat mensen zélf hun werkelijkheid moeten kunnen maken, in de grootst mogelijke vrijheid.
De video’s en de duizenden teksten en foto’s die hij sinds enkele jaren via het internet de wereld in stuurt, zijn even zovele getuigen van zijn woedende strijd tegen de Chinese dictatuur. Ze klagen een systeem aan dat, zwaaiend met ideologische rafels, mensen ontwortelt, naamloos en tot slaven maakt. Op de video’s in De Pont is te zien hoe de werkelijkheid er dan uitziet. Beijing The Third Ring bijvoorbeeld toont een uur en vijftig minuten lang de ononderbroken verkeersstromen op de derde stadsring, gefilmd vanaf de 55 bruggen over de weg. En bij Chang'an Boulevard is de filmer de 45 kilometer lange weg tussen Oost- en West-Beijing afgereden om bij elke van de 608 keer dat hij stopte een minuut lang de omgeving te filmen. Je wordt niet vrolijk van de zichtbare smog, de benarde huizen, de kleurloze straten. Maar wat misschien wel het meest beklemt is dat het allemaal zo vertrouwd voorkomt: dit is het moderne leven. Natuurlijk, onze leefomgeving hier ziet er een stuk royaler uit, de welvaart is gelijkmatiger verdeeld en de bureaucratie heeft niet tot taak burgers de mond te snoeren en rampen en corruptie te verdoezelen, zoals we zien gebeuren op de video Loa Ma Ti Hua, naar aanleiding van een verwoestende aardbeving. Maar in de kern leven wij in dezelfde wereld. Een wereld die in razend tempo verstedelijkt, leefgemeenschappen vernietigt, het individu ontwortelt en waarin de staat, uit naam van een economische utopie, het leven van mensen in toenemende mate reguleert en controleert. Ai Weiwei richt zijn pijlen dan wel op China, maar hij heeft te lang in de VS geleefd om niet te weten dat het Oosten en het Westen verdraaid veel met elkaar gemeen hebben. Zo bezien is het jammer dat de met glas en licht opgetuigde sculptuur Fountain of Light bij De Pont niet, zoals eerder bij de Tate Gallery in Liverpool, op een onrustige zee kan drijven. Want dat had nog duidelijker gemaakt hoezeer Ai Weiwei’s kitscherige variatie op het beroemde Monument voor de Derde Internationale van de Russische constructivist Wladimir Tatlin een bespotting betekent van het idee dat zo bepalend is geweest voor de twintigste eeuw: het idee dat de wereld maakbaar is. We weten ondertussen wel beter, wat niet wil zeggen dat dit idee is verlaten. Alleen is de belofte die het inhield bijgesteld: 'het aardse paradijs’ betekent nu consumptiemaatschappij.
Ai Weiwei mag sceptisch staan tegenover het revolutionaire gedachtegoed, hij grijpt wel steeds terug op het revolutionaire devies 'vernietigen om te scheppen’. Daar valt iets voor te zeggen. Voor verandering en vernieuwing is nu eenmaal ruimte nodig, en tradities en gevestigde opvattingen zitten daarbij vaak in de weg. Maar het blijft schokkend om te zien hoe rigoureus Ai Weiwei daarbij te werk gaat. Zonder pardon worden tientallen aardewerk potten uit het neolitische tijdperk overgoten met kleurige huishoudverf zodat ze als hedendaags kunstwerk een nieuw leven kunnen leiden. Maar je vraagt je af of het offer niet te groot is. Dezelfde ambivalente gevoelens roept in De Pont een sculptuur op van mooie, ronde houten krukjes uit de Qing-dynastie (1644-1911). Ze zijn met de poten naar buiten aan elkaar vastgenageld tot een stekelige bol, voorgoed ontdaan van hun functie en leeftijd, voorgoed ook de vraag geworden wie beslist wat waardevol is en wat niet, en waarom. Precies om die vraag is het Ai Weiwei begonnen. Wie beslist dat oude wijken met een intensief gemeenschapsleven plaats moeten maken voor onpersoonlijke flatgebouwen? En wie heeft daar het meeste belang bij? Bekende vragen, ook voor ons.
De vernietiging van het oude China die op grote schaal plaatsvindt om ruimte te maken voor de moderne wereld heeft Ai Weiwei ooit gesymboliseerd met het kapotgooien van een vaas uit de Han-dynastie, een actie waarmee hij toen bezoekers uit het Westen verbijsterde. Maar het machtsvertoon van de kunstenaar is niet hetzelfde als dat van de staat. Ai Weiwei’s daad toont wat verloren gaat en houdt tegelijk een belofte in: als kunstenaar zal hij er iets voor in de plaats zetten wat de grootsheid van China opnieuw symboliseert. Hij doet dat met werk dat de kwaliteiten en potenties van het land nadrukkelijk naar voren brengt. Rocks bijvoorbeeld, een porseleinen rotstuin, is net als de Fountain of Light een sterk staaltje van iets wat in het Westen vrijwel is verdwenen: ambachtelijk meesterschap. Indrukwekkend zijn ook het vernuft en de kunde waarmee loodzware brokstukken van duizenden jaren oude bomen op elkaar zijn gestapeld en met elkaar verklonken tot ze opnieuw een boom vormden, oud, maar zo groot en machtig dat ze het dak van het museum lijken te stutten. En dan is er de apotheose, Sunflower Seeds, het werk waarmee Ai Weiwei toen hij het in 2010 voor het eerst toonde in de turbinehal van Tate Modern in Londen wereldberoemd werd. Zestienhonderd arbeiders in de porseleinindustrie hebben een jaar lang op miljoenen porseleinen zonnepitten een paar penseellijntjes gezet om ze echt te laten lijken. Die zonnepitten liggen nu als een kolossaal tapijt in De Pont, als overtuigend bewijs dat in China de zon vol en rond aan het opkomen is.


Ai Weiwei in De Pont, Tilburg, t/m 24 juni