De zondebok

Jorritsma zal niet sneuvelen. Borst zal blijven zitten. De wekenlange openbare verhoren van de Bijlmerenquête zullen geen apotheose beleven. Dat heeft iets onbevredigends. Gaalman, Weck en Wolleswinkel werden bekende Nederlanders. Er werd over ze gesproken alsof ze al jaren sterren waren uit de stal van Endemol. Zonder katharsis krijgt zo'n emotionele investering iets onbevredigends. En geen mooiere ontlading dan het ontslag van een politicus. Toch vind ik het terecht dat de bewindslieden blijven zitten. Geen van de ministers heeft de Tweede Kamer misleid en de enquête heeft vooral aan het licht gebracht dat zaken behoorlijk klungelig zijn onderzocht. Maar op mij had de enquête vreemd genoeg een geruststellende werking. De ondermaatse daadkracht van de politici en de gebrekkige onderlinge afstemming tussen verschillende politieke actoren verdoemt elk volwassen complot bij voorbaat tot mislukken. Een prettige gedachte.

Alleen bij een zeer strenge interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid hebben de paarse ministers nog iets te vrezen. Na de parlementaire enquête over de bouwsubsidies in 1986 verdedigde Bolkestein zo'n strenge interpretatie. Hij vond dat ministers onmiddellijk consequenties moesten trekken uit falend beleid, ook als hen persoonlijk geen blaam treft. De VVD heeft de Bolkestein-doctrine nooit in de praktijk gebracht en de andere partijen evenmin. Sterker nog, Ed. van Thijn laat in De sorry-democratie zien dat in een aantal affaires in het eerste paarse kabinet, in tegenstelling tot bij de afhandeling van de Bijlmerramp, wel sprake is geweest van het misleiden van de Kamer. Zo werd in het ambtsbericht over Iran van juni 1997 volgehouden dat teruggestuurde asielzoekers werden gevolgd door personeel van de Nederlandse ambassade, terwijl die monitoring al in december 1996 was afgeschaft. Toch mocht de verantwoordelijke staatssecretaris Schmitz blijven zitten. Ook Voorhoeve is niet tot aftreden gedwongen na Srebrenica. Terwijl wat daar is misgegaan veel ernstiger is dan de afhandeling van de Bijlmerramp. Van Thijn beschrijft dat telkens een plichtmatig excuus voldoende is om het vege lijf te redden. De bewindslieden hoeven alleen voor hun huid te vrezen als niet hun ambtenaren maar zij zelf verwijtbare fouten hebben gemaakt. Van Thijn keert zich fel tegen deze uitholling van de ministeriële verantwoordelijkheid. Hij wil terug naar Bolkestein. In de Volkskrant heeft de jurist Koopman terecht betoogd dat het bij ministeriële verantwoordelijkheid niet zozeer gaat om de fouten van de minister maar om het falen van de ambtenaren of de diensten waar hij chef van is. Dit heeft echter consequenties die haaks staan op de alledaagse intuïtie. Voor de missers van de RLD is dan namelijk niet orritsma maar Netelenbos aansprakelijk. Als de fouten bij de Bijlmerramp ernstiger waren geweest had Netelenbos dus het veld moeten ruimen. Dat klinkt vreselijk onrechtvaardig. En dat is het ook. Het is voor de betrokken politicus pech, maar geen domme pech. Ministeriële verantwoordelijkheid is immers een middel om de bureuacratie te treffen. Zo'n strenge interpretatie zou een stimulans zijn voor bewindslieden om direct na hun aantreden oude lijken in de kast op te ruimen. Zo kan de dreiging van een onterecht offer een reinigende werking hebben binnen de bureaucratie. Ministeriële verantwoordelijkheid is in feite het enige mechanisme waarbij het aanwijzen van een zondebok gezond is.