De zonnewind van het leven

Mircea Cartarescu, De trofee, € 29,90
Mircea Cartarescu, De trofee, € 19,95 (e-book)

Mircea groeit op als enig kind bij zijn ouders in een flat met uitzicht over Boekarest. Omdat hij te huilerig is om naar de crèche te gaan, neemt zijn moeder thuiswerk aan. Het kind zit onder het weefgetouw en kijkt op naar zijn moeder, die zich in het zweet werkt aan haar ‘Perzische’ tapijten: ‘Terwijl het water als een grondwater­spiegel over haar glimmende naakte lijf gutste, werkte mijn moeder, haar lusteloze haar opgestoken in een knot op haar kruin, met wanstaltige plukken rossig haar onder haar oksels, aan het meest wonderbaarlijke tapijt op aarde, wonderbaarlijk omdat het de wereld zelf was en meer dan dat, want het was een samenbundeling van universums, schilderij van alle schilderijen en icoon van alle iconen ter wereld.’

Het wordt een driedimensionaal tapijt, waar Mircea en zijn moeder in verdwalen, een wereld vol landschappen, ruïnes, tempels en gewelven, ‘het oneindige tapijt van de illusie’. Haar tapijten wekken de achterdocht en woede van de Securitate op, de geheime dienst van Ceausescu. In rechthoeken geknipt en in plakjes gesneden wordt het tapijt ‘een manuscript, beduimelde en door de tand des tijds vergeelde vellen papier’, de hoge stapel papier die de bron vormt van Mircea Cartarescu’s onwaarschijnlijke literaire oeuvre.

De trofee van de Roemeense schrijver Mircea Cartarescu (1956) speelt zich voor het grootste deel af in Boekarest, maar tegelijk in een imaginaire wereld. In een doolhof van door elkaar buitelende verhalen, het ene nog zintuiglijker opgeschreven dan het andere, worden figuren tot leven gewekt als Mircea’s overgrootvader, Maria die iedere ochtend in een vlinder verandert, en buurman Herman, een mythische figuur die verliefd is op een vrouw die geboren werd met een spin als hart, en die bij iedere avondval met huis en al naar het uitspansel vliegt. De schrijver zelf noemt zijn boek ‘onleesbaar’ en ‘een embryo in de naargeestige baarmoeder van mijn hersenpan’. Op de terugkerende motieven inclusief literaire allusies in dit boek, zoals de vlinder, de lift, goud, de knikker, de hersenpan, het oog, insecten en de tweelingbroer, kunnen Europese literatuurstudenten nog vele jaren kluiven. Het boek zit vol symbolische spiegelingen, natuurwetenschappelijke weetjes en bovennatuurlijke ervaringen van de hoofdpersonen: Mircea, zijn familie, buren en vrienden in de flat in Boekarest.

De laatste hoofdstukken spelen zich in Nederland af (wat vast te maken heeft met Cartarescu’s verblijf van 1994 tot 1996 als docent Roemeense taal- en letterkunde in Amsterdam): ‘Nederlander zijn betekende dat je je hele leven doorbracht in een genreschilderij (…) een aaneenschakeling van met groenig ijs bedekte vaarten en meren, wemelend van de schaatsers met rode broek en gele overjassen, rondjes draaiend en met hun handen op hun rug over het dikke glas zwierend op houten schaatsen die ze met grove leren riempjes onder hun schoenen hadden gebonden.’

Tot Mircea in Nederland belandt, ben je bereid zíjn versie van Roemenië aan te nemen als een fantastisch, maar ook getrouw beeld van zijn jeugd in een krankzinnig land, ‘het verpletterende bouwsel van mijn leven’. Door zijn vervormde beeld van Nederland dringt het inzicht door dat álles in Cartarescu’s papieren wereld gemythologiseerd en tot beeld gemaakt is. Alsof hij Nederland zag door de bril van schilders als Pieter Bruegel en Jeroen Bosch. Het Nederlandse personage, Mircea’s vriend Maarten, daalt af in een holle boom en maakt een Alice in Wonderland-_achtige ervaring mee. Daarna komt hij terecht op een gezonken schip, en wordt de reis steeds turbulenter, tot hij rechtstreeks op de Ondergang lijkt af te stevenen, en een reis aanvangt die aan een driedubbele ­Pirates of the Carribean_ doet denken.

De schrijver maalt niet om realiteit of waarschijnlijkheid, zijn boek gaat over ‘de zonnewind van mijn leven’, tot in alle details, en tegelijk over het Alles. Hij beschrijft het leven als een ijldroom, als een epileptische aanval. In een voor zijn doen piepkleine alinea, alsof het een noot bij het verhaal is, schrijft Cartarescu dat Mircea epileptisch is; een beproefd recept, zeker in de Russische en Midden-Europese literaire traditie, voor geestverruimende ervaringen. Mircea krijgt een aanval en wordt als ‘sociale parasiet’ door de Securitate opgesloten in een psychiatrische inrichting. Als kind was hij ook al twee jaar in een sanatorium, vanwege tbc. Misschien is het daar dat de koorts van de geestelijke vrijheid voorgoed toesloeg.

Cartarescu beweegt zich door zijn meer­dimensionale doolhof van het allergrootste, het uitspansel, naar het allerkleinste: hij daalt af in het lichaam en ervaart daar eenzelfde soort ordening als in het allergrootste. De ik-persoon reist letterlijk door zijn lichaam. En niet alleen hijzelf, maar de hele wereld bevindt zich in één grote metamorfose. Iedere ruimte of straat waar Mircea of zijn buurman Herman doorheen loopt, elk huis dat betreden wordt, kan zich halverwege afwenden van de realiteit en uitdijen tot een eigen wereld, waarin dagenlang, jarenlang rondgedoold kan worden. Om iedere hoek ligt weer een ander gangenstelsel, in andere kleuren en materialen. Goud, kristal: de materialen waar deze wereld van gemaakt zijn hebben een hoog droomgehalte. ‘De principes van de geest zijn immers te ingewikkeld om door de geest te kunnen worden begrepen’, rekent Cartarescu in één pennenstreek af met het rationalisme.

Dit boek is een mystiek boek in een literaire vorm. Mircea raakt betrokken bij de gnostische groepering ‘De Wetenden’, die in Amsterdam vooral bestaat uit de levende standbeelden die de binnenstad in het toeristenseizoen bevolken. De extase zoekende en zelfcastrerende sekte heeft een mystieke kennis verzameld waarbij ‘de Tao en de Veda’s en afgoden en religies en drugs en poëzie niets dan sneue en profane surrogaten zijn’.

In visioenen en hallucinaties vertrekt de hoofdpersoon naar andere werelden; zo bezoekt hij samen met een Indiase yogi de hemelen, beschrijft uitgebreid de figuren en voorstellingen die hij tegenkomt, om ten slotte God te zien.

Voor de vertaler Jan Willem Bos moet dit boek een grote opgave zijn geweest, die hij erg goed heeft volbracht. Alleen al de woordkeuze – tal van woorden in het Nederlands die zeker niet in het woordenboek Roemeens-Nederlands en zelfs niet in de Van Dale Nederlands staan. Er klinkt allerlei andere literatuur door: Salman Rushdie, maar ook Dante, en bijbelboeken. Het visioen van Ezechiël, uit het Oude Testament, komt ook in taal nog wel het dichtst bij.

Alleen onduidelijk is waarom dit boek in de Nederlandse vertaling De trofee heet. Het is het tweede deel van het drieluik De wetenden. In het Roemeens heet het drieluik Orbitor, dat ‘(oog)verblindend’ betekent. Deel 1 heet Linkervleugel, deel 2 Lichaam en deel 3 Rechtervleugel: denk aan een vlinder, een van de belangrijkste motieven in dit boek. Daarbij staat ook nog eens de linkervleugel voor het verleden en de rechter voor de toekomst; in deel 3, dat in 2007 in Roemenië verscheen, wordt de Apocalyps beschreven. De vleugels spiegelen zich in elkaar, zoals het Oude en het Nieuwe Testament dat doen door de Profetieën. Dat Jezus als Lichaam tussen de twee testamenten in leefde is niet toevallig, zoals in Cartarescu’s universum niets toevallig is.

Orbitor wordt vertaald in vele talen en overal in Europa onthaald als een meesterwerk. Opmerkelijk, voor zo’n van mystiek door­desemde en in feite religieuze roman. Het zal alles te maken hebben met Cartarescu’s ingenieuze vertelkracht en stilistische virtuositeit.