A.F.TH. van der Heijden, Tonio: een requiemroman

De zoon is boek geworden

Tonio is niet het eerste requiem dat A.F.Th. van der Heijden schreef, maar misschien wel het indringendste. Toch heeft de roman iets obsceens.

De drie typemachines, de mappen met aantekeningen, de plattegronden van diverse plaatsen die een rol in het verhaal spelen, het fotokopieerapparaat: het stond en lag allemaal klaar in de werkkamer van A.F.Th. van der Heijden voor de volgende roman. Mórgen zou hij met een straf werkschema beginnen dat hem zou verzekeren van een productie van tien bladzijden per dag. Alleen dat morgen brak nooit aan, want vandaag ging in alle vroegte de bel en stonden er twee agenten op de stoep met de ergst denkbare tijding. Zoon Tonio, 21 jaar oud, was in de vroege ochtend na het uitgaan aangereden op de Stadhouderskade en lag in kritieke toestand in het AMC. Vanaf dit moment is alles anders, nietig, zinloos, chaos. Had iemand hem vóór die 23ste mei 2010, Eerste Pinksterdag, gevraagd of hij door zou schrijven mocht zijn vrouw of zoon hem ontvallen, dan had hij gezegd: natuurlijk niet. De praktijk leert dat zo gauw hij de onheilstijding aangezegd krijgt hij in gedachten al begint met een requiem voor zijn zoon. Hij, schrijver, kan niet anders. Zijn schrijven over Tonio is boetedoening, plicht, inlossing van schuld, biecht, strohalm, toevlucht, alles tegelijk. En het moet soelaas bieden: ‘Dit requiem dient geen ander doel dan hem op te sporen en terug te vinden.’ En dus ligt hier nu, precies een jaar na het ongeluk, Tonio, ruim zeshonderd bladzijden dik.

Medium heijden 2ctoniovd19960615 011

Op het omslag een vervreemdend portret, van Tonio poserend als Oscar Wilde. Het is hem maar het is hem ook helemaal niet. Je kunt niet zien hoe hij er 'echt’ uitzag, in zijn eigen kleren, met zijn eigen kapsel, zijn eigen oogopslag. Uit het boek rijst het beeld op van een lieve, zachte jongen met wie alles nog moest gebeuren. Die een paar opleidingen, onder meer voor fotograaf, had afgebroken maar nu net een nieuwe richting was ingeslagen, of daarnaar op weg was. Die sinds enige tijd zelfstandig woonde, samen met een jeugdvriend, en vaak op zondag bij zijn ouders binnen kwam zeilen, brak van de avond ervoor. Die niet wilde dat zijn ouders wisten dat hij rookte, en bang was dat zijn vader hem verdacht van gebrek aan ambitie. Tonio heeft de goeiigheid en aaibaarheid van een panda, sprak zijn mentor bij de diploma-uitreiking van de middelbare school. Maar was daarmee ook weerloos en kwetsbaar, 'liet over zich lopen’. Ondertussen blikt hij je dus met een geleende stoïcijnse blik aan vanaf de voorkant. In het boek verklaart zijn vader dat ze deze foto onmiddellijk kozen, ook om onder vrienden te verspreiden bij zijn doodsbericht, omdat die hem 'in het centrum van zijn hartstocht, de fotografie’ liet zien, als portretteur en als geportretteerde. Zelfs zal hij op deze manier vereeuwigd worden op zijn grafsteen.

Obsceen. Het is een woord dat een keer of tien terugkomt in deze roman, maar dat vaker op de loer ligt. Als Van der Heijden zijn zoon in het ziekenhuis aan de beademing ziet liggen, niet vechtend voor zijn leven maar stervende, denkt hij terug aan 'de obscene voorstelling’ die hij zich vroeger van dit ergst denkbare maakte. Om nu nuchter, maar niet minder obsceen te constateren: 'Hij kon het, hij deed het, hij stierf.’ En wij kijken met hem mee, naar het gezicht van een jongen dat langzaam uit de menselijke plooi schiet, wiens linkerooglid naar boven kruipt en bij wie de tong, 'obsceen zwellend’, uit de mond komt zetten. En dan moet de waarheid nog almaar 'dieper en obscener’ tot zijn vrouw Mirjam Rotenstreich en hem doordringen: dat ze hem kwijt zijn.

Tonio is vanwege de verpletterende werkelijkheid achter de roman moeilijk te verteren. Als lezer zit je in de rol van ramptoerist, voyeur, die meer te zien krijgt dan hem lief is. Het voelt banaal om in dit verband over de schrijfkwaliteiten van A.F.Th. van der Heijden te beginnen, maar het is wél natuurlijk mede daaraan te danken dat de rouw en de ellende schrijnend voelbaar worden. En dat het is alsof je het huis aan de Johannes Verhulststraat van binnenuit kent: de snerpende bel, de foto’s van Tonio in de hal, het prieeltje in de tuin waaronder hij voor het laatst zat met een meisje van wie hij foto’s nam, de door hem volgestouwde ijskast in het souterrain, de hoekbank waarop hij zich het liefst achterover liet vallen met een van de twee Noorse boskatten. En dan na zijn dood: het tafeltje op het balkon waar zijn ouders zich in de warme zomer avond aan avond neerzetten om zich de verdoving in te drinken. Gin-tonic, wodka-jus. Morgen stoppen we met drinken, maar nu nog even niet. De schrijfmachine dendert voort, en legt het allemaal vast, genadeloos en immer uitdijend.

Als er geen andere uitweg is, neem ik mijn toevlucht tot de literatuur, schrijft Van der Heijden. Ook zijn zoon, bij leven altijd met een 'licht spottende lach’ vragend of hij al aan de tien bladzijden per dag zat, moet er wat dat betreft aan geloven: hij wordt het literaire universum van zijn vader binnengezogen. Zijn geboorte, zijn leven, zijn dood: met terugwerkende kracht was het er allemaal om zijn vader aan het schrijven te krijgen en te houden. 'Tonio was een van de voornaamste redenen om te schrijven, al vele jaren voor zijn geboorte, omdat ik meer dan een vermoeden van hem had. Ik wist dat hij zou komen, en wat hij voor me zou betekenen, en ik bereidde me terdege op zijn komst voor.’

Deel van deze mythologisering is dat de eerdere requiems die hij schreef, onder andere over zijn vader, allemaal 'vingeroefeningen’ waren voor dit ultieme requiem. Misschien is het een typische schrijvershyperbool, een behoefte aan groot, groter, grootst, maar dergelijke passages plaatsen deze roman in een overtreffend naargeestig licht. 'Mijn muze is me ontvallen.’

Wat de vader bij leven allemaal niet deed - het beloofde boekje van zijn leven maken voor zijn achttiende verjaardag, de kattenluikjes dichtdoen in nieuwjaarsnacht opdat de poezen buiten geen hartaanval zouden krijgen, het huis in de Baarsjes bekijken waar hij samen met vriend Jim woonde - moet nu in een literaire queeste overtroffen worden. Van dichter Menno Wigman krijgt Van der Heijden ter troost het gedicht toegestuurd dat Ben Jonson schreef toen zijn zoon overleed, op zevenjarige leeftijd, waarin hij de overledene gelijkstelt aan zijn sterkste staaltje poëzie. 'Hier ligt mijn beste stuk proza’, schrijft hij dan. 'Zou ik dat ooit van Tonio durven zeggen? Nee, maar ik kon wel proberen hem in proza levend te houden. Niet zodanig dat mensen zouden zeggen: zijn beste proza… Maar dat ik ze, in wat voor stijl dan ook, een Tonio van vlees en bloed zou leveren.’

Dat vlees en bloed gaat nog het meest leven in de herinneringen aan de kleine Tonio, verzaligd lurkend aan zijn flesje warme chocomel, 'in het randje en niet te heet’. De volwassen Tonio maakte weliswaar deel uit van 'het ideale driemanschap’, maar leek daarin ook de lichtelijk gesmoorde partij, telkens door zijn ouders voorzien van dure gadgets die zijn leven gezwinder zouden moeten laten verlopen, maar nog helemaal op het punt van ontbotting. Zijn jongensgestalte komt vooral pijnlijk tot leven in de primaire wanhoopskreten van zijn moeder - het doet zo'n pijn, ik mis hem zo, hoe kan het nou - en haar verlangen naar zijn vuile was, het gemis van de geur van zijn jongenszweet. De wijze waarop Van der Heijden het verdriet van zijn vrouw evoceert, het brullende moederdier, gaat door merg en been. En dan moet het ergste nog komen: dat zijn dood in volle omvang tot hen doordringt.

In zoverre Tonio een roman wil zijn, inclusief de speurtocht naar een 'missing link’ in de persoon van het meisje op wie Tonio misschien wel verliefd was en een uitgestelde apotheose, waarvoor Van der Heijden de hele literaire fanfare uit de kast trekt, treft mij, en ik zeg dit met de uiterste prudentie, het boek als iets obsceens. Alsof de dood van de zoon toch nog een hoger doel heeft gediend. Net zoals ik het obsceen vind om de schrijver nu te feliciteren met zijn onmiskenbare 'tovenaarschap’ (Arjan Peters in de Volkskrant), 'de vele dwarsverbanden en verwijzingen’ (Arjen Fortuin in NRC Handelsblad) en het feit dat rouw 'het beste in zijn schrijverschap’ naar boven haalt (Rob Schouten, Trouw).

Wat niet wegneemt dat de genadeloze zelfinzichten en schaamtevolle visioenen in deze 'roman’ een verpletterende indruk maken. Net als je je afvraagt of dat wel mag, zoveel intimiteit van iemand prijsgeven die zich zelf niet meer kan beschermen, beseft ook de schrijver dat hij bezig is met een 'ongeautoriseerd requiem’. 'Ben ik me er voldoende van bewust dat Tonio’s visie op sommige gebeurtenissen anders is geweest dan de mijne nu? Zou hij sommige feiten niet liever helemaal onvermeld hebben gezien?’ Intussen lijkt Tonio voorgoed geannexeerd en moet hij voortaan in deze gestolde vorm, als de muze van zijn vader, door het leven gaan.

Het pijnlijkste is en blijft dat Tonio niet 'af’ was, en dat zijn ouders nog midden in hun droom van zijn zelfverwerkelijking zaten. Hij werd 'volwassener’, 'zelfverzekerder’, zo constateren ze iedere keer als ze hem net hebben gezien. Op zijn zwartste momenten vraagt zijn vader zich af of hij niet toch een ongelukkig, eenzaam leven tegemoet zou gaan. Problemen met vrouwen. Onmatig met drank. Een lelijke dood. Nu klampen ze zich vast aan de gedachte dat hij op het laatst misschien wel verliefd was. En dat er iemand verliefd op hém was. Alles beter dan dat hij alleen maar dronken en suf op de fiets zat, en vergat goed uit te kijken. De pagina’s waarop Van der Heijden met een liefdevolle, bezorgde blik Tonio op zijn laatste fietstocht gadeslaat ('Ik hoor je lach over het stille kruispunt klinken, maar ik kan niet verstaan wat je zegt…’), en zijn onmachtige pogingen hem alsnog te behoeden voor die lelijke dood, behoren tot het mooiste wat iemand kan schrijven. Het is obsceen, maar waar.