De zorg voor de ander (I)

Mensen van wie ooit werd gedacht dat ze niet in Nederland zouden blijven maken nu een belangrijk onderdeel uit van de vergrijzing. Hizir Cengiz spreekt mensen die zich bezighouden met de zorg voor ‘de ander’. Vandaag Warda el Jari, directeur zorg en welzijn bij Zorgcentrum RaYan.

Zowel in Huizen als Amersfoort staat een islamitische zorghuis van Zorgcentrum RaYan. Warda el Jari is er verpleegkundige en directeur zorg en welzijn. Ze spreekt de bewoners aan met amca, teyze, gerri of xetsji; Turks en Berbers voor oom en tante. De bewoners zijn van een diverse pluimage. Niet allen zijn ze op leeftijd, maar wel zijn ze stuk voor stuk hulpbehoevend. Sommigen hebben een lichamelijke en anderen een geestelijke beperking; een aantal is dement. Hun geschiedenissen lijken op elkaar: ze lieten hun vaderland achter, kwamen van verre oorden naar Holland. Op één bewoner na, een oer-Hollandse heer die eigenlijk tijdelijk bij RaYan zou verblijven, maar nu niet meer weggaat, omdat hij heerlijk vertoeft tussen de rest.

Het zijn mensen waarvan werd verwacht dat ze niet lang zouden blijven plakken in Nederland, laat staan dat ze hier hun laatste dagen zouden doorbrengen in een zorginstelling. Het Centraal Bureau voor de Statistiek spreekt van ‘kleurrijke vergrijzing’. Daar waar er in 1990 298 duizend 55-plussers met een migratieachtergrond waren, zijn dat er nu 875 duizend. Naar verwachting zullen er in 2050 in Nederland 1,81 miljoen 55-plussers met een migratieachtergrond zijn. Vandaar dat de laatste jaren het aantal zorghuizen dat zich richt op culturele gemeenschappen groeit. Er is behoefte aan ouderenzorg toegespitst op culturele of religieuze identiteiten, vertelt El Jari. 

De bewoners van RaYan hebben vaak andere normen, waarden en gebruiken dan niet-islamitische ouderen, zegt El Jari. Een voorbeeld, banaal maar toch van groot belang: veel bewoners eten al hun hele leven sommige gerechten met hun handen, dus worden ze bij RaYan niet gedwongen om gebruik te maken van bestek. 

Het religieuze aan Zorgcentrum RaYan zit in de dingen van alledag, legt El Jari uit. Zo wonen in Huizen bijvoorbeeld alleen mannen. In Amersfoort is de scheiding minder strikt – al kiezen veel mannen ervoor om de dag grotendeels in hun uppie door te brengen op hun kamer. De bewoners kunnen hun dagelijkse gebeden verrichten, eventueel zelfs samen met de verzorgers. Meermaals galmt de gebedsoproep door het huis; soms een lied. 

Het is hun geloof in God dat de bewoners er het afgelopen jaar doorheen sleepte. Die overtuiging is diepgeworteld. Zelfs als El Jari of een van haar collega’s een koranvers reciteert, doen ook sommige ouderen met vergevorderde dementie mee, uit het hoofd. De koran is verankerd in hun wezen. Hun toekomst, zoals ze eigenlijk altijd al hebben gedaan, legden de bewoners in Gods hand. Wat het lot ook bracht, besmetting of niet, ze zouden er vrede mee hebben, want het is Zijn keus. 

Door de coronacrisis kwamen hun uitjes stil te liggen: ze konden niet naar de dierentuin, de markt, geen high tea houden, de mannen konden niet meer gezamenlijk naar het vrijdaggebed en familieleden die op bezoek kwamen, kookten niet meer voor alle bewoners. Het zorgcentrum besloot vroegtijdig, een week eerder dan de rest van het land, om in lockdown te gaan. 

De bewoners zijn allang gewend aan de maatregelen en ingepakte zorgmedewerkers – behalve de demente ouderen. Een van hen, vertelt El Jari, attendeert alle medewerkers en bezoekers erop: ‘mask, mask, mask,’ schreeuwt de vrouw dan.

Aanvankelijk deed de crisis de meeste van de bewoners gek genoeg goed. Er was meer rust op de groepen, zegt El Jari. Vooral de eerste maanden, want er was geen dagelijkse inloop van familieleden meer. En daarom is er ook meer tijd voor een-op-eengesprekken. Vooral over kinderen, kleinkinderen en koetjes en kalfjes. 

Over dat laatste maakt El Jari zich zorgen: de meeste bewoners spreken niet makkelijk over hun zielenroerselen, wat hen dwarszit, waar zij in hun jeugd of als volwassene mee hebben geworsteld en gewoon hebben moeten slikken. Je moet het uit hen schudden, zegt El Jari. Onderwerpen als seksualiteit, depressie, eenzaamheid en het hebben van verdriet an sich zijn voor hen nog altijd taboes – een beeld dat ook uit veel onderzoeken naar voren komt. Toch merkt El Jari dat als ze het er met hen over heeft gehad, het uit hen heeft geschud, het de bewoners oplucht. 

En niet alleen voor hen; ook voor sommige families zijn het onderwerpen waarover niet of nauwelijks wordt gesproken. ‘Suikerziekte wordt in je bloed geconstateerd, een depressie of andere hersenziekte niet, dus daar is minder acceptatie voor’, aldus El Jari. Maar het is nog complexer: bij een intake worden er aan potentiële bewoners geen vragen gesteld over seksualiteit, uit schaamte en respect. 

Maar sommige bewoners worstelen flink met eenzaamheid en depressie, ziet El Jari. De bewoners hebben behoefte aan meer dan God. Aan gesprekken met een psycholoog, bijvoorbeeld. Ook hier noemt ze een pijnpunt: de moedertaal van de meeste bewoners is niet Nederlands. Ze hebben deze taal in de paar decennia nooit eigen kunnen maken, ze beheersen de taal vaak gebrekkig of helemaal niet en dat heeft grote gevolgen.

‘Een gezondheidspsycholoog kan wel een diagnose stellen, maar door de grote taalbarrière worden oudere migranten, ook onze ouderen, niet behandeld’, vertelt El Jari. Er is volgens haar dus een groot gebrek aan psychologen die de taal van migrantenouderen spreken. De ouderen hebben recht op goede zorg, daar hoort ook een psycholoog bij die hun taal spreekt. 

Oudere migranten worstelen met mentale problematiek, wij allen moeten daar meer oog voor hebben, ook de families zelf. En tegen jongeren die wel bijvoorbeeld Turks, Arabisch of Berbers machtig zijn, wil El Jari zeggen: overweeg alsjeblieft psycholoog te worden.