De zorg voor de ander (II)

Mensen van wie ooit werd gedacht dat ze niet in Nederland zouden blijven maken nu een belangrijk onderdeel uit van de vergrijzing. Hizir Cengiz spreekt mensen die zich bezighouden met de zorg voor ‘de ander’. Vandaag Fatoş Ipek-Demir, oprichter van stichting OMAZ.

© Marion Duimel

Tientallen keren luidde Fatoş Ipek-Demir (1970) in de media de noodklok: de zorg moet meer aandacht hebben voor de gebruiken, gewoonten en überhaupt de wensen van migrantenouderen. Door haar optredens werd ze een van de gezichten van de mantelzorg en de zorg voor migrantenouderen. Ook is ze oprichter van stichting OMAZ, waarmee ze de zorgen van migrantenouderen bij beleidsmakers laat horen.

Haar eigen vader Mehmet (1936) – ‘was ijzersterk én stronteigenwijs’ – woont in een verpleeghuis, ergens in Den Haag op zevenhoog. Ipek-Demir schrijft op haar Facebook-pagina ‘Dagboek van een mantelzorger’ met regelmaat over de bezoekjes die ze aan haar vader brengt. Hij heeft sinds 2010 Alzheimer en zit inmiddels in een vergevorderd stadium. 

Eerst werd hij steeds warriger, ook in zijn taal. Als hij begon met praten stopte hij middenin een zin. Het Nederlands dat hij had geleerd raakte hij kwijt, veel sneller dan het Turks. Zijn verzorgers probeerden met hem te communiceren met plaatjes, maar dat mislukte. Op den duur kon hij Ipek-Demir ook niet meer bij haar koosnaampje noemen: ‘cadi’ (Turks voor ‘heksje’). En waar voorheen haar vader nog kon opspringen als ze haar zag en later slechts kon glimlachen, herkent hij haar nu niet meer. 

Dat de familie Demir ervoor koos haar vader in een verzorgingshuis te laten wonen is moedig. Het is een taboe: volgens veel Turkse-Nederlanders getuigt het van een groot gebrek aan dankbaarheid om de zorg van je ouders niet op eigen schouders te nemen, legt ze uit. Soms scheurt een gezin dat ervoor kiest om de zorg van de moeder of vader over te dragen aan een instelling zelfs uit elkaar; Ipek-Demir kent de verhalen. 

© Marion Duimel

Een Haags verzorgingshuis startte met een afdeling voor Turks-Nederlandse ouderen. Ook Ipek-Demirs vader woonde er een tijdje. Maar het project stopte omdat er te weinig ouderen waren die gebruikmaakten van de voorziening.

De aanblik van haar vader roept elke keer weer vragen bij haar op. Bijvoorbeeld: Waarom spreken veel migranten nog altijd niet over hoe ouder te worden in Nederland? 

Ze vroeg het een keer aan een moskeebestuurder. Zijn moskee organiseerde bijeenkomsten over pensioenen en remigreren, maar niet over hoe oud te worden. ‘Onder veel migranten leeft de gedachte dat wie oud is, lekker mag rusten. Maar Nederlandse ouderen zijn nog vitaal, die ondernemen, gaan naar musea en sporten. Onze ouderen zijn echt op, als ze al oud worden. Maar ze hoeven niet weg te kwijnen, ze kunnen nog meedoen.’

In de verhalen van Ipek-Demir is er vooral oog voor anderen zoals haar vader. Misschien is dat typerend voor mantelzorgers. 

‘De zorg in Nederland is überhaupt schraal’, vindt Ipek-Demir. Nederlandse zorg kent weliswaar ‘insanlik’ (menselijkheid), zegt ze, maar er is een gebrek aan echte aandacht en tijd. Zo treft ze haar vader tijdens haar bezoekjes aan hem soms in vieze kleren aan; hij is incontinent. ‘Ouderenzorg is slechts basiszorg’, aldus Ipek-Demir. ‘Waarom wordt er geen maatwerk geleverd? Dat is een recht dat mijn vader, en alle andere ouderen, hebben.’

Bovendien moet volgens haar de zorg cultuursensitiever. De verzorgers doen hun best, daarvan is Ipek-Demir overtuigd. Maar toch zijn er kleine momenten waarop het pijnlijk misgaat. Die keer dat de huisarts vroeg naar het seksleven van haar moeder, waar Ipek-Demir bij zat. Of als haar vader weer eens varkensvlees in zijn gerechten krijgt. Of als er louter Nederlandse kinderliedjes, die haar vader niet herinneren aan zijn eigen kindertijd, worden afgespeeld in het verzorgingshuis. Maar überhaupt is er een gebrek aan begrip, vindt Ipek-Demir: ‘Ik kreeg met de paplepel mee dat vooral ik, als enige dochter uit het gezin, moet zorgen voor mijn vader. Verzorgers begrijpen niet dat ik betrokken wil worden. Het wordt gezien als lastig en een bemoeienis. Terwijl we het samen zouden moeten doen.’

Al haar inspanningen ten spijt: vlot gaat het niet. ‘Ouderenzorg kent ons, de migranten, bijna niet’, zegt ze. Migrantenzorg staat op de agenda, maar verder dan erover praten in vergaderingen en tijdens congressen en er trainingen over geven, komt het binnen bestaande huizen niet, aldus Ipek-Demir. Het gevolg: ‘Ondernemers met een migratieachtergrond springen nu in dat gat, waardoor steeds meer zorghuizen voor alleen bepaalde etnische groepen komen.’

Ook in politiek beleid is er te weinig aandacht voor migrantenouderen. Onlangs werd ze nog gebeld door een wethouder. In het nieuwe beleidsplan tegen eenzaamheid werden migrantenouderen niet één maal genoemd. Na zoveel decennia in Nederland zijn ze nog steeds spookouderen. ‘Echt, het wordt tijd voor een inclusievere blik op de zorg’, vindt Ipek-Demir.

‘Dit is een emancipatieproces’, aldus Ipek-Demir, ‘maar het is wel vijf voor twaalf’. Ze pleit voor meer diversiteit in besturen van zorginstellingen. Dat is volgens haar de volgende, maar broodnodige stap. Maar bovenal pleit Ipek-Demir ervoor om elkaar met een meer open houding te benaderen en elkaar de ruimte te geven om het niet te weten, zodat men elkaar vragen stelt.