De zorg voor de ander (III)

Mensen van wie ooit werd gedacht dat ze niet in Nederland zouden blijven maken nu een belangrijk onderdeel uit van de vergrijzing. Hizir Cengiz spreekt mensen die zich bezighouden met de zorg voor ‘de ander’. Vandaag: Nermin Altintas.

Nermin Altintas ziet hoe in haar omgeving de vrouwen, vooral de vrouwen, uit migrantengemeenschappen op hun tenen lopen. Altintas is directeur van Stichting Yasmin, een ‘participatiecentrum voor vrouwen’. Ze lopen op hun tenen uit angst voor ‘het roddelcircuit’, zegt ze. De vrouwen dragen de zorg voor hun zieke partner of demente moeder of vader, terwijl ze er zelf bijna bij neervallen. ‘Ze zijn kapot’, aldus Altintas. Zo is ziekte altijd besmettelijk. Haar moeder, die ‘eenvoudig Nederlands spreekt’, droeg grotendeels de zorg voor Altintas’ vader, waardoor ze van een vitale vrouw iemand werd met gezondheidsklachten.

Haar vader had Parkinson en werd dement. Je belandt als gezin langzamerhand in een donkere tunnel, zegt Altintas. Hij kwam in 1969 vanuit Ankara naar Nederland. Op zijn vijfenvijftigste werd hij gediagnosticeerd met Parkinson. Voordat het in snelvaart bergafwaarts ging, werkte hij in de metaalindustrie, tot zijn tweeënzestigste. Hij was een boekenwurm, volgde het nieuws op de voet en was actief in een Turkse organisatie in Hengelo, waar het gezin woonde. ‘Maar dat was ook zijn beperking: behalve op de werkvloer was hij omringd door vooral Turkse Nederlanders, waarmee hij alleen Turks sprak.’

Altintas’ vader werd uiteindelijk erg agressief, onder andere door hallucinaties. Haar moeder begreep niet dat ze met hem moest meegaan in die wanen, in plaats van te ontkennen wat vader zou zien, zegt Altintas, want door het te ontkennen namen de spanningen in het gezin alleen maar toe. Maar dat had moeder niet begrepen. ‘De trainingen en informatie over Parkinson en dementie waren namelijk vooral in het Nederlands en ook nog eens vol met medische termen. Met haar beetje Nederlands kon mijn moeder het allemaal niet volgen’, legt Altintas uit.

Het was Altintas die, samen met haar broertje en zus, informatie over Parkinson en dementie voor haar moeder vergaarde en vertaalde, vertelt ze. En daar waar haar ouders nauwelijks Nederlands spraken, geeft Altintas nu met haar stichting andere vrouwen onder andere taalles. Ze weet dat taal van levensbelang is. Haar visie: wie hoger op de ladder belandt, de touwtjes in handen krijgt, een hogere positie, meer begrijpt, iets wél kan, moet anderen omhoog tillen.

Zelfs toen het echt niet meer ging, heeft Altintas’ moeder nog een kleine drie jaar voor vader gezorgd. Uiteindelijk werd hij gedwongen opgenomen. Tweeënhalf jaar verbleef hij in de zorginstelling. Een coronabesmetting, tijdens de eerste golf, werd haar vader op eenentachtigjarige leeftijd fataal.

Waarom hield het gezin, en vooral haar moeder, dit zo lang vol? De oorzaak is de ongelofelijke sociale druk in de gemeenschap. Die is eigenlijk niet te harden, zegt Altintas. ‘Die sociale druk maakt dat men tot de dood voor hun ouders of partner zorgt. In de Nederlandse gemeenschap is het uiteraard ook geen gemakkelijke keuze om een dierbare naar een verzorgingshuis te brengen, maar als je dat doet dan wordt er niet over je geroddeld, je hoeft niet te vrezen voor de blik van familie of buren, je hebt dan niet gefaald. Binnen de Turkse gemeenschap bijvoorbeeld wel,’ meent Altintas.

Het wij-gevoel in, bijvoorbeeld, de Turkse gemeenschap is mooi, maar heeft volgens Altintas dus ook zijn nadelen. Daarom moet er volgens haar een cultuuromslag komen binnen sommige migrantengemeenschappen. Het is een ongeschreven regel, een haast transcendente norm, een gewoonterecht dat een kind zijn of haar, vooral haar, ouders terugbetaalt voor de opvoeding door voor hen te zorgen tot de laatste snik. ‘Terwijl er gewoon zorgvoorzieningen zijn, die benut kunnen worden’, zegt Altintas. ‘Het gevolg is dat men niet alles uit zijn of haar eigen leven kan halen. Niet zichzelf kan ontwikkelen. Zelf ziek wordt.’

Het verhaal van haar vader is een van de vele. Net zoals de problemen waar het gezin tegenaan liep: taalachterstand, geen of weinig kennis over en erkenning van dementie, de gevolgen van behoren tot een lage sociale klasse.

Professionals erkennen al lange tijd dat er wat moet gebeuren. Echter, de problematiek is tweezijdig. Enerzijds wordt dementie niet gediagnosticeerd, bijvoorbeeld omdat de migrantenouderen al een taalachterstand hebben, waardoor het de arts niet opvalt dat de patiënt zijn woorden niet kan vinden. Anderzijds is er binnen de gemeenschappen een groot gebrek aan kennis over en erkenning van ziekten als dementie. De focus ligt op het hart en de ziel, de bovenkamer lijkt ondergeschikt, of nog pijnlijker: totaal niet van belang. Totdat een dierbare getroffen wordt.

‘In de gemeenschap moet niet alleen een omslag plaatsvinden, we moeten ook in beweging komen’, zegt Altintas. Voor haar ligt de focus dus vooral op de gemeenschappen zelf. Ze overweegt om een eigen zorginstelling op te richten, ook al weet ze dat dat een moeilijke opgave is. In haar vorige baan onderwees ze ouderen over zorg in wat toen nog bejaardenhuizen waren. Destijds zag ze al: migranten dachten dat ze het niet nodig zouden hebben, ze hadden hun kinderen. ‘Maar er komt een nieuwe generatie ouderen aan. Dan zal er wel animo zijn. Maar we moeten nu wel investeren’.

‘De eenzaamheid en wanhoop die ik bij mijn vader zag, wil ik niet zelf ook ervaren. Als een verpleger in een zorginstelling vroeg of hij koffie wilde, begreep mijn vader haar niet eens. Echter, zij, en de rest van haar generatie, en die daarna, hebben toch geen ‘eigen’ verzorgingshuizen nodig, want een groot deel ervan is immers in Nederland opgegroeid, deelt grotendeels de cultuur, spreekt de taal? Nee, zegt Altintas, ‘wie dement wordt houdt alleen zijn moedertaal over. Je kruipt terug naar het kind dat je was’.