De zorg voor de ander (slot)

Deze zorg gaat over erkenning, over waardigheid, over gelukkig zijn, over rust, over je thuisvoelen. Maar er is nog veel werk te verzetten, weet Hizir Cengiz.

Zo’n half jaar geleden kwam ik foto’s van twee oudere vrouwen tijdens hun dagbesteding tegen. De ene vrouw was in diepe concentratie, haar blik op de zwarte, lege bloempot die ze vasthield, in haar andere hand een penseel gedoopt in witte verf. De tweede vrouw had een toren van Jenga-blokken voor zich op tafel, het nieuwe potje moest nog beginnen. Beiden droegen een hoofddoek en wollen vest. De zorgmedewerkster had de kiekjes gemaakt en gedeeld op sociale media.  

De zeventigjarigen, zo schreef die medewerkster in haar bericht, protesteerden aanvankelijk, want creatief bezig zijn was niks voor hen. Dachten ze. Nu pas, met babystapjes, hadden die vrouwen geleerd en ingezien dat het mag: spelen en kliederen.

Die vrouwen hadden zomaar mijn moeder kunnen zijn. Misschien ontroerden die foto’s me daarom zo.

Tegelijkertijd overheerste een groot schuldgevoel: net zoals veel leeftijdsgenoten houd ik me bezig met hoe me thuis te voelen in Nederland, ik bespreek het met vrienden, schrijf er soms wat over, maar ik sta er zelden bij stil dat een groot deel van de oudere generaties er evengoed mee hebben geworsteld en nog worstelen.

Wat onder andere mijn thuisgevoel aantast, is dat beide uitersten in het publieke debat hetzelfde doen: ze reduceren het individu tot zijn herkomst of huidskleur. Voor de een zijn alle Marokkaans-Nederlanders, bijvoorbeeld, crimineel en voor de ander hulpbehoevend. Je bent altijd de groep: je hebt dezelfde overtuigingen en deelt dezelfde wensen, obstakels, zorgen en dromen. 

Na de foto’s van die twee vrouwen, van wie de roots vermoedelijk ergens in Turkije liggen, sprak ik met verschillende mensen over de oudere generaties migranten en de zorg voor hen, en las ik onderzoeken over de zorg voor en de verstikkende eenzaamheid en dementie bij die groep.

Maar telkens knaagde er wat.

Telkens vroeg ik me af of het niet allemaal wat overtrokken is. Of cultuursensitieve zorg – zoals dat genoemd wordt – niet gewoon doorgeschoten identiteitsdenken is: een opa of oma met roots in Turkije lust alleen Turkse gerechten, luistert alleen Turkse muziek en wil anders verzorgd worden. Of cultuursensitieve zorg niet het summum is van gefaalde integratie.

Nee, cultuursensitieve zorg is geen ‘integratieprobleem’, zei Gökhan Celik twee jaar geleden in Tubantia. Hij is directeur van Zorginstelling Zorg-Advies Twente en zag hoe lastig het was om voor zijn oma Ayse een geschikt verpleeghuis te vinden. Celik: ‘Wie dementeert, valt terug op zijn kindertijd, z’n cultuur en moedertaal. Dat overkomt ook elke Nederlander. Maar de zorg in Nederland is daar voor Turken en Marokkanen duidelijk niet echt op voorbereid.’

Celik heeft gelijk. 

Ook de vader van Fatoş Ipek-Demir (1970), mantelzorgster en belangenbehartiger van migrantenouderen, raakte de Nederlandse taal geheel kwijt, vertelde ze me.

En sowieso: als dat zou kloppen, dat de vraag naar cultuursensitieve zorg een uitkomst is van gefaalde integratie, dan kan evengoed gesteld worden dat de integratie heeft gefaald omdat verzorgingshuizen niet weten hoe te voldoen aan de wensen en behoeften van een groep Nederlanders. Sommige instellingen begrepen bijvoorbeeld niet dat de vader van Ipek-Demir nooit walste op muziek van André Rieu, maar Turkse liederen beluisterde.

Ook volgens Ipek-Demir is cultuursensitieve zorg geen integratievraagstuk. Volgens haar gaat het over emancipatie.

Cultuursensitieve zorg gaat over erkenning, over waardigheid, over gelukkig zijn, over rust, over je thuisvoelen. Maar er is nog veel werk te verzetten, zo zei Ipek-Demir. Het is volgens haar vijf voor twaalf, en zij kan het weten. De tijd dringt, ook voor mijn moeder.