De zuinige van het Reves

De zuinigheid van Gerard en Karel van het Reve is bijna legendarisch. Maar zijn ze ook gierig? Nee hoor. Hanny Michaelis werd door haar echtgenoot Gerard vaak getrakteerd. Op bedorven snoep en vis.

AFGELOPEN MAAND ontving Hanny Michaelis de Anna Bijns-prijs. Tijdens een tv-interview met Hanneke Groenteman zei ze nadat ze de felicitaties in ontvangst had genomen: ‘Ja, dank je - en de prijs is belastingvrij.’
Zij wist dat als geen ander. Zij speelde jarenlang een voorname rol in de Vereniging voor Letterkundingen en wist uit dien hoofde van de financiele hoed en de rand. Dat met name literaire prijzen belastingvrij zijn, danken wij aan haar voormalige echtgenoot Gerard Reve.
Reve won in 1963 de Amsterdamse Novellenprijs voor zijn in 1961 bij Van Oorschot verschenen novellenbundel Tien vrolijke verhalen. Het was in zijn arme tijd - hij probeerde te leven van de pen, en dat lukte toen nog niet al te best. De prijs was 2500 gulden groot en heel welkom. En toen kwam de belastingman aankloppen tegen de bouwvalige deur van zijn huis aan de Oudezijds Achterburgwal: Reve diende over de prijs belasting te betalen, omdat deze kon worden aangemerkt als 'inkomen uit arbeid’.
De schrijver ontstak in woede. Hij vond het zeer onrechtvaardig. Hij had niets hoeven doen om die prijs te krijgen. Inkomen uit arbeid waren zijn verdiensten als schrijver van boeken, niet de verdiensten als winnaar van een prijs. Reve - financieel nauwelijks in staat tot het voeren van een proces - zocht zijn recht en begon een proces dat maar liefst vijf jaar duurde. Maar toen won hij ook - en sindsdien zijn literaire prijzen belastingvrij, want het hof stelde 'dat kunstprijzen uitsluitend zijn bedoeld als eerbetoon en dat er geen zakelijk verband bestaat tussen een literatuurprijs en de beroepsuitoefening van een schrijver.’
Reve kreeg een paar honderd gulden belastinggeld terug.
KAREL EN GERARD van het Reve zijn de personificaties van de Nederlandse zuinigheid. Dit zien zij onmiskenbaar als een deugd. Waarom toch? Het antwoord is simpel: de familie Van het Reve heeft het vroeger zeer arm gehad. De vader van Karel en Gerard, Gerard Vanter, beschrijft in zijn Mijn rode jaren (1967) zijn geboortehuis in Enschede: 'In het achterhuis was rechts nog een kamertje, beter gezegd, een hokje waar wij, kinderen, sliepen in een bedstede, twee aan het hoofdeinde en twee aan het voeteneinde.’ En: 'Moeder schudde het stro op in onze bedstede, daarover kwam een laken om het bij elkaar te houden. Vervolgens de kussens, een viertal: twee aan het hoofdeinde en twee aan het voeteneinde. We hoefden niet veel kleren uit te doen, in een ogenblik lagen we met ons vieren op het krakende stro. De beide meisjes, een van elf en een van zes aan het hoofdeinde, de beide jongens van negen en drie aan het voeteneind.’ Armoe troef dus bij de grootouders.
Gerard en Karel hebben het in hun jeugd niet zo arm gehad als hun vader en moeder, toch waren zij allerminst 'rijk’ te noemen. Vader Vanter had zich opgewerkt tot een vooraanstaand communist en journalist; men ging met 'intellectuelen’ om als Jan en Annie Romein. En ofschoon elk dubbeltje drie keer moest worden omgedraaid, konden Karel en Gerard toch naar het gymnasium.
Is toen het afzetten tegen de armoede begonnen? Annie Romein schreef in haar memoires over Karel en Gerard: 'Ze zetten zich af tegen het beschamende respect dat ze (gehad) hebben tegenover de eerste “nette” mensen waar ze mee te maken kregen.’
Nette mensen - dat had 'tante Annie’ goed door - daar hielden Karel en Gerard niet van. Annie Romein-Verschoor schreef verder dat moeder Van het Reve 'geen standsbewustzijn’ had, maar 'haar man en haar kinderen hadden (hebben) het in zeer hoge mate. Door mijn ervaringen met de Van het Reves ben ik me ervan bewust geworden hoe in onze klassenmaatschappij het standsbegrip nog altijd de boventoon voert.’ Ze beschreef hoe moeder Van het Reve hutje bij mutje moet leggen 'om van haar schrale inkomsten de twee kinderen die ze van de zes had behouden, van de nodige zuivel en fruit te voorzien’.
Ook Karel zai eens in een interview met Ischa Meijer: 'Mijn moeder runde het gezin, zij knoopte de eindjes aan elkaar, er was weinig geld.’
Vader Van het Reve bekommerde zich niet zo om het gezin. Hij was vaak weg - 'vergaderen’ -, in 1923 zat hij een poosje in de gevangenis wegens zijn politieke overtuiging en in de oorlog moest hij onderduiken. De hongerwinter was een zeer zware tijd voor de Van het Reves. Zuinigheid was een vorm van overleven.
Karel zat min of meer in het verzet en kon af en toe wat voedsel bemachtigen. Gerard beroofde in de oorlog zwarthandelaren en hing met enkele kameraden een groot laken op waarop stond: 'Honger’. Hij besefte dat hij speelde met zijn leven; de twee broers kwamen enkele dagen vast te zitten - dat liep maar net goed af.
Het waren allemaal lessen aan, wat Gerard Reve later zou noemen 'de Universiteit die Leven heet’.
NA DE OORLOG gaat Karel de wetenschap in en Gerard de letterkunde. Ze willen nooit meer de armoede van thuis. Karel staat het meest bekend om zijn zuinigheid. Hij heeft er duidelijk plezier in om dat aan iedereen kenbaar te maken. Bijzonder smakelijk is zijn anekdote over Nico Scheepmaker, die eens een orgelman op straat trof. Nico voelde in zijn zak en bleek slechts een gulden te hebben - hij gaf die gulden en vroeg drie kwartjes terug. 'Dat doe ik ook altijd’, eindigt Karel.
Hij mag ook graag de rol van 'de eenvoudige jongen uit Betondorp’ spelen, en er zijn mensen die zich daar vreselijk aan ergeren. H. W. Sandberg bijvoorbeeld, de oud- hoofdredacteur van Het Parool: 'Eten met Karel in een restaurant is ook zo'n ramp. “Moet je hier met mes en vork eten? Die meneer met dat mooie pak, is dat de directeur of de ober?” ’
En iedere interviewer maakt mee dat Karel, op de Reynier Vinkeleskade in Amsterdam uit het raam wijzend naar de Mozartkade aan de overkant, zegt: 'Daar wonen de rijken, daar horen wij niet bij.’
In zijn boek Luisteraars schrijft Karel van het Reve dat de oude Drees pas de gaskachel aanmaakte als de vergadering van het partijbestuur van de SDAP al was begonnen. En dat Drees zijn artikelen voor het Hollands Maandblad niet per post verstuurde, maar liet bezorgen door zijn zoon: 'En dat stuk zat dan altijd in een gebruikte envelop.’ Het behoeft geen betoog dat Karel van het Reve die gewoonte overnam van Drees. Zuinigheid: liever zelf boterhammetjes meenemen dan ergens duur gaan eten. Liever de dingen repareren dan nieuwe aanschaffen.
'We hebben een zomerhuisje in Groet, daar staat ook een televisie’, vertelde Karel laatst in de Vara-gids. 'Ook al eentje die half kapot is. Op een station wil hij maar. (…) Hij heeft drie tot vier uur nodig om op te warmen. Zo zitten we met beide toestellen voor het vreselijke dilemma dat je ze kunt laten repareren voor veel geld of dat het misschien verstandiger is iets nieuws te kopen. En het besluit dat valt maar niet. Dat duurt nu al een jaar of drie.’
IN WEZEN IS Gerard net zo zuinig als zijn broer. Gerard heeft het financieel gezien bovendien veel moeilijker gehad. De avonden liep in het begin niet al te best. Een paar maanden na de oorlog had Gerard zijn heil gezocht in de journalistiek, maar daar voelde hij zich niet geschikt voor. Hij wilde alleen maar schrijven - en daarvan leven.
'Hij voelde zich na “De avonden” een rijk man, hij wou schrijven’, vertelt Hanny Michaelis aan Bibeb in Vrij Nederland. ’ ’t Was in die eerste jaren niet eenvoudig. Als ik geen vaste baan had gehad bij het NIW waren we verhongerd. Maar we hebben altijd kunnen leven en met vakantie kunnen gaan. We zijn alletwee als de dood voor schulden. Gerard is erg zuinig.’
Gerard ging toneelstukken vertalen om aan geld te komen. Soms had hij zoveel werk op zich genomen, dat zijn vriend Wimie hem moest helpen met vertalen.
In de eerste brieven in Op weg naar het einde is te lezen hoe druk Gerard zich maakt om geld. In 1962 mijmert hij: 'Stel eens, dat ik door elke dag alleen maar te schrijven, 250 gulden in de maand kon ver dienen? Ik word het volgend jaar al veertig, maar toch heb ik een vermoeden, dat ik de verwerkelijking van dit seizoen zal mogen meemaken, want ten slotte hebben ze ook, binnen een paar jaar tijd zelfs, het subsidie van 2 op 4 gulden per 400 woorden gebracht, dus wat zal ze beletten om er bijvoorbeeld nog eens 3 gulden bij te doen?’
Hij wil naar Spanje of Marokko omdat hij daar ruimer kan leven van het geld dat hij verdient. Armoede doet hem ook besluiten om - via de bijbel - Engels te leren, want wanneer hij rechtstreeks in het Engels zou gaan schrijven, kan hij door de hele wereld worden gelezen, met alle verdiensten van dien. Uit armoede vertaalt hij zijn eigen toneelstuk Commissaris Fennedy in het Engels (en Fennedy verandert prompt in Kennedy.) Altijd verbouwt Gerard zijn huizen zelf. Later in Frankrijk zal hij zelf zijn huis bouwen.
ARMOEDE IS ZIJN grootste angst. Verspilling is hem een gruwel.
'Het geld tussen ons is een probleem’, schrijft Gerard aan zijn minnaar in Ik had hem lief. 'Ik ben er bezeten van & sta er niet zo betrekkelijk vrij tegenover, zoals jij.’
Altijd wijst Gerard zijn vrienden op verspilling, ook al in de tijd dat hij nog met Hanny Michaelis was getrouwd, zoals zij beschreef: 'We gingen pas met elkaar om, dus in de honeymoonperiode, overhandigt Gerard mij een grote zak suikerbeesten. Zeker denkend: jodinnen snoepen graag. Ik dacht, wat is dat hartelijk en ik begin meteen zo'n beestje te eten. Ik zeg, wat smaakt dat raar. Altijd zei hij: “Voor Hanny moet het vijf gulden per ons kosten anders lust ze het niet.” Maar nu zei hij: “die hele zak kost vijf cent, ze is van de kar gevallen in de Albert Cuyp.” (…) ’s Zaterdags deed hij de boodschappen en op het lijstje zette ik altijd, neem bloemen mee want ik heb altijd bloemen. Maar hij vond dat verkwisting en kwam terug met van die half bedorven slijmerige stelen. Toen hij in Engeland was voor de cursus drama werd ik vaak te eten gevraagd, Gerard schreef dan, denk erom geen bosje bloemen van een vijftig meenemen, dan kan je net zo goed thuis eten. (…) Hij heeft me een keer bijna bedorven vis laten eten. Hij komt thuis met kuitjes, die moesten gebakken. Nu weet ik toevallig dat ze naar vis moeten ruiken als ze gebakken zijn en ze roken niet naar vis. Gerard zei, jij hebt altijd wat. En dat is zo, ik ben een zenuwlijdster. Ik denk, ik zal ze es bij de kat proberen. En de kat snuffelt eraan en draait haar kop weg. Zie je wel, zeg ik, ze lust het niet. Nee, zegt hij, het is ook een beetje bedorven, maar wat hindert dat?’
ZUINIGHEID MET VLIJT - het typeert de Reves, die inderdaad altijd keihard hebben gewerkt. Maar zijn ze ook gierig? 'Integendeel’, zegt Hanny Michaelis in menig interview. Gerard was gul, hij gaf altijd 'goederen’ aan zijn hulpbehoevende vrienden - want dat konden ze in elk geval niet verdrinken.
En ook Karel is zeker niet gierig. Beide broers doen het liefst in stilte goed - het is genant om op te schrijven, maar het is wel waar. Karel van het Reve en zijn vrouw Josien hebben de Herzen-stichting opgericht om dissidente auteurs te kunnen uitgeven. Hoeveel geld daarin precies omgaat, weet niemand, maar het is veel. Karel wil daar niet over praten.
Van Gerard is bekend - weer via Hanny Michaelis - dat hij gedurende de Zesdaagse Oorlog van Israel geld stortte, hoe weinig hij toen ook had.
De broers kunnen - ieder op hun eigen manier - slecht tegen onrecht en onrechtvaardigheid en strijden daartegen. Karel net zo goed als Gerard. Gerard heeft onlangs nog een forse donatie gedaan aan het Aidsfonds en Karel heeft…
Nee, dat mag ik niet vertellen, want dat willen ze niet.
Zuinigheid is voor hen beschaving.