De zuivere stem

Kan een roman het gehoor scherpen? Normaliter maakt lezen mij vrijwel doof voor het alledaagse geluidsdecor, maar bij Marcel Beyers Vliegende honden had ik de merkwaardige sensatie dat de alledaagse geluiden zich mengden met wat ik las. Zoals een plotseling zomaar hardop gelezen woord me bewust maakte van dit hardop lezen, en ik deze geluiden hoorde alsof ze door iemand anders werden uitgesproken, een indringer.

Vliegende honden scherpt het gehoor. Beyer voert de lezer aan de hand van Karnau, een akoesticus ten tijde van het Derde Rijk, een wereld binnen van, vooral, stemgeluid. Met hem luisteren we naar de opnamen die hij maakt, bijvoorbeeld naar de geluiden van stervenden op het slagveld, want hij is de menselijke stem rücksichtslos toegewijd. Hij wil haar in al haar nuances in kaart brengen. Het is een verlangen dat voortkomt uit zijn voor hemzelf onverklaarbare afkeer van onevenwichtige en onbehouwen stemverschijnselen. ‘Het moet te beheersen zijn, dat orgaan’, stelt hij. Dat leidt er niet alleen toe dat hij de toespraken van bijvoorbeeld Joseph Goebbels met technische middelen tot in de puntjes regisseert, maar bijvoorbeeld ook 'ontromaniseringsdienst’ draait in de Elzas, waar hij middels opnamen in de stemmen van bewoners verderfelijke Franse invloeden opspoort, 'frontstemmen’ opneemt en deelneemt aan medische experimenten waarin gepoogd wordt greep te krijgen op het innerlijk door greep te krijgen op de stem: 'Haar moduleren, en in het uiterste geval zelfs niet terugschrikken voor een medische ingreep, voor modificatie van het articulatorische apparaat’, zoals zijn chef hem uitlegt. Het officiële wetenschapsprogramma van de nazi’s loopt parallel met zijn eigen zoektocht naar de zuivere stem.
Die stem wordt in het boek vertegenwoordigd door de stem van de twaalfjarige Helga, de oudste dochter van Goebbels, met wie (evenals met Goebbels’ andere kinderen) Karnau in contact komt. Haar onschuld heeft alles te maken met de gezochte zuiverheid die Karnau tot medewerking aan gruwelijke experimenten brengt en hém dus juist schuldig maken - althans in de ogen van de lezer, want bij Karnau zelf is er van enig schuldbesef geen sprake. De zuivere stem is de nog niet door de volwassenheid veranderde stem: 'de langzame neergang van kind tot volwassene, van een dier dat zich vrij in de lucht beweegt, tot een dat aan de grond kleeft’. De stem als een vliegende hond. Als het Derde Rijk instort en Karnau zich met de kinderen en de nazi-top in Hitlers bunker te Berlijn bevindt (dus zelfs onder de grond), leidt dit er uiteindelijk toe dat hij het is die de door Goebbels’ verordonneerde moord op de kinderen uitvoert. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd. Integendeel. Aan het slot vinden we Karnau terug in de jaren negentig. Hij beluistert de laatste plaatopname in een serie van tien die hij van de kinderen in de bunker heeft gemaakt, en probeert te horen wat daar gebeurd moet zijn. De lezer begrijpt dan dat 'de absolute stilte’ waarin die laatste plaatopname eindigt door hemzelf is veroorzaakt.
Het is waarop elk verlangen naar zuiverheid wel moet uitlopen: op stilte, afwezigheid. Het maakt van ieder streven naar zuiverheid iets misdadigs. Dat is de moraal van dit verhaal. Het knappe van Beyers boek is dat hij die nergens formuleert, maar je die laat ervaren in de zich opdringende geluiden, in je eigen zomaar wat brommende stem bijvoorbeeld, waarin zich de aanwezigheid verraadt waarvan je al lezend even verlost meende te zijn, een vliegende hond die in je hoofd neerstort.