De zwakste leider heeft de grootste mond

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

Donald Trump, Boris Johnson, Jair Bolsonaro, Viktor Orbán: zonder uitzondering vervallen de sterke mannen van deze wereld oog in oog met de coronacrisis in ontluisterend gestuntel. Altijd konden zij een vijand aanwijzen, degenen die het gevaar van buiten vormden, maar nu schuilt dat gevaar in hun eigen onvermogen om adequaat en proportioneel op de pandemie te reageren. In de coronacrisis zijn zij hun eigen vijand. Het gevolg is dat hun optreden heen en weer zwalkt tussen uitersten: ontkenning van het gevaar, besluiteloosheid, wispelturigheid, dan wel doorschieten in autoritaire krachtpatserij.

Het patroon is telkens dat zij de ziekte eerst bagatelliseren als een griepje dat wel overwaait, of als een vals gerucht dat politieke tegenstanders in de wereld hebben geholpen. De Amerikaanse president Trump hield de virusdreiging aanvankelijk voor een hoax van de Democraten. De Britse premier Johnson pochte tot voor kort dat hij iedereen de hand schudde. President Bolsonaro doet nog altijd stoer: afstand houden is iets voor mietjes, vindt hij, want Brazilianen moeten zich ‘als mannen, niet als kleine jongens’ gedragen.

Wanneer autocratisch gezinde machthebbers dan toch handelen, vallen ze terug op repressieve gelegenheidswetten en het uitroepen van de uitzonderingstoestand: het arsenaal van maatregelen waartoe zij hun toevlucht kunnen nemen bij een vijandelijke dreiging van buiten. Trump wil Justitie in staat stellen mensen zonder proces en voor onbepaalde tijd te detineren, Johnson vraagt om bevoegdheid voor de politie om mensen die wellicht corona hebben te arresteren. De Hongaarse premier Orbán heeft de pers gebreideld en het parlement terzijde geschoven. Hij kan nu alle wetten die hem dwarszitten naar eigen willekeur negeren of afschaffen.

Volgens Jair Bolsonaro is afstand houden iets voor mietjes

Machthebbers als deze beschikken over geen ander patroon dan het vijanddenken om tegen de werkelijkheid aan te kijken. Dat geldt ook voor hun geestverwanten in de Tweede Kamer. Voor Geert Wilders en Thierry Baudet is de regering de vijand. Zij speelt ‘Russische roulette met mensenlevens’, zei Wilders. Volgens Baudet zou een corona-uitbraak in Nederland zijn voorkomen, zei hij in een Kamerdebat, ‘als jullie naar mij zouden hebben geluisterd’.

Het gestuntel van de sterke mannen in de coronacrisis kan niet los worden gezien van hun weerzin jegens tegenmachten. Wat hun ontgaat is dat de wetenschap, de onafhankelijke pers, de rechtelijke macht en het parlement dankzij hun objectiverende kracht en kritische zin onontbeerlijke toetsstenen voor het crisisbeleid zijn, dus allesbehalve de vijand. Een regering verwerft legitimiteit en gezag door de waarde van die kritische toets in te zien, niet door zich als een brute macht te gedragen. Zij geeft uitleg, verantwoordt zich in het parlement voor de noodmaatregelen, baseert haar beleid mede op wetenschappelijke inzichten en waardeert de pers voor haar waakhondfunctie.

En als zij onverhoopt burgerlijke vrijheden moet inperken, geconfronteerd met een crisissituatie, dan doet zij dat met zichtbare tegenzin, die voortkomt uit het democratisch besef dat de nood de wet moet breken – maar wel tijdelijk. Van dat democratische ethos gaf bondskanselier Angela Merkel blijk toen zij over de Duitse noodmaatregelen zei: ‘Ze mogen nooit lichtvaardig en slechts op tijdelijke basis worden genomen, maar ze zijn nu onmisbaar om levens te redden.’

In een democratie wacht de regering dus met uitzonderingswetgeving zolang zij met een beroep op het burgerschap toekan met krachtige aanbevelingen. Verantwoordelijkheidszin van mensen groeit met de vrijheid die de regering hun toevertrouwt. De sterke leider weet dat. Zo bezien is degene met de grootste mond de zwakste leider.