Lia Tilon, Huizen van papier

De zwakte van mensen

Lia Tilon

Huizen van papier

Uitg. De Arbeiderspers, 230 blz., € 14,95

In de golf van zelfbevlekkende literatuur die ons land permanent drassig houdt, valt de debutante Lia Tilon op met haar geëngageerde roman Huizen van papier. «Laten wij zacht zijn voor elkander, kind», luidt de eerste regel van het motto dat zij koos voor haar boek. De passage uit het gedicht Zwervers liefde van A. Roland Holst fungeert hier als een mooie prelude; Huizen van papier is een zacht boek waarin met compassie het zwerversbestaan wordt beschreven. Een mooi boek ook, rijk aan materie en gedurfd in stijl en aanpak. Misschien té gedurfd, want er ligt ook iets krampachtigs op de loer. «Ambitieus» zou je de roman kunnen noemen, inclusief de connotatie dat de schrijfster haar ambities niet helemaal waarmaakt. Behalve zacht en mooi is de roman onnodig ingewikkeld.

Anna is heilsoldate en ontfermt zich in die functie over Lucia en Harry die beiden onderdak vinden in het opvangtehuis voor daklozen. Lucia was in haar vroegere bestaan succesvol makelaar en raakte aan lager wal nadat ze werd ontslagen. Harry was ooit hovenier, maar begon steeds meer te drinken en belandde ook op straat. Anna zelf heette vroeger Roos en had een broer die op zestienjarige leeftijd het huis verliet, het avontuurlijke bestaan van de heroïneverslaafde tegemoet. Roos was altijd godvruchtig («heilige stokroos» was haar bijnaam), maar maakte daar pas serieus werk van toen het met haar broertje slecht afliep. Dat ze hem de rug toekeerde toen hij bij haar aanbelde, blijft haar dwarszitten. Met des te meer verbetenheid stort ze zich op Lucia en Harry; in hen zal ze alsnog haar broer redden.

Het gegeven van de heilsoldate die ook zo de spoken uit haar verleden met zich meetorst, en uit alle macht probeert die het zwijgen op te leggen, is op zich al een boeiend gegeven voor een roman. Tilon wilde echter waarschijnlijk ook voelbaar maken hoe dun de scheidslijn is tussen het gewone en het dakloze bestaan, en gaf daartoe twee zwervers een stem. Met de veelvuldige wisseling in vertelperspectief komt de ingewikkeldheid om de hoek kijken. De schrijfster maakt intensief gebruik van de beproefde techniek van de monologue interieur, maar wisselt die regelmatig af door een personaal perspectief. Veel meerwaarde heeft die wisseling niet, omdat er niet echt sprake is van verschillende stemmen.

De stukken in het boek die geschreven zijn vanuit het perspectief van Lucia en Harry zijn dan ook niet erg overtuigend. Eerder werkt die afdaling in hun zielenleven verwarrend, omdat de personages zelf ook in de war zijn. Hun gemoedsstemming beschrijft Tilon met omtrekkende bewegingen, flitsend van heden naar verleden en weer terug. Soms adequaat, maar vaak ook vaag en suggestief. Het ontbreekt Tilon (nog) aan de vaardigheid om meer registers te bespelen; de stemmen van Lucia en Harry lijken te veel op elkaar. Ook wanneer er een hij- of zij-verteller aan het woord is, of een inkijkje wordt geboden in het gedachteleven van Anna, verandert er weinig aan de toon. Iedereen is even opmerkzaam, gevoelig, introspectief en associatief. Waarom zou bijvoorbeeld Harry kijken naar een bak met oliebollen «alsof er ieder ogenblik eentje uit kan springen, als een goudvisje uit een te volle kom»? Of denkt Lucia dat haar slaap «net zo verraderlijk is als de tijd, als de schaduw op (haar) behang»?

De verteltoon van Tilon is zo consequent literair dat het de vraag is of zij het zichzelf en de lezer niet onnodig moeilijk heeft gemaakt met die zogenaamde eigen stemmen. Met iets meer zelfbeperking had de roman waarschijnlijk nog aan zeggingskracht kunnen winnen. Dat er nu duidelijk een «teveel» wringt, neemt niet weg dat Huizen van papier een interessant debuut is. De potentiële kracht van de schrijfster is dicht onder het oppervlak van haar zinnen voelbaar. Weerbarstige uitspraken als «Als je aan pijn denkt kom je nergens» en «Kaas, de pep van een natie» doen een authentiek schrijversgeluid vermoeden. Ook de gesprekken tussen Anna en Lucia over de houdbaarheid van het geloof vormen lichtende passages in het boek. De religieuze drijfveer van de heilsoldate wordt even heel sec neergezet: «Ik geloof in God omdat ik geloof in mensen, hun zwakte. Ik geloof in God omdat ik geloof in de zwakte van mensen. Dat heb ik altijd gedaan.» Lucia later: «In je hoofd, Anna, kun je een ander alles laten zeggen. Is dat hoe het werkt? Met God? Laat je hem constant vertellen dat alles weer goedkomt? Kun je het daarom volhouden?» Die sfeer van niet-modieus engagement waarvan Lia Tilons debuutroman is doortrokken, maakt nieuwsgierig naar meer.