De zwakte van obelix

Het dertigste Asterix-album wordt op de Nederlandse markt gelanceerd. Eerverleden jaar maakte tekenaar Albert Uderzo nog bekend dat hij de Gallische donderstraal in de wilgen zou hangen, maar hij kon uiteindelijk toch niet van hem scheiden. En evenmin van het grote geld, denk je dan, want het is Uderzo niet gelukt om door middel van processen uitgeverij Dargaud te bewegen de rechten van de eerste 26 boeken aan hem af te staan.

Het is begrijpelijk dat Uderzo de verleiding niet kon weerstaan om een avontuur aan de reeks toe te voegen: behalve geld, roem en traditie zal het ronde getal dertig ook een rol hebben gespeeld.
Onvergeeflijk is het dat hij het nog steeds zonder tekstschrijver meent te kunnen stellen. Van scenarist René Goscinny kwam in 1977, postuum, nog Asterix en de Belgen uit, maar sindsdien moeten we het doen met de zwakke verhalen van Uderzo zelf, die gebrek aan geestige pointes opvangt met een overdosis woordspelingen en flauwe anachronismen. Nu ging De Belgen ook al mank aan een pijnlijk zwak verhaal, dus zou je kunnen concluderen dat de reeks toen al over zijn top heen was. Die top lag ergens begin jaren zeventig met uitschieters als Asterix op Corsica, waarin de drievoudige gelaagdheid het lezerspubliek op alle niveau’s verwende.
Gaandeweg tekende zich een vast stramien af in de volgende uitgaven. Een avontuur in het buitenland, vol exotica en xenofobe clichés (met als dieptepunt de antisemitische stereotypen in De odyssee van Asterix), wordt steevast afgewisseld met een rond het eigen dorp spelend verhaal - met binnenlandse politieke en maatschappelijke satire.
Sedert Uderzo, Italiaan van geboorte, de scenario’s brouwt, worden ze steeds vergezochter en bodemlozer en de grappen steeds zoutelozer en bedenkelijker. Het voorlaatste boek, De roos en het zwaard, was een antifeministische tirade van een onnozelheid die eerder aan het opgeschrikte mannendom van rond 1970 deed denken dan aan de gedepolitiseerde jaren negentig. Gelukkig bleef ons een verdere neergang bespaard, tot deze week dan De beproeving van Obelix verscheen. De titel belooft weinig goeds, maar dat is wellicht aan de Nederlandse uitgever te wijten, die hardnekkig op de markt voor de allerjongsten mikt.
De vertaler blijft gelukkig niet op zijn hurken zitten, maar weet vaak geen raad met het springtij aan woordspelingen en verwijzingen. Het verhaal is onwaarschijnlijk en te ingewikkeld om samen te vatten, maar er is een hoofdrol weggelegd voor de vrijgevochten Griekse slaaf Spartakis, waarin we de historische Spartacus herkennen die een opstand tegen het Romeinse gezag leidde.
Het boek is opgedragen aan ‘de groot acteur Kirk Douglas’, die in Stanley Kubricks film Spartacus de titelrol vervulde. Spartakis heeft dan ook de trekken van Douglas en dat is meteen het zwakke punt in de overigens sterke tekeningen. Het is namelijk geen karikatuur, maar een portret, dat getuigt van onverholen bewondering in plaats van objectiverende parodie. Sean Connery leende zich beter voor Romeinse spion in De Odyssee, maar hier beging Uderzo evenzogoed een denkfout: figuren uit de twintigste-eeuwse werkelijkheid zijn soms leuk als voorbijvlietend feestje van herkenning, maar als hoofd- of zelfs maar als bijrolspelers wordt de grap uitgerekt tot trieste slapte.
Een andere misser in De beproeving van Obelix is dat het rijk Atlantis ter hoogte van de Canarische eilanden ligt. Het paleis aldaar vertoont een treffende gelijkenis met de reconstructies van het paleis van Knossos op Kreta. Uderzo zinspeelt dus op de al ontkrachte stelling dat het Minoïsche Kreta Plato’s Atlantis zou zijn geweest. Daarbij bevolkt hij het met zoete kindertjes op vliegende zwanen, vliegende koetjes en dolfijnen: Knossos en New Age. Uderzo mikt met zijn kinderparadijs op de onnozelste lezers.