Pleidooi voor een eerlijke geschiedschrijving

De zwarte canon

Ons geschiedverhaal is vergeven van manipulaties, betoogt historicus Chris van der Heijden. Schaduwzijden van de ontwikkeling van de ‘heldhaftige’ Nederlandse natie komen nauwelijks ter sprake. Tijd voor een formele erkenning van de donkere bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis.

Medium floris

DE JAREN VAN IJVER mogen voorbij zijn, maar toch, hij staat nog steeds: de canon, de van overheidswege gestimuleerde inventarisatie van de belangrijkste kenmerken, personen of gebeurtenissen van ons verleden oftewel ‘wat iedereen in elk geval zou moeten weten van de geschiedenis en cultuur van Nederland’. Het verlangen naar zo'n inventarisatie past bij een tijdperk waarin een samenleving het spoor enigszins bijster is en zichzelf met een beroep op het verleden opnieuw op de kaart probeert te zetten. Zonder twijfel bestaat er dan ook een verband tussen de canonmode en het in 2002, tijdens het eerste kabinet-Balkenende, geïntroduceerde normen- en waardendebat, zoals er ook een verband bestaat tussen dat debat en de plannen voor een nationaal historisch museum of het door het Niod gehouden pleidooi voor een geschiedenis van oorlogshelden.
In het verlengde hiervan is het niet verwonderlijk dat er in de door de commissie-Van Oostrom samengestelde en door Balkenende IV officieel aanvaarde canon bijna uitsluitend mensen en zaken voorkomen waarop 'wij’ (aanhalingstekens) trots kunnen zijn. Onder de vijftig 'ramen’ zijn er slechts twee waarvoor dat ontegenzeggelijk niet geldt: slavernij en Srebrenica. Niettemin voegden de samenstellers aan dat laatstgenoemde raam de opmerking toe dat zij geaarzeld hadden over opname. 'De waarheid is ermee gediend, voorzeker’, schreven zij, 'maar de commissie wil docenten en andere werkers met de canon uitdrukkelijk op hiermee verbonden risico’s attenderen.’ Welke? Dat men eens mocht denken dat in het vaderlands verleden niet alles koek en ei was? Ik kan me haast niet voorstellen dat verstandige mensen als Frits van Oostrom dergelijke onzin met droge ogen, van het huilen dan wel het lachen, kunnen schrijven. Tegelijkertijd is het onmogelijk iets anders te lezen. Want - en daarom gaat het hier - ik ben een bijna tegenovergestelde mening toegedaan, namelijk dat het een groot risico met zich meebrengt als wij of onze kinderen denken dat het vaderlands verleden een sprookje was.
Laat ik het zeggen in de woorden van Rudy Kousbroek, geschreven naar aanleiding van het zogenoemde Rhemrev-rapport, 'de gruwelijkste onthulling van deze eeuw’. Het gaat over het optreden van de Nederlanders in Nederlands-Indië rond het jaar 1900. 'Ik ben van mening dat in een beschaafd land de neiging zichzelf gunstig af te schilderen onderkend behoort te worden, en niet zijn neerslag mag hebben in de geschiedschrijving. Er behoort een stilzwijgende consensus over te bestaan dat men voor het eigen land geen lichtere maatstaven zal aanleggen dan voor een ander. Geschiedschrijving zal zich niet bezighouden met het verzamelen van alibi’s en complimenten. Het verdonkeremanen of onder zich houden van ongunstige informatie over onszelf is niet respectabel. Liever zelf grondig uitzoeken wat bij ons niet deugt dan moeten verdragen dat een ander ermee aankomt; zoals hieruit mag blijken wortelt een en ander niet in een “drang het eigen nest te bevuilen” maar eerder in nationale trots - alleen in een minder primitieve vorm.’
Ik kan het niet beter zeggen. Maar de samenstellers van de canon van de Nederlandse geschiedenis dachten daar blijkbaar anders over. Vandaar mijn pleidooi voor een zwarte canon, een overzicht van de donkere pagina’s van de vaderlandse cultuur. Daarmee wil ik niet beweren dat ons verleden louter kommer en kwel was. Verre van. Maar bij hoogtepunten horen dieptepunten. Bij trots past schaamte. Een zwarte canon dient geen ander doel dan die erkenning.
Laat ik ter illustratie van mijn bedoeling nog wat voorbeelden uit de 'witte’ canon geven. Raam nummer 32 is getiteld 'Verzet tegen de kinderarbeid’. In de begeleidende tekst wordt eerst kort verteld dat kinderarbeid in de negentiende eeuw een normaal verschijnsel was, vervolgens (opnieuw kort) hoe zwaar die arbeid was, dan komt de hoofdmoot van de tekst. Hij gaat over het verzet tegen kinderarbeid, over het inzicht dat scholing noodzakelijk was en over de kinderwetjes die van een en ander het gevolg waren. Vandaar de benaming van dit raam: niet kinderarbeid maar verzet tegen kinderarbeid.
Om dezelfde reden worden Suriname en de Nederlandse Antillen in de canon pas aan het eind van de twintigste eeuw vermeld. In het eerste geval luidt de kop: 'Dekolonisatie van de West’. Bij Indonesië staat: 'Een kolonie vecht zich vrij’. Positief denken dus, de ideologie spat ervan af. Een leugen is dit niet - er was inderdaad verzet tegen kinderarbeid, Suriname dekoloniseerde, zo ook Indonesië - maar het is wel een omdraaiing van de feiten, met bovendien een aanvechtbare klemtoon.
Van manipulaties als deze is ons geschiedverhaal vergeven, ook buiten de canon. Een goed en algemeen aanvaard voorbeeld is te vinden op het oudste publieke shoah-monument van Nederland, gelegen aan de Amsterdamse Weesperstraat. In plaats van aan de vermoorde joden herinnert het aan degenen die hun in de oorlogsjaren de helpende hand toestaken. Joodse dankbaarheid luidt de naam ervan dan ook. De boodschap staat duidelijk in steen gebeiteld: 'Aan de beschermers der Nederlandse joden in bezettingsjaren. Beschermd door uw liefde. Gesterkt door uw weerstand. Rouwend met u.’ In deze tekst is geen woord gelogen. Personen op wie hij betrekking heeft, zijn er geweest, velen zelfs. Ook is het goed dat zij herdacht worden. Tegelijkertijd begrijpt iedereen dat zij niet de eersten zijn aan wie je in verband met de shoah denkt.

'GESCHIEDENIS IS DE GEESTELIJKE vorm, waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden’, schreef onze grootste historicus in hem kenmerkende woorden. Zo is het. Vandaar ook dat die geschiedenis voortdurend verandert, de ene rekenschap is immers de andere niet. Anders gezegd: de van overheidswege gepropageerde canon verscheen op een moment dat het wereldbeeld erachter zijn tijd had gehad. Hij is erfgenaam van een geschiedschrijving die een verhaal vertelde waarop 'men’ trots kon zijn. Vandaar dat de natie in zo'n verhaal traditioneel van oeroude, heldhaftige wortels werd voorzien. Zoals de Spanjaarden terugkeerden naar Hercules en de Goten, zo herleidden de Nederlanders hun afkomst tot Julius Civilis en de Bataven. Mietjes waren die voorvaderen nooit. Integendeel. Ze waren mannetjesputters - net als hun nakomelingen.
De heldhaftige lijn van de vaderlandse mythologie werd ook getrokken als tegenslagen ter sprake kwamen, oorlogen, natuurrampen, epidemieën en dood. Op de een of andere manier werd aan dergelijke gebeurtenissen altijd een positieve draai gegeven. Om Nederlands lievelingsonderwerp te noemen: water. Hoe vaak is wel niet verteld dat wij groot zijn geworden in de strijd daartegen, hoe vaak wel niet vermeld wat een magistrale ingenieurs we zijn? Van de vele slachtoffers die het water in de loop van eeuwen heeft gemaakt - denk alleen maar aan de middeleeuwse Elisabethvloed, een van honderden vergelijkbare overstromingen - wordt minder en zelfs liever niet gesproken. Het water werd overwonnen, het won zelden. Dit verklaart ook dat het in de witte canon tegelijk met de drooglegging van de Beemster ter sprake komt. 'Nederland heeft door menselijk ingrijpen in de natuur vorm gekregen’, staat er. Klopt. Maar wat betreft de eerste zestien of zeventien eeuwen van onze jaartelling zou de klemtoon anders moeten liggen. Jaar in, jaar uit werden onze voorouders in de natte gedeelten van het land door het water - er is geen ander woord voor - geteisterd.
Schaduwzijden komen nog minder vaak ter sprake als het om de bepalende momenten en personen van de vaderlandse geschiedenis gaat. Neem het verhaal van onze stadhouders en koningen. In de nationale canon wordt buiten oervader Willem van Oranje slechts één van hen genoemd: koning Willem I. Afgezien van de noodzakelijke feiten worden twee zaken over hem vermeld: zijn koopmanschap en zijn conflict met de Belgen. Dat hij dit laatste verloor, maakt dat het verhaal treurig eindigt: 'deed gedesillusioneerd afstand van de troon’. Maar negatief is het niet, zeker niet. Toch is er voor een negatief verhaal over Willem I heel wat te zeggen. Om te beginnen is er het feit, ja feit, dat hij een notoire draaikont was die ziel en zaligheid steeds weer aan de hoogste bieder verkocht. Zo begon hij zijn carrière als kapitein-generaal in de strijd tegen de Fransen. Maar nadat deze gewonnen hadden, sloot hij zich bij hen aan. In 1806 liep hij weer over naar de Pruisen en streed hij opnieuw tegen de Fransen. Toen deze wederom wonnen, wisselde Willem nogmaals van kamp. Na de definitieve nederlaag van Napoleon koos hij voor het laatst voor de winnaar, ditmaal voor de invloedrijke Engelsen. Dat was een slimme zet, want zij waren er in eerste instantie verantwoordelijk voor dat hij koning van Nederland werd.
Niet veel fraaier is het verhaal van Willems economisch beleid. Beter gezegd, het is wel fraai maar dan toch vooral voor hemzelf. Want terwijl hij zijn koninklijke loopbaan min of meer berooid begon, liet hij bij zijn dood een Kadhafi-achtig vermogen na - de cijfers lopen uiteen van dertig tot tweehonderd miljoen (gulden). Dat was veel, heel veel. Ten slotte is er minpuntje nummer drie uit de loopbaan van onze tweede Vader des Vaderlands en eerste koning: zijn onwil om tegen beter weten in toe te geven aan het Belgische verlangen naar onafhankelijkheid. Om die reden hield Willem jarenlang een onbetaalbaar leger op de been. Daarmee bracht hij het koninkrijk financieel aan de rand van de afgrond. Dat was des te pijnlijker omdat die afgrond schril afstak tegen ’s mans eigen vermogen. Verdient Willem I om deze redenen, zoals her en der te lezen is, het predicaat boef en collaborateur? Nee, dat gaat te ver. Tegelijkertijd is het ook onjuist om hem als trots der natie te presenteren. Hetzelfde geldt overigens enkelen van zijn voorlopers c.q. 'nazaten’, Maurits onder meer, Willem III ('koning gorilla’) en natuurlijk prins Bernhard. Boeven waren zij niet maar voorbeelden? Nou nee.
Het klassieke bezwaar tegen historische veroordelingen is dat ze gemakzuchtig zijn, want onvoldoende rekening houden met de in andere culturen of tijden geldende normen. Hoewel dat tot op grote hoogte juist is, raakt het lang niet altijd de kern van de zaak. Een van de redenen daarvan is dat geschiedschrijving slechts ten dele over het verleden gaat. Zoals de woorden van Huizinga ook suggereren, gaat zij eveneens en misschien nog wel meer over het heden. Geschiedschrijvers hebben er vanzelfsprekend belang bij dit te ontkennen. Wat is hun verhaal waard als het niet of slechts ten dele is wat het voorgeeft te zijn oftewel evenzeer de actuele als de verleden tijd betreft? Weinig. En dus verzetten historici zich met hand en tand tegen de gedachte dat hun weergave van het verleden diep gekleurd zou zijn door de eigenzinnigheden van het heden. Aan het feit verandert dat verzet niets.
Geschiedschrijving is te meer gemaskeerde actualiteit als zij van overheidswege gestimuleerd wordt. Want overheden zijn niet geïnteresseerd in het verleden. Zij gebruiken het. In een moderne democratie gebeurt dat weliswaar minder opzichtig dan voorheen, maar de verschillen zijn relatief. De belangrijkste vraag met betrekking tot dergelijke geschiedschrijving is dan ook niet of zij juist of onjuist is, de belangrijkste vraag is waarom zij wordt aanvaard. Het antwoord is in laatste instantie simpel. Het is een kwestie van macht of, moderner gezegd, peer pressure. Om die reden worden nationale geschiedenissen evenals vaderlandse canons veelal samengesteld en gepropageerd door mannen en vrouwen die hoog in de wetenschappelijke of maatschappelijke boom zitten. Daardoor krijgen ze gelijk. Dat is iets anders dan gelijk hebben.
Tot slot is er een derde en wat mij betreft belangrijkste reden om bezwaar aan te tekenen tegen het vermeend anachronisme van (sommige, niet alle) historische veroordelingen: dat in vele gevallen de kritiek in eigen tijd ook al te horen was. Weliswaar was het bijna altijd een minderheid die protesteerde, maar toch, geprotesteerd werd er. Jan Pieterszoon Coen werd ook door sommigen van zijn tijdgenoten als een bruut beschouwd, de executie van Oldenbarnevelt is vanaf het eerste moment betreurd, de slavenhandel heeft altijd tegenstanders gekend, over het cultuurstelsel is voortdurend gedebatteerd, voor de jodenvervolging is scherp gewaarschuwd, het naoorlogs antisemitisme werd ook in zijn tijd aan de kaak gesteld, het optreden tegen moffenmeiden en collaborateurs is uitvoerig bekritiseerd, de politionele acties zijn door een minderheid meteen veroordeeld, Srebrenica is altijd onderwerp van debat geweest, om van de moorden op Fortuyn en Van Gogh nog maar te zwijgen. In al deze gevallen, zo kun je bij nader inzien vaststellen, liepen niet de critici maar de tijdgenoten uit de pas. Moreel gezien althans.

ZEKER in de afgelopen twintig jaar zijn er, zowel in Nederland als elders, tal van barstjes en barsten gesprongen in de nationale zelfbeelden. De meeste van die barstjes betroffen de gebeurtenis die in zo goed als alle Europese landen diepe sporen heeft nagelaten: de Tweede Wereldoorlog. Denk wat Nederland betreft alleen maar aan de pijnlijke verhalen over het naoorlogs antisemitisme, aan het besef van het in verhouding grote aantal vermoorde joden en aan de naoorlogse omgang met de erfenissen van die tijdens de oorlog omgekomen landgenoten. Een gevolg van de groeiende kloof tussen beeld en werkelijkheid was dat hoogwaardigheidsbekleders zich opmerkelijk vaak begonnen te verontschuldigen - hoewel ze uit angst voor herstelclaims ook voorzichtig bleven. Wat het oorlogsverhaal betreft bleven die verontschuldigingen niet beperkt tot joden maar gingen ook over Sinti en Roma, Indische Nederlanders en andere groepen of onderwerpen. Tegelijkertijd klonken steeds luider verontschuldigingen over andere historische gebeurtenissen zoals slavernij, kolonisatie en Srebrenica.
Eind twintigste, begin 21ste eeuw was de hierdoor ontstane sorry-cultuur zo ver doorgedrongen dat een sceptische, zo je wilt 'grijze’ geschiedenis van het vaderlands verleden in de lijn der verwachtingen lag. De kans daarop werd nog vergroot door de moorden op Fortuyn en Van Gogh, plus het op hetzelfde moment doordringend besef dat de Nederlandse samenleving heel wat minder tolerant stond tegenover (alleen het woord al) 'allochtonen’ dan de nationale mythe wilde. Maar zoals zo vaak nam de geschiedenis ook in dit geval een ironische wending en gebeurde precies het tegenovergestelde van wat je zou verwachten. In plaats van een relativerend verhaal over het eigen verleden volgden ophef over onze VOC-mentaliteit, een lovende canon en grootse plannen voor een nationaal museum.
In een gecompliceerde, zo je wilt multiculturele of geglobaliseerde samenleving als de onze heeft een nationale geschiedenis alleen nog bestaansrecht als zij rekening houdt met vele, vaak onverenigbare stemmen. Trots op de VOC-mentaliteit is geoorloofd als tegelijkertijd wordt verteld hoeveel verdriet diezelfde mentaliteit heeft aangericht. Heldenverhalen mogen als die van de lafbekken en schoften maar niet vergeten worden. Tegenover het opgeheven vingertje staat Srebrenica, tegenover de vermeende principiële tolerantie het besef dat de koopmanswinst hierbij gebaat was. Het zoet en het zuur, ze horen bij elkaar. Vandaar deze oproep voor een zwarte canon. Hij is, nogmaals, niets meer dan een poging het nationale verhaal beter in balans te brengen.
In de navolgende pagina’s wordt een tiental ramen van de zwarte canon uitgewerkt. Bedoeling is na enige tijd en in overleg met velen, onder meer via moderne media, een definitieve zwarte canon vast te stellen, daarvan een boekje te maken en vervolgens middelen en mogelijkheden te zoeken om de schaduwzijden van de vaderlandse cultuur op de daartoe geëigende plekken ook daadwerkelijk aanschouwelijk te maken: zwarte monumenten, een mooier teken van beschaving kan ik me niet voorstellen.

1. De martelaren van Gorcum
Traditioneel opent het verhaal van de Nederlandse natie met de moordpartij van een slechte buitenlander op de Vader des Vaderlands. Veel minder bekend en in het nationaal verhaal zelfs zelden vermeld is dat aan de basis van de vaderlandse geschiedenis ook andere moordpartijen staan, begaan door 'vrienden’ van Willem van Oranje. Het zijn er heel wat geweest, hoeveel weten we niet maar de bekendste ervan is zonder twijfel die van de zogenoemde martelaren van Gorcum. Hun verhaal onderscheidt zich niet wezenlijk van andere martelpartijen uit de geschiedenis en hoeft daarom ook niet uitvoerig verhaald te worden. Hoe op 9 juli 1572, helemaal aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog, vlak bij Den Briel negentien geestelijken aan een schuurbalk werden opgehangen. Dit gebeurde nadat ze gedurende een dag of tien onbeschrijflijke vernederingen en martelingen hadden ondergaan. Zelfs na hun dood gingen de wreedheden nog door. Zo werden de pijen van de mannen verkocht als spotrelieken, werden hun neuzen, oren en penissen afgesneden om de hoeden van de Geuzen te sieren en werd het vet uit hun lichaam gehaald om geneeskrachtige zalf te maken. Oorlogsmisdaad, er is anno 2012 geen ander woord voor.
Hoewel het verhaal van de martelaren bijna meteen opgetekend werd (vandaar dat we zo veel details kennen), duurde het tot de negentiende eeuw, de emancipatie van het katholieke volksdeel en de bemoeienis van het Vaticaan dat het ook in Nederland bekend werd. Maar écht doordringen deed het niet. Erkenning van de oorlogsmisdaad van de Geuzen werd immers als een ontkenning van de Opstand en dus van de Nederlandse natie beschouwd. Vandaar dat de belangrijkste biografen van de martelaren, de zeventiende-eeuwse gebroeders Van Est, tweehonderd jaar later nog te horen kregen dat ze geen Nederlanders waren: 'hij (in plaats van zij - cvdh) schrijve Hollandsch of Latijn, het is tzelfde… hij behoort Rome alleen’. Alleen in katholieke kring drong het verhaal van de martelaren door. Niet voor lang. Ontzuiling en ontkerkelijking deden het vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw opnieuw vergeten. Dat kwam goed uit: het is niet vleiend.

2. De executie van Oldenbarnevelt
Ook niet vleiend voor de vaderlandse herinnering is de executie van raadpensionaris Oldenbarnevelt op 13 mei 1619, uitkomst van een ingewikkeld conflict tussen staats- en prinsgezinden, (religieus) rekkelijken en preciezen, Holland en de rest. De schandvlek verklaart vermoedelijk dat de executie de witte canon niet haalde, net zo min overigens als de moord die ruim een halve eeuw later plaatsvond: op de gebroeders De Witt.
Rembrandt, Huygens, Hugo de Groot en Michiel de Ruyter staan daarentegen wél op de canon. Met enige kwade wil zou je dan ook kunnen suggereren dat de makers van de canon niet alleen hoogtepunten beklemtonen maar ook nog in de orangistische traditie staan en instemmen met een mening als die van de uiterst conservatieve schrijver en historicus Carel Gerretson die vlak voor zijn dood (1958) nog beweerde dat de executie van Oldenbarnevelt 'geen schandvlek op maar een schoone bladzijde uit ons Historieboek’ was. Her en der klinken dergelijke woorden nog altijd. Zo ook op een (niet-officiële) internetpagina over Den Haag. Daar staat: 'Er zijn mensen die hem (Oldenbarnevelt - cvdh) de grootste Nederlandse staatsman vinden. Zij vergeten daarbij dat hij niet veel om de levens van burgers en soldaten gaf en - tegen het advies van Maurits en andere militairen in - duizenden de dood in joeg op het strand bij Nieuwpoort. Bovendien wilde hij na de dood van de Franse koning Hendrik Nederlandse troepen inzetten tegen protestantse Fransen, omdat dat politiek gezien goed uitkwam.’ Alsof dergelijke 'fouten’ een politieke moord rechtvaardigen.
Toch is tegenwoordig bijna iedereen het eens met de onlangs gestorven kenner van de zeventiende-eeuwse geschiedenis Arie van Deursen, die in een recent boek over Maurits, de prins die verantwoordelijk was voor de executie, schreef dat de denkbeeldige rechtbank der geschiedenis 'ondubbelzinnig het schuldig [zou] uitspreken’. Dit oordeel wordt echter nergens in de openbare ruimte erkend. Op het beeld van Oldenbarnevelt aan de Lange Vijverberg in Den Haag zit de oude man rustig en wijs in zijn stoel - alsof hij toeziet op het land dat het zijne is. Op het beeld in Rotterdam is hij net uit zijn stoel opgestaan. Ook daar niets dan rust en beheersing. In Amersfoort kijkt hij jong en verlangend naar een leeuw: Nederland, zijn toekomst. Nergens de suggestie dat het beest hem zou verscheuren.

3. Coen & de VOC-mentaliteit
Het is een onvergetelijk moment: hoe premier Balkenende tijdens de algemene beschouwingen van 2006 Femke Halsema pareerde met een onversaagde verwijzing naar het vaderlands verleden en zei: 'Ik begrijp niet waarom u hier zo negatief en vervelend over doet. Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch.’ Hoewel uit dit laatste woordje enige twijfel spreekt, was het geheel conform de boodschap die Nederlandse bestuurders eeuwenlang verkondigd hadden: dat een klein land groot kon zijn; dat wij 'jongens van Jan de Witt’ waren (die, voor wie het even vergeten was, door diezelfde 'wij’ vermoord was); en dat we niet 'dispereerden’, om het beroemde, door Wilhelmina in mei 1940 herhaalde woord van Jan Pieterszoon Coen nog maar eens aan te halen. Mannen! Dat waren we niet alleen geweest, dat waren we nog altijd, de premier voorop.
Maar er was een 'toch’, inderdaad. Balkenende liet het even vallen, Jan Marijnissen werkte het tijdens dezelfde beschouwingen uit: dat niet vergeten mocht worden dat er nogal wat keerzijden aan die VOC-mentaliteit zaten en dat men in Afrika (?) vreemd zou opkijken als Nederland probeerde terug te keren naar tijden van weleer.
De persoon die het sterkst geassocieerd wordt met de negatieve kanten van de VOC is J.P. Coen, vierde gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en belangrijkste grondlegger van het Nederlandse monopolie ter plekke. Hij heerste met stalen hand. Dat ervoeren met name de bewoners van een aantal Molukse eilanden, de zogenoemde Bandanezen. In strijd met de Engelsen over de nootmuskaathandel besloot Coen dat de VOC alleen kon slagen als de bevolking van de eilanden waar het spul gekweekt werd 'verdween’. Zo gebeurde. De cijfers zijn discutabel, maar over het algemeen gaat men ervan uit dat van de circa vijftienduizend Bandanezen niet meer dan vijfhonderd of zeshonderd in leven bleven. Genocide, het is niet anders te noemen.
Niet alleen als vertegenwoordiger van de VOC, ook als privé-persoon was Coen een bruut. Dit wordt bewezen door de niet minder kwalijke affaire Sara Specx. Het kind, twaalf jaar jong, werd in Coens huis betrapt op een vrijpartijtje met een zestienjarige vaandrig. Er volgde geen pardon. Het meisje werd publiekelijk gegeseld, de jongen onthoofd. Overigens is opmerkelijk dat zowel de uitroeiing van de Bandanezen als de bestraffing van Sara Specx en haar vrijer ook destijds scherp veroordeeld werd. Niks anachronisme, zuiver inzicht.
Gedrag als dat van J.P. Coen maakt het anno 2012 onmogelijk zonder meer met trots over de VOC te spreken. Dit verklaart ook het geruzie op dit moment in Hoorn over het standbeeld van de man. Door geklungel viel het afgelopen zomer van zijn sokkel. Deze spontane schuldbekentenis was voor een aantal inwoners reden een oude wens kracht bij te zetten: 'geen standbeeld voor een moordenaar’. Dit gaat de gemeente te ver. Zij liet het beeld restaureren en zette het in oktober weer op z'n plek. Wel werd afgesproken dat het van een betere tekst voorzien zou worden. Tot op heden is dat nog niet gebeurd. En als het gebeurt, aldus degenen die de verwikkelingen op de voet volgen, dan zal het omzichtig zijn. Coen is en blijft een held, toch?

4. Slavenhandel
In juli 2002 kreeg Nederland een Slavenmonument. Terecht. Over het fenomeen bestaat geen verschil van mening: slavernij is taboe. Vandaar ook dat zij (slavernij is vreemd genoeg vrouwelijk) als een van de (slechts) twee onmiskenbare schaduwvlekken uit het vaderlands verleden op de witte canon voorkomt. Toch is met de publieke schaamte over het slavernijverleden lang niet alles en volgens velen zelfs onvoldoende gezegd. Het blijkt voortdurend. Zo liepen de zaken bij de onthulling van het monument in het Amsterdamse Oosterpark in 2002 behoorlijk uit de hand. Aanleiding was dat degenen die zichzelf als erfgenamen van de slaven beschouwden op een afstand werden gehouden terwijl 'de blanken’ vooraan stonden. Gevolg: chaos, geschreeuw en politiecharges. Dat was des te pijnlijker omdat aan de andere kant van de afrastering verheven woorden klonken over vrijheid en mensenrechten. Het is niet het enige pijnpunt. Zo menen de pleitbezorgers dat het monument te veel achteraf staat, in de bosjes, terwijl het voor iedereen duidelijk te zien zou moeten zijn: slavernij is immers een schandvlek op de Nederlandse historie.
Hoe diep de verdeeldheid gaat, bleek afgelopen najaar naar aanleiding van een met veel bombarie gebrachte serie documentaires van de NTR. Volgens een man als Sandew Hira was hier simpelweg sprake van een witwasproces. In een uitvoerige, onlangs via het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis gebundelde reeks commentaren (http://goo.gl/rGLKV) maakt hij gehakt van de programma’s en de daarvoor verantwoordelijke personen, onder wie de hoogleraren Gert Oostindie, Alex van Stipriaan en Henk den Heijer. 'In de slavernijserie van vijf afleveringen vertelt de blanke Daphne Bunskoek het verhaal en gaat de zwarte Roué Verveer op zoek naar zijn roots. De rolverdeling is dat de zwarte man (Verveer) niets weet over zijn geschiedenis en dat de witte vrouw (Bunskoek) die uitlegt. Daphne is de slimme Sjors en Roué de naïeve, onwetende en bijna domme Sjimmie. Het is alsof de Duitsers aan de joden vertellen wat de holocaust was en dat het allemaal wel meeviel.’ Dat deed het niet, betoogt Hira keer op keer. Slavernij viel niet mee. Er is geen rechtvaardiging voor. Het daardoor ontstane leed is onbeschrijflijk. Vandaar dat slechts één reactie aanvaardbaar is: erkennen.

5. Cultuurstelsel & koelies
Begin negentiende eeuw introduceerden de Nederlanders in Nederlands-Indië, in het bijzonder op Java, het zogenoemde Cultuurstelsel. In zijn meest rudimentaire vorm verplichtte het de inheemse bevolking zo'n twintig procent van haar grond te verbouwen met producten die door de overheid waren aangewezen. Daarbij ging het in de meeste gevallen om suiker, koffie en indigo, bestemd voor de Europese markt. Boeren die geen (geschikte) grond bezaten, werden verplicht gedurende 66 dagen per jaar herendiensten te verrichten, dat wil zeggen te werken op land dat niet van hen was. Een 'magistrale’ zet van de bedenkers van het stelsel was dat zij de inheemse elite in de winst liet meedelen en daarmee verantwoordelijkheid gaf. Het maakte verzet door de bevolking zo goed als onmogelijk. Tegelijkertijd vergrootte het de druk op de bevolking.
Multatuli was een van de velen die de doortrapte slimheid hiervan doorzag. Zie bijvoorbeeld zijn beschrijving in een brochure die twee jaar na publicatie van Max Havelaar (1860) verscheen. 'De Gouverneur-Generaal houdt een teugel in handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdelen, welker splitsing weer opnieuw onderscheiden lynen en kooorden daarstelt, die - weer op hún beurt gesplitst - zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weerverdeling ten laatste elk individu bereiken, in-toom-houden, dwingen… dat is: regeren. Welnu verander al die lynen in buizen, zet de twaalf miljoen dunne twintigmaal onderverdeelde buisjes op de borst van twaalf miljoen Javanen, breng een zuiger, een flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna… POMP, POMP, POMP, zeg ik u. POMP voor den duivel… en voor NEDERLAND. Dát is ’t Kultuurstelsel.’
In de tweede helft van de negentiende eeuw klonk er zo veel kritiek dat het stelsel bezweek, dat wil zeggen dat er een eind werd gemaakt aan de overheidsbemoeienis. Dit betekende echter niet dat de bevolking het beter kreeg. Het betekende in de meeste gevallen dat onderdrukking door de staat plaatsmaakte voor onderdrukking door vrije ondernemers. Opnieuw duurde het tientallen jaren tot dit aan de kaak werd gesteld. Dat gebeurde om te beginnen in een pamflet van een Nederlandse advocaat uit Medan, J. van den Brand: De miljoenen van Deli. De hierin vertelde verhalen waren dermate schokkend dat de regering een onderzoek gelastte. Het werd uitgevoerd door een officier van justitie met de naam Rhemrev, in 1904 aan de regering gepresenteerd, en het bevestigde de verhalen. Dat was echter geen reden iets te ondernemen, integendeel. Het rapport verdween in een la waaruit het pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw te voorschijn kwam. Toen ook spoorde het Rudy Kousbroek aan tot een woedend J'accuse.

6. Omgang met de joodse landgenoten
Nederland heeft de naam een tolerante natie te zijn. Een van de achtergronden hiervan is de wijze waarop omgegaan is met de joodse minderheid. Alom vervolgd vond zij in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën een veilig heenkomen, verwierf in de napoleontische tijd volledig burgerrecht en leefde voortaan onbevreesd en onbedreigd. Dat veranderde pas met de komst van de nazi’s. Aldus het tot voor een jaar of twintig dominante beeld. Tegenwoordig is daar zo weinig van over dat een goed seismograaf van de publieke opinie als Geert Wilders excuses voor de slappe houding van de Nederlandse regering ten aanzien van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog bepleit.
Terwijl het pleidooi van Wilders ver verwijderd is van het klassieke beeld is het niet verrassend omdat het in het verlengde ligt van 'onthullingen’ uit de afgelopen twintig jaar. Eind jaren tachtig stond een tijdlang het naoorlogs antisemitisme in het nieuws. Vervolgens was er nogal wat ophef over het feit dat er in Nederland in verhouding zo veel joden omgekomen waren. Daarop, eind 1997, volgden de twee 'Groene-rellen’: eerst de ontdekking van het Liro-archief op een zolder in Amsterdam, vervolgens het verhaal over de verkoop 'voor een prikkie’ van sieraden van vermoorde joden aan ambtenaren. Kort hierna was er ophef over de gênante omgang van de Nederlandse staat met de erfenis van de vermoorde joden. Uiteindelijk volgde gedoe over de opvang van tijdens de oorlog ondergedoken kinderen en de afrekening van hun erfenissen.
In het verlengde van dit laatste ligt ook de oproep van Wilders. Aanleiding ertoe is het boek van een man die tijdens de oorlog kind was en zich in de afgelopen jaren uitvoerig heeft beziggehouden met de restitutie van gelden en goederen van vermoorde joden, Manfred Gerstenfeld. In zijn boek houden de voormalige ministers Els Borst en Gerrit Zalm een pleidooi voor wat Kok ruim tien jaar geleden naliet: excuses aanbieden. Het is koren op Wilders’ molen.
Zoals alle zaken op de zwarte canon is ook die van de Nederlandse omgang met de shoah ingewikkeld. In dit geval is dat te meer zo omdat de kwestie actueel en niet zonder belangen is. Tegelijkertijd is het niet moeilijk in te zien dat het optreden van de overheid met betrekking tot de joodse minderheid zowel tijdens als na de oorlog geen pluim verdient. Er is in de afgelopen jaren veel goedgemaakt, maar het zou geen kwaad kunnen publiekelijk te erkennen dat alle pogingen tekortschieten.

7. Naoorlogse kampen & moffenmeiden
Er heeft tot op heden van overheidswege weinig bereidheid bestaan de naoorlogse omgang met collaborateurs en liefjes van Duitse soldaten als een schandvlek te erkennen. Eigen schuld, dikke bult. Aldus in vier woorden de heersende opinie. Bovendien werd de behandeling van 'de fouten’ stilzwijgend steeds weer afgezet tegen het lot dat de slachtoffers van het nazisme had getroffen. Het een valt bij het ander onmiskenbaar in het niet. Toch is het niet moeilijk in te zien dat in beide gevallen sprake was van schending van mensenrechten, de ene vreselijk, massaal en systematisch, de andere kwalijk, veel minder massaal en incidenteel. Aan de feiten verandert het niets. Mensenrechten zijn mensenrechten, schendingen zijn schendingen en deze dienen in alle gevallen aan de kaak te worden gesteld. Leedmeten leidt tot labyrintische verwikkelingen, alleen een principieel standpunt biedt soelaas. Ook na de oorlog waren er heel wat personen die zo dachten en zich daarom ook meteen verzetten tegen de vernederende behandeling van mensen die zich met de vijand hadden ingegeven. Zoals altijd vormden zij een minderheid, maar toch, ze waren er.
Om te beginnen de behandeling van de zogenoemde moffenmeiden. We hebben geen idee hoeveel meisjes en vrouwen in de eerste dagen en weken na de bevrijding opgepakt, kaalgeschoren, met pek besmeurd of anderszins mishandeld zijn. Schaamte, zowel bij de daders als bij de slachtoffers, is een van de redenen van deze onbekendheid. Een andere reden is dat niemand destijds bijgehouden heeft wat gebeurde. Het ging zogenaamd spontaan, duurde veelal kort en werd spoedig van alle kanten bekritiseerd. Dit neemt niet weg dat de indruk bestaat dat kaalscheren en anderszins vernederen op grote schaal hebben plaatsgevonden. De historica die het onderwerp het best heeft onderzocht, Monika Diederichs, achterhaalde 113 dorpen en steden, verspreid over heel het land, waarvan vaststaat dat er kaal werd geschoren. Er is geen reden te veronderstellen dat haar inventarisatie volledig is.
Veel meer dan over de omgang met de liefjes van Duitse soldaten is bekend over de behandeling van politieke delinquenten of degenen die van een dergelijke delinquentie verdacht werden. De belangrijkste reden hiervan is vermoedelijk dat die behandeling al vrij snel in brochures en artikelen aan de kaak werd gesteld en van overheidswege onderzocht werd - in de parlementaire enquête naar het regeringsbeleid. Weliswaar concludeerde dit onderzoek dat de mishandelingen minder systematisch en minder ernstig waren dan in sommige geschriften werd beweerd, her en der (in de Harskamp, in Scheveningen, op de Levantkade in Amsterdam en in Vlaardingen) hadden zich taferelen afgespeeld die het nieuwe, vrije, democratische Nederland onwaardig waren. Sinds kort wordt hiernaar veel onderzoek verricht. Het bevestigt wat we wisten: een zwarte bladzijde.

8. Politionele acties
In de afgelopen maanden is er weer veel aandacht geweest voor de zogenaamde politionele acties die tussen 1947 en 1949 in de jonge staat Indonesië werden gehouden. 'Zogenaamd’ is in dit geval een noodzakelijke toevoeging, want er was geen sprake van politie maar van militairen. Het begrip 'politioneel’ werd alleen gebruikt om het ingrijpen een legaal tintje te geven: Vadertje Staat die even orde op zaken kwam stellen, opstandige pubers een draai om de oren verkocht en de rest van de bevolking hielp bij de wederopbouw van het vanwege de Japanse bezetting verwoeste land. Aldus het beeld. Feitelijk was er natuurlijk iets geheel anders aan de hand: een onontwarbare kluwen van dekolonisatie, rekolonisatie, (guerrilla)oorlog, veranderende internationale verhoudingen en een zoveelste fase in traditioneel machtsmisbruik.
Hoewel er over dit machtsmisbruik ook destijds al ophef ontstond en de gebeurtenissen in Rawagede, op West-Java, door de Verenigde Naties zelfs meteen officieel veroordeeld werden, duurde het tot eind jaren zestig dat de Nederlandse overheid meende dat de doofpot niet langer gesloten kon blijven. In feite was men al eerder van plan geweest aan sommige excessen, met name die van Raymond Westerling op Zuid-Celebes, ruchtbaarheid te geven, maar vrees dat de politiek verantwoordelijken niet buiten schot konden blijven leidde ertoe dat de betreffende rapporten in de spreekwoordelijke la van het Vaderlands Bureau voor Zwijgzaamheid en Witwaspraktijken belandden. Maar na het schokkende optreden van Joop Hueting in Achter het Nieuws van 17 januari 1969 was zwijgzaamheid niet langer mogelijk. Vandaar dat een commissie, waarin onder anderen Cees Fasseur zitting had, een half jaar later met de zogenoemde Excessennota kwam. Helaas (of misschien ook wel juist niet) verscheen die nota op een moment dat journalistiek Nederland andere zaken aan het hoofd had - een opstand op Curaçao. De nota belandde op een stapel.
Vervolgens duurde het nog eens een jaar of vijftien tot twintig, onder meer tot de publicatie van Ontsporing van geweld van Van Doorn en Hendrix in 1983 en de laatste delen van het Koninkrijk van Loe de Jong spoedig daarop, tot het debat daadwerkelijk losbrak. Dat het doorgaat tot op de dag van vandaag blijkt uit de recente ophef over de massamoord op 9 december 1947 in het dorp Rawagade. Daar werden bij een zoekactie naar een onafhankelijkheidsstrijder alle mannelijke inwoners, 431 in getal, vermoord. Juni vorig jaar kwam het naar aanleiding hiervan nog tot een proces in Den Haag, aangespannen door enkele weduwen van de slachtoffers. Hoewel de staat tijdens dat proces spijt betuigde, bleef hij op het standpunt dat de zaak verjaard was. Als tegemoetkoming werd een gebaar gemaakt, 850.000 euro ontwikkelingshulp. Maar de rechtbank stelde de eisers in het gelijk: oorlogsmisdaden verjaren niet. Om die reden kwam het ministerie van Buitenlandse Zaken in december jongstleden met de weduwen tot een schikking. Kort hierop, tijdens de 64-jarige herdenking van de gebeurtenissen, bood de Nederlandse ambassadeur in Indonesië ten overstaan van de media officieel zijn excuses aan. Het is twijfelachtig of hiermee het laatste woord is gezegd.

  1. Srebrenica Srebrenica, zomer 1995, is een trauma in de recente Nederlandse geschiedenis - een traumaatje moeten we eigenlijk zeggen, want het werkelijke trauma ligt natuurlijk elders. Het lijdt dan ook geen twijfel dat het laatste woord erover nog niet gesproken is. Zevenduizend doden, de ergste genocide op Europees grondgebied sinds de Tweede Wereldoorlog en dat onder het oog van het land dat onder meer dankzij Anne Frank internationaal de belangrijkste propagandist was van de gedachte dat zoiets 'nooit meer’ zou gebeuren. Buiten de canoncommissie van Van Oostrom is er dan ook niemand die vraagtekens zet bij de prominente plek van Srebrenica in de vaderlandse geschiedenisboeken. Er mogen nog zo veel argumenten te bedenken zijn waarom gebeurde wat gebeurde, er kunnen achter de namen van alle potentiële schuldigen vraagtekens worden gezet - de feiten staan. Het enige geruststellende teken met betrekking tot Srebrenica is dat het een kabinet deed sneuvelen - een kabinet dat de schuldvraag daardoor overigens wel weer ontliep. Verder valt hierover niets geruststellends te melden.

10. De moorden op Fortuyn en van Gogh
Tot slot van deze eerste tien pagina’s uit het zwartboek van de vaderlandse historie een zaak die zo mogelijk nog ingewikkelder ligt dan de voorgaande, want dag in, dag uit nog actueel: de moorden op Fortuyn en Van Gogh, mei 2002, respectievelijk november 2004. Die moorden zouden op deze plek niet thuishoren als ze, zoals een enkeling beweert, 'slechts’ het werk waren geweest van doorgedraaide gekken. Helaas klopt dat niet. Beide moorden waren politieke moorden en zijn dus van meer dan particuliere betekenis. In het eerste geval gaat het om een aanslag op een man die precies op dat moment Nederland op z'n kop zette, door de politieke elite werd gehaat en door een groot deel van 'het volk’ bewonderd. In het tweede geval betreft het een professionele rebel die een thema aansneed dat eveneens precies op dat moment alle aandacht vroeg: de verhouding tot de islam.
De verslagenheid in beide gevallen was daarom niet alleen groot vanwege de moorden zelf maar ook vanwege de onmacht, frustratie en woede die eraan ten grondslag lagen. Zo veel negativiteit was des te opvallender omdat zij contrasteerde met de positiviteit die Nederland had gekenmerkt in de jaren tot dan toe: de tijd van de drie P’s oftewel van Paars, Poldermodel en (een onuitputtelijke hoeveelheid) Pegels. Dat tijdperk was met de moorden op Fortuyn en Van Gogh voorbij. September 2001 vormt internationaal, mei 2002 nationaal het keerpunt. Dit laatste ligt ondertussen bijna tien jaar achter ons. Zoals iedereen weet en de meesten van ons aan den lijve ervaren, volgde daarop niet de beste periode uit onze geschiedenis.