Martelpraktijken in geheime CIA-gevangenissen

De zwarte gaten van de war on terror

President Barack Obama wil zo snel mogelijk breken met de ‘war on terror’ van zijn voorganger. De omstreden verhoormethoden van de CIA waren erger dan gedacht. Dat blijkt uit de onlangs vrijgegeven ‘martelmemo’s en een eerder uitgelekt Rode Kruis-rapport. En waar zijn de vermisten uit de geheime gevangenissen?

EEN VAN DE meest schrijnende erfenissen van de geheime oorlog tegen terreur is de vermissing van naar schatting twintig tot veertig personen die op enig moment in de geheime detentiecentra van de CIA hebben vastgezeten, aldus Joanne Mariner van Human Rights Watch (HRW). Ze moet voorzichtig zijn, omdat zeer moeilijk is na te gaan hoeveel mensen en wie precies er op de ‘black sites’ gevangen hebben gezeten. Samen met een aantal andere organisaties heeft HRW een lijst samengesteld van mensen die door getuigen zijn gezien in de geheime gevangenissen of van wie de Amerikaanse overheid zelf hun gevangenneming bekend heeft gemaakt. In andere gevallen zijn er alleen aanwijzingen.
Zo maakte president George W. Bush begin 2004 bekend dat Hassan Ghul in Irak was opgepakt. Hij zou lid zijn van al-Qaeda en in contact staan met Khalid Sheikh Mohammed, het brein achter de aanslagen van 11 september. Daarna werd niets meer van hem vernomen. Vreemd genoeg behoorde hij ook niet tot de gevangenen die op 6 september 2006 werden overgebracht naar Guantánamo Bay, toen president Bush het bestaan van de geheime CIA-gevangenissen toegaf en verklaarde dat de laatste gedetineerden van de black sites naar het gevangenenkamp op Cuba werden overgebracht. Totdat mensenrechtenorganisaties zijn naam ontdekten in een van de onlangs door president Obama vrijgegeven ‘martelmemo’s’. Ghul weerstond de ondervragingsmethoden van de CIA, zo is te lezen, en daarom werd besloten ‘subtielere’ methoden toe te passen, zoals het manipuleren van zijn voedsel, het verlagen van zijn lichaamstemperatuur door hem met koud water te overgieten en het toedienen van klappen in de onderbuik om hem aan het praten te krijgen. Zijn naam is steeds weggelakt in het memo, maar in één geval is dat vergeten. Een nieuw bewijs dat de Amerikanen hem in handen hadden.
In 2003 berichtte de regering-Bush dat Yassir al-Jazeeri in Pakistan gevangen was genomen. Hij zou tot de top van al-Qaeda behoren. Ex-gevangenen getuigden tegenover Joanne Mariner dat Al-Jazeeri gevangen werd gehouden op een door de CIA bewaakte geheime afdeling van de militaire luchthaven Bagram in Afghanistan. Een van deze getuigen verklaarde dat Al-Jazeeri permanent letsel aan een arm heeft door de martelingen die hij heeft ondergaan. Hij werd voor het laatst gezien in Bagram in juni 2006, daarna werd niets meer van hem vernomen. Human Rights Watch heeft aanwijzingen dat hij op een geheime locatie in Algerije wordt vastgehouden.
De gevangenneming van Issa Tanzania wordt beschreven in een rapport van de International Crisis Group. Somalische krijgsheren overmeesterden hem in de hoofdstad Mogadishu en overhandigden hem tegen betaling aan de CIA op een landingsbaan net buiten de stad. Vermoedelijk werd hij overgebracht naar een detentiekamp in Djibouti, waar de Amerikanen na 11 september een legerbasis inrichtten, Camp Lemonier, om de dreiging van terrorisme in de Hoorn van Afrika te bestrijden. Geheel in lijn met de logica van de terreurbestrijders ligt de faciliteit net buiten de basis, zodat deze niet onder Amerikaanse jurisdictie valt. Issa Tanzania wordt verdacht van betrokkenheid bij een van de eerste grote aanslagen van al-Qaeda, die op de Amerikaanse ambassades in Dar-es-Salaam en Nairobi in 1998, waarbij honderden doden vielen. Getuigen verklaren dat ze Issa Tanzania op ten minste twee geheime locaties in Afghanistan hebben gezien of gesproken. Hij was zo ernstig gemarteld dat beide armen waren gebroken en hij werd met de achterkant van een geweer op zijn hoofd geslagen – verhoormethoden die overigens in geen enkele van de vrijgegeven memo’s worden beschreven. In zijn toespraak van september 2006 verklaarde president Bush dat een van de plegers van de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in 1998 werd opgepakt. Waarschijnlijk bedoelde hij Issa Tanzania. Maar niemand weet waar hij zich op dit moment bevindt en of hij nog in leven is.
Clive Stafford Smith, directeur van de mensenrechtenorganisatie Reprieve en advocaat van een groot aantal terreurverdachten, noemt Shaykh al-Libi als een ander voorbeeld: ‘Al-Libi vertelde, nadat hij was gemarteld, dat er samenwerking bestond tussen al-Qaeda en het regime van Saddam Hoessein op het gebied van massavernietigingswapens. President Bush gebruikte in een van zijn toespraken de bekentenis van Al-Libi als argument om Irak aan te vallen. We weten allemaal dat dat valse informatie was. De reden dat hij nog steeds wordt vermist, denken wij, is dat hij de Amerikaanse regering ernstig in verlegenheid kan brengen.’ Al-Libi zou in Egypte hebben vastgezeten, ABC News berichtte in 2005 dat hij een van de gevangenen was die in een geheime CIA-faciliteit in Polen zouden zijn vastgehouden en ondervraagd. Al-Libi was niet onder de gevangenen die naar Guantánamo werden overgebracht, toen Amerika zijn black sites leegmaakte. ‘We hebben aanwijzingen dat hij op een geheime plek in Libië wordt vastgehouden, waar de Amerikanen hem als menselijk afval hebben gedumpt,’ zegt Stafford Smith.

OVER EEN AANTAL vermisten bestaan kortom vermoedens dat ze op geheime locaties in landen als Syrië, Jordanië, Libië en Egypte worden vastgehouden, maar het blijft mogelijk dat sommigen het niet hebben overleefd. ‘We hebben geen aanwijzingen dat gevangenen in detentie zijn gestorven, maar we mogen het ook niet uitsluiten’, zegt Joanne Mariner van HRW. In Abu Ghraib in Irak en in Afghanistan zijn gevangenen als gevolg van de ondervragingen overleden.
‘In geheime gevangenissen is het risico dat je wordt gemarteld groter dan elders en de kans dat iemand verdwijnt dus ook’, stelt Manfred Nowak, VN-rapporteur inzake marteling. Hij houdt er rekening mee dat dat het geval is in de geheime oorlog tegen terreur. ‘Verdwijning op zichzelf is al een grove mensenrechtenschending. Amerika is dan hoofdverantwoordelijke, samen met de landen die onderdak hebben geboden aan deze black sites.’ Hij acht het van het grootste belang dat Amerika opheldering verschaft over de verdwijning van deze mensen: ‘Alle feiten over de “war on terror” moeten boven tafel. Er moet een onafhankelijk onderzoek komen door een commissie die tot iedereen en alles toegang heeft en alle documenten mag inzien. Vervolgens moeten de slachtoffers schadeloos worden gesteld. Vooralsnog heeft geen enkele verdachte die ten onrechte heeft vastgezeten enige vergoeding gekregen. En als verdragspartij van de Conventie tegen Marteling van de VN moet Amerika strafvervolging instellen. Ook tegen de CIA-ondervragers die Obama niet wil vervolgen.’ Dat betekent volgens Nowak dat onderzoekers ook toegang moeten krijgen tot de black sites.
Hoewel Nowak uit hoofde van zijn functie inmiddels veel over de CIA-verhoormethoden weet, is hij geshockeerd door de beschrijvingen, hoe miniem ook, in de vrijgegeven ‘martelmemo’s’. Hij noemt de methoden ‘middeleeuws’.

DE VRIJGEGEVEN martelmemo’s geven samen met een eerder uitgelekt rapport van het Rode Kruis een unieke inkijk in de Amerikaanse werkwijze en de legitimatie van de verhoormethoden. Het Rode Kruis kreeg voor het eerst toegang tot veertien verdachten, toen die, na de beruchte toespraak van president Bush in september 2006, vanuit geheime gevangenissen werden overgebracht naar Guantánamo Bay. Een van hen was Abu Zubaydah. Hij werd in maart 2002 gevangen genomen in Pakistan. Hij zou leiding hebben gegeven aan de trainingskampen van al-Qaeda en aan het hoofd staan van de inlichtingendienst van de terreurorganisatie. Bij zijn gevangenneming raakte hij gewond. Volgens het rapport van het Rode Kruis werd hij de eerste vierenhalve maand hard ondervraagd, daarna pas begonnen de martelingen. Volgens een van de ‘martelmemo’s’ werkte Zubaydah niet mee, waarop de CIA-ondervragers toestemming vroegen voor verdergaande verhoormethoden. Uit het memo blijkt dat de CIA zelf onderzoek deed naar de methoden en de argumentatie voor de rechtvaardiging ervan er meteen bij leverde. Zonder enige vorm van eigen onderzoek namen de juristen van het ministerie van Justitie die argumentatie over en gaven toestemming.
Zo werd er voorgesteld om Zubaydah te onderwerpen aan ‘waterboarding’, een methode waarbij de verdachte het gevoel heeft dat hij verdrinkt. Het argument luidde dat de methode in de opleiding voor bijvoorbeeld gevechtspiloten wordt gehanteerd om ze bestand te laten zijn tegen verhoormethoden van de vijand als ze worden neergeschoten. Deze training, die bekendstaat onder de naam SERE (Survival, Evasion, Resistance, Escape), zouden volgens het martelmemo 26.829 Amerikaanse soldaten tussen 1992 en 2001 hebben gekregen.
Het CIA-ondervragingsteam kreeg toestemming voor waterboarding-sessies van maximaal twintig minuten met tussenpozen, mits ze geen lichamelijke of psychologische gevolgen zouden hebben. In een van de memo’s uit 2005, drie jaar later, staat beschreven dat een waterboarding-sessie niet langer dan twee uur mag duren. Kennelijk waren de resultaten onvoldoende en vond er bij de ondervragingen een aanzienlijke verruwing plaats. In een van diezelfde memo’s uit 2005 is te lezen dat luchtmachtpiloten hooguit twee keer maximaal veertig seconden werden onderworpen aan waterboarding en in de meeste gevallen slechts één keer. ‘Ik heb gesproken met mensen uit het Amerikaanse leger die bij die opleiding betrokken zijn’, zegt Clive Stafford Smith. ‘Zij vertelden dat waterboarding onder uiterst gecontroleerde omstandigheden plaatsvindt en dat studenten op ieder moment een teken kunnen geven als ze willen stoppen. Nu weten we dat een van de gevangenen, Khalid Sheikh Mohammed, alleen al in maart 2003 183 keer deze methode heeft moeten ondergaan.’
Abu Zubaydah verklaart in het Rode Kruis-rapport dat hij reeds bij een van de eerste waterboarding-sessies zijn urine liet lopen en dat hij nog altijd als hij in paniek raakt in zijn broek plast. Na het vrijgeven van de memo’s heeft een FBI-agente, Ali Soufan, die aanvankelijk bij de ondervraging van Abu Zubaydah betrokken was, ontkend dat hij pas zou zijn gaan praten na het toepassen van de ‘verregaande ondervragingsmethoden’. Zij was betrokken bij de verhoren tussen maart en juni 2002, dus voordat de martelingen begonnen. In een opiniestuk in The New York Times liet zij vorige week weten dat hij in die periode al ‘belangrijke en bruikbare inlichtingen’ had gegeven. Bijvoorbeeld dat Khalid Sheikh Mohammed het brein achter de aanslagen van 11 september was. Hij zette hen ook op het spoor van José Padilla, die van plan was een ‘vuile’ bom te maken. Toen de CIA de nieuwe ondervragingsmethoden wilde gebruiken, weigerde Soufan en werd ze door haar baas uit het ondervragingsteam gehaald, omdat de FBI ‘zulke methoden niet toepast’.

DE MARTELMEMO’S waarschuwen de ondervragers bij herhaling dat ze de gevangenen geen (blijvend) letsel toebrengen, daarom is bij de verhoren medisch personeel aanwezig of achter de hand. Dat er toch letsel ontstaat, is in het rapport van het Rode Kruis te lezen. Abu Zubaydah werd urenlang in een kist gestopt, waarin hij niet kon zitten of liggen. Daardoor begonnen de wonden die hij tijdens zijn arrestatie had opgelopen weer te bloeden, terwijl de ondervragers van de CIA de juristen van het ministerie van Justitie verzekerden dat ze dat zouden voorkomen, zo staat in het martelmemo. Zubaydah verklaarde tegenover het Rode Kruis dat hij niet weet hoe lang hij in de kist zat, omdat hij ‘in slaap was gevallen of buiten bewustzijn was geraakt’.
Een van de beproefde methoden is de zogenoemde stresspositie, waarbij de naakte gevangene met de benen uit elkaar moet staan, terwijl de handen aan een haak of een balk boven het hoofd zijn vastgemaakt. De ontlasting moeten ze vrijelijk laten lopen, in een enkel geval krijgen ze een luier om. De martelmemo’s maken er gewag van dat de gevangenen niet aan hun armen mogen hangen, waarbij schade aan polsen of armen ontstaat. De bewakers moeten dat regelmatig controleren of de gevangenen wakker maken als ze in slaap zijn gevallen. Khalid Sheikh Mohammed verklaarde tegenover het Rode Kruis dat hij bij herhaling in slaap viel als hij in deze positie in een cel alleen werd gelaten en dat zijn polsen begonnen te bloeden als hij met zijn hele gewicht aan zijn armen hing. Het Rode Kruis schrijft in zijn rapport dat de resultaten van die verwondingen in 2006 nog duidelijk te zien waren.
Walid bin Attash heeft een kunstbeen, dat regelmatig door de ondervragers werd verwijderd om de druk verder op te voeren, terwijl hij in de stresspositie werd gehouden. ‘Ik hing met mijn volle gewicht aan mijn polsen. Ik schreeuwde het uit van de pijn, maar ze kwamen pas na een uur om mijn kunstbeen weer om te doen’, zo vertelde hij het Rode Kruis.
Wanneer er in de loop van 2005 berichten in de pers verschijnen over geheime CIA-gevangenissen waar zou worden gemarteld, spannen de schrijvers van de martelmemo’s zich steeds meer in om de methoden juridisch waterdicht te maken. Ze halen er woordenboeken bij om aan te tonen dat de toegestane methoden legitiem zijn en schrijven dat in het antimartelstatuut van de VS begrippen als ‘ernstig lichamelijk lijden’ niet zijn gedefinieerd. Bovendien zijn de ondervragers niet verantwoordelijk als ze niet de ‘intentie’ hadden om iemand (ernstig) letsel toe te brengen of als ze de ondervragingen met goede bedoelingen, ‘in good faith’, uitvoerden. ‘Deze memo’s zijn duidelijk geschreven om zaken te rechtvaardigen waarvan de verantwoordelijken wisten dat ze strafbaar waren. Deze rechtsgeldige memo’s waren bedoeld om de ondervragers immuniteit te verschaffen voor dat wat ze deden’, concludeert Clive Stafford Smith.
‘Mocht Obama besluiten om de CIA-ondervragers of mensen die hierbij betrokken waren niet te vervolgen, dan zijn andere verdragspartijen van de Conventie tegen Marteling verplicht hen aan te houden en een onderzoek in te stellen zodra zij zich op hun grondgebied bevinden’, merkt Manfred Nowak fijntjes op. Dat geldt ook voor Nederland.

Rik Delhaas maakte hier een uitzending over (VPRO): http://weblogs.vpro.nl/buitenland/