Bosbranden in Canada

De zwarte ironie van Fort Make Money

De kans op bosbranden zoals rond het Canadese Fort McMurray is groter geworden door de klimaatverandering, stellen wetenschappers – al zijn ze voorzichtig met hun uitspraken. ‘Politici bieden troost. Wij bieden feiten.’

Medium gettyimages 520460002

In Fort McMurray wordt flink geld verdiend. Zoveel geld zelfs dat het Canadese stadje in de volksmond bekendstaat als Fort Make Money. Jonge gelukzoekers trekken ernaartoe om in een paar jaar een vermogen bijeen te harken. Een onervaren arbeider verdient al gauw tienduizend dollar per maand. Telde het plaatsje in 2000 nog zo’n 38.000 inwoners, begin dit jaar waren dat er bijna 90.000. De prijs voor een stuk grond ging in diezelfde periode bijna veertig keer over de kop. De reden voor de explosieve groei van dit nondescripte stadje in Alberta? Teerzand.

In de bodem onder de eeuwenoude bossen van centraal Canada bevindt zich een van de grootste oliereserves ter wereld. Een gebied ter grootte van Hongarije, goed voor naar schatting 170 miljard vaten ruwe olie. De exploitatie ervan kwam sinds het begin van deze eeuw op gang. Shell, ExxonMobil, ConocoPhillips, Chevron, Suncor – ieder zichzelf respecterend oliebedrijf is neergestreken in Alberta om een graantje mee te pikken. In 2014 produceerden ze gezamenlijk 2,3 miljoen vaten per dag. Het is de kurk waarop de regionale economie drijft: de fossiele industrie alleen al zorgt voor 130.000 banen.

Begin deze maand werd de jacht op het zwarte goud abrupt een halt toegeroepen, toen de bossen rond Fort McMurray vlam vatten. Een groot deel van de stad moest worden geëvacueerd en meer dan tweeduizend woningen werden in de as gelegd. Nog voordat het vuur is geblust, is al duidelijk dat de bosbrand de boeken in gaat als de meest kostbare ramp in de Canadese geschiedenis. Oliebedrijven moesten de productie stilleggen, ingenieurs werden geëvacueerd en grote delen van het industrieterrein zijn onbegaanbaar.

Nieuwssite Vice kon de ‘zwarte ironie’ niet negeren. Juist het stadje dat zijn bestaansrecht ontleent aan een van de meest schadelijke projecten werd het slachtoffer van de toorn der natuur. Voor de klimaatbeweging symboliseert Fort McMurray het hart van het fossiele kwaad. Bij de onconventionele olieproductie komt vijftien tot veertig procent meer broeikasgassen vrij dan bij ‘reguliere’ olie. En de winning van het teerzand vormt een hevige aanslag op het milieu: duizenden hectaren woud zijn uit de grond gerukt om de lucratieve drab te mijnen. Giftig afvalwater wordt ter plekke opgeslagen in enorme stuwmeren (die niet zelden lekken). Vanuit de lucht ziet het gebied eruit als een postapocalyptische woestenij.

Sommige milieu-extremisten konden het niet nalaten de tragedie uit te leggen als een wreed soort gerechtigheid. Op Twitter regende het onsmakelijke berichten met een eigen-schuld-dikke-bult-teneur. De respons was fel: dit was niet het moment om met een morele verhevenheid te pronken. De vermaningen bleven niet beperkt tot de respectloze betweters – ook degenen die deze extreme bosbranden voorzichtig in verband brachten met klimaatverandering werd verweten te willen scoren over de rug van families die net hun huis waren kwijtgeraakt. Elizabeth May, leider van de Canadese Green Party, werd terechtgewezen door premier Justin Trudeau toen ze stelde dat de natuurramp ‘nauw verbonden is met de mondiale klimaatcrisis’. Dit soort opmerkingen zijn ‘behulpzaam, noch accuraat’, beet Trudeau haar toe.

Hoewel vrijwel niemand zal betwisten dat klimaatverandering leidt tot extreme weersomstandigheden blijft het precair om een specifieke ramp te koppelen aan de opwarming van de aarde. Zelfs al is de link, zoals in het geval van Fort McMurray, behoorlijk overtuigend. Meteoroloog en journalist Eric Holthaus schrok van de fanatieke kritiek die hij kreeg nadat hij in een stuk op slate.com had beargumenteerd dat de hevigheid van de bosbranden mede te wijten is aan een ontwricht klimaat. In een vervolgartikel diende hij zijn critici van repliek: ‘Het is absoluut noodzakelijk om het over klimaatverandering te hebben tijdens een ramp als Fort McMurray.’

Bezorgde klimaatwetenschappers zitten regelmatig met de handen in het haar: wanneer dringt de urgentie van de klimaatcrisis nu eindelijk door bij het grote publiek, politici en bestuurders? Is er eerst een enorme catastrofe nodig? Grote kans dat het dan al te laat is om het tij nog te keren. Bovendien is het de vraag of zo’n ‘superstorm’ ooit zal komen, waarschijnlijker is een gestage toename van lokaal natuurgeweld. Zolang we niet erkennen dat de impact nu al voelbaar is, betoogt Holthaus, kan klimaatverandering nog worden weggewuifd als een toekomstprobleem. Voor klimaatwetenschappers blijft het een evenwichtsoefening tussen empirische zuiverheid en publiekelijk alarm slaan.

Op de werkkamer van Guido van der Werf staan twee drones. Een heeft de meetapparatuur nog aan het chassis hangen. ‘Hiermee zijn we een aantal keer naar Indonesië geweest’, vertelt Van der Werf. ‘Dan vliegen we het apparaat in een rookpluim, zodat we de samenstelling kunnen meten.’ De wetenschapper, verbonden aan de Earth Climate-afdeling van de Vrije Universiteit, doet onderzoek naar het effect van ontbossing en bosbranden op het klimaatsysteem.

‘Jij verwacht zeker dat het aantal bosbranden de laatste tijd is toegenomen door klimaatverandering?’ polst hij. Zo simpel ligt het dus niet. In werkelijkheid neemt het aantal bosbranden wereldwijd áf. ‘Dat komt doordat veel savannes worden omgezet in landbouwgrond.’ Het is duidelijk dat Van der Werf geen concessies doet als het op wetenschappelijke zorgvuldigheid aankomt, simplistische antwoorden geeft hij niet.

Toch hebben de mensen die beweren dat de ramp in Fort McMurray mede te danken is aan klimaatverandering wel degelijk een punt, erkent Van der Werf. In boreale gebieden, de bosrijke regio’s vlak onder de Noordpoolcirkel, neemt het aantal bosbranden fors toe, met name in Noord-Amerika. Ondanks de complexiteit van klimaatsystemen is het in de kern niet bijster ingewikkeld. De aarde warmt op en dat is het sterkst merkbaar op het noordelijk halfrond. Omdat daar meer landmassa en minder sneeuw en ijs ligt, gaat de opwarming harder. Mede door een krachtige El Niño lagen de temperaturen in Canada de afgelopen maanden extreem hoog. De lentes beginnen eerder, de winters zijn milder en er valt minder neerslag – dan is het niet vreemd dat er vaker extreme bosbranden zijn.

‘Er spelen altijd meerdere factoren. Bosbranden zijn er elk jaar in Canada, dat is deel van een natuurlijk proces’

Dat is slecht nieuws voor het klimaat. Want in tegenstelling tot vuur op de savanne komt bij een brand in een noordelijk woud een hoop CO2 vrij. ‘In het boreale gebied zit veel koolstof in de grond’, legt Van der Werf uit. ‘Daardoor is zo’n brand ook lastiger onder controle te krijgen, hij blijft smeulen.’ Zo dreigt een gevaarlijke feedbackloop te ontstaan: niet alleen zorgt een bosbrand voor meer broeikasgassen in de atmosfeer, met het verdwijnen van het woud gaat ook een natuurlijke carbon sink verloren – bomen nemen namelijk CO2 op. En hoe meer de aarde opwarmt, hoe meer van dit soort oncontroleerbare vuurzeeën zullen voorkomen.

Toch blijft Van der Werf huiverig om een ramp als in Canada aan te grijpen om de noodklok te luiden. ‘Natuurlijk is het belangrijk te benadrukken dat de gevolgen niet abstract zijn, klimaatrampen zullen mensen treffen. In die zin begrijp ik dat klimaatactivisten deze bosbranden uitleggen als een waarschuwingssignaal. Maar ikzelf ben daar als wetenschapper heel voorzichtig mee: er spelen altijd meerdere factoren. Er zijn ieder jaar bosbranden in Canada, dat is onderdeel van een natuurlijk proces. Je kunt niet zeggen dat deze brand een direct gevolg is van klimaatverandering.’

Als klimaatwetenschapper kom je soms in een lastige spagaat terecht, weet Van der Werf. Je bevindingen hebben grote maatschappelijke implicaties, maar als wetenschapper is je speelruimte beperkt. Dat realiseerde hij zich voor het eerst toen hij tien jaar geleden met een collega naar een lezing van Al Gore ging. Van der Werf kwam volledig opgepept de zaal uit: dit probleem moest worden aangepakt. Zijn collega floot hem terug: ‘Dat is helemaal niet jouw taak als wetenschapper. Jij hoort zo precies mogelijk te beschrijven wat er gebeurt en wat de mogelijke gevolgen zijn. De rest is zaak voor politici.’

In september vorig jaar hield Mark Carney, gouverneur van de Bank of England, een toespraak op uitnodiging van Lloyds, een van de grootste verzekeraars ter wereld. Hoe kan het, vroeg hij zich hardop af, dat er zo weinig actie wordt ondernomen om de opwarming van de aarde tegen te gaan? Als er één beroepsgroep is die zich zorgen zou moeten maken om de gevolgen van klimaatverandering is het wel de verzekeringsbranche. Sinds de jaren tachtig is het aantal schadegevallen door extreem weer verdrievoudigd. En er staat ons nog veel erger te wachten.

Carney geeft in zijn speech antwoord op zijn eigen vraag: klimaatverandering is een tragedy of the horizon. We weten allemaal dat als we niets doen klimaatverandering ons zal opzadelen met enorme ellende, zowel economisch als ecologisch. Maar de volle omvang van de gevolgen wordt pas zichtbaar op de langere termijn en daar zijn bestuurlijke cycli, zowel in de politiek als het bedrijfsleven, niet op ingesteld. Dus blijft iedereen op z’n handen zitten. Maar zodra het echte drama begint, waarschuwt Carney, is het al te laat om er nog iets aan te veranderen.

Toen klimaatwetenschapper Pier Vellinga begin jaren negentig zijn eerste leerstoel beklom, richtte hij zich in zijn inaugurele rede ook tot de verzekeraars. Hij hoopte dat zij een voortrekkersrol zouden spelen in de strijd tegen klimaatverandering. Het is immers hun beroep om de kans op toekomstige schade te berekenen. En inderdaad brachten zij de potentiële calamiteiten als gevolg van klimaatverandering gedetailleerd in kaart. Alleen ging dat niet gepaard met maatschappelijke waarschuwingen. Wat bleek? Klimaatverandering was, althans op korte termijn, winstgevend voor verzekeraars: het gaf hun een reden om hogere premies te vragen.

Als iedereen het laat afweten, is het aan de wetenschap om luider aan de bel te trekken, vindt Vellinga. Al ruim dertig jaar roert hij zich nadrukkelijk in het publieke klimaatdebat. Weekblad Elsevier riep hem al eens uit tot ‘klimaatalarmist van het jaar’. Voor Vellinga is het eenvoudig: wetenschappers hebben een morele plicht om te waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dus als hem wordt gevraagd of klimaatverandering zorgt voor meer bosbranden in Canada, is zijn antwoord helder. ‘Ja, dat is zo simpel als 1+1 = 2.’

Natuurrampen kunnen een wereldbeeld doen kantelen. Dat bewees de aardbeving in Lissabon op 1 november 1755, die – nota bene op Allerheiligen – de Portugese hoofdstad volledig in puin legde. Weinig rampen hebben zoveel filosofische reflectie ontlokt. Voor de Franse denker Voltaire, die er een gedicht aan wijdde, was dit het bewijs dat we niet onderworpen zijn aan een goddelijke voorzienigheid. Wij nietige mensen zijn overgeleverd aan de genade van onbeheersbare geologische processen.

Misschien is dat beeld inmiddels aan herziening toe. Zo nietig is de mensheid niet meer, nu we het klimaat actief beïnvloeden. We kunnen ons nog altijd niet onttrekken aan de spelingen van het lot, maar we zorgen er wel zelf voor dat de kansverdeling steeds ongunstiger wordt.

Daar kun je als wetenschapper prima voor waarschuwen, zonder in te boeten aan geloofwaardigheid, vindt Vellinga. Dus zegt hij niet: ‘De brand in Fort McMurray is een onmiddellijk gevolg van klimaatverandering.’ Maar wel: ‘De kans op dit soort rampen is onmiskenbaar groter geworden.’ Het is logisch dat premier Trudeau die boodschap niet uitdraagt, weet Vellinga: ‘Politici willen op zo’n moment troost bieden. Het is aan wetenschappers om erop te wijzen dat dit soort incidenten in de toekomst vaker voor gaan komen. Het klinkt hard: de teerzandindustrie draagt bij aan het probleem waar ze nu zelf het slachtoffer van wordt, maar feitelijk is dat natuurlijk wel zo.’


Beeld: Fort McMurray, Canada. Kiepwagens wachten op een lading teerzand (Ashley Cooper / Getty Images)