De zwarte masseur

Wekelijks bel ik met mijn vriend R. Haaaaa, zeg ik, haaaaa, zegt hij. De laatste keer dat we elkaar zagen was ergens in juli op een bankje in het Wertheimpark in Amsterdam. Hij gaf me een verjaardagscadeau. Een boek, natuurlijk: Op zoek naar de zwarte masseur. Dat is een metafoor voor de zee, zei hij er vlug bij.

We houden allebei veel van zwemmen, en dat zegt zowel iets over onze karakters als over het karakter van onze vriendschap. Die middag op het bankje draagt R een grote zonnebril. Zijn grijze haar is achterovergekamd. Een tijdelijke wandelstok van zwart hout leunt tegen het bankje. Niet zo’n bejaardending maar een modeaccessoire met allure – al vindt hij het alsnog niet leuk dat ik dit opschrijf. Ik ging die warme weken de buitenzwembaden van Amsterdam af. Je moest je ver van tevoren inschrijven voor een uurtje banentrekken, werd met pijlen om het bad geleid, mocht niet douchen en als je bleef dralen kreeg je een standje van de badmeester. Ik dook in het IJ en de Amstel, het Nieuwe Diep, het Entrepotdok. Iedereen in de stad snakte naar water. Verkoeling, verlichting. We zogen het op alsof we wisten wat we voor de boeg hadden, wat we natuurlijk ook wisten. En helemaal niet konden weten.

Het is raar dat ik hem al een half jaar niet heb gezien. Nee, het is raar dat ik niet door had dat het zo lang geleden was. Ik herinner me nu al niet meer wanneer we voor het laatst in onze vaste kroeg zaten, zoals ik me ook nauwelijks voor de geest kan halen wat er zich tussen die zomermaanden en nu allemaal heeft afgespeeld in mijn leven. Op 14 september heb ik voor het laatst gezwommen, in de Eem. Ik weet dat omdat er foto’s van zijn. De dag was uitzonderlijk warm, er was een stel dat op klapstoelen zat, ergens in Engeland muteerde waarschijnlijk het virus.

Te lang op het droge blijven is niet goed voor ons, we worden er stram van

Charles Sprawson, zo heet de schrijver van het zwarte masseur-boek. Een Britse kunsthandelaar en fanatiek zwemmer, die ooit – net als Lord Byron – de Hellespont overstak en precies een jaar geleden overleed. De zwarte masseur is een persoonlijke en culturele geschiedenis van het zwemmen en een ode aan een grote hoeveelheid beroemde kunstenaar-zwemmers, variërend van Aleksandr Poesjkin tot Virginia Woolf, F. Scott Fitzgerald en David Hockney. Sprawson schreef, in 1992, alleen dit ene boek, dat een cultklassieker werd en een inspiratiebron was voor allerhande essayisten en natuurschrijvers – zoals, naar ik aanneem, Rebecca Solnit die tien jaar later met Wanderlust een soortgelijke klassieker over wandelen schreef.

De Hellespont verbindt het Europese deel van Turkije aan het Aziatische en is, op het smalste punt, maar een paar kilometer breed. Maar de stroming is misleidend, zoals Sprawson ruim anderhalve eeuw na Byron aan den lijve ondervindt. Zijn eerste poging mislukt jammerlijk, de stroming sleurt hem weg en hij moet zich vastklampen aan de rotsen om niet onmiddellijk al te verdrinken. De volgende dag probeert hij het opnieuw, nu samen met zijn dochter en een gids die de twee zwemmers begeleidt met een boot. Eigenlijk, zegt de gids, moet je hier niet aan beginnen als je niet eerst maandenlang minstens tweeënhalve kilometer per dag hebt gezwommen, aan krachttraining hebt gedaan en Homerus hebt gelezen.

Mijn plan was de hele herfst door te blijven zwemmen. Ik zou gaan verhuizen naar de rand van een stadsplas, ik zou een zwempak kopen en een oranje boei om mezelf aan te bevestigen. Het zwemmen in de kou zou me op alle vlakken verbeteren. Op een dieper niveau zou ik het leven beter gaan begrijpen, de lichamelijkheid ervan maar ook de mystieke kanten.

R en ik delen een specifiek soort zwaarte, die eerder voortkomt uit principiële liefde voor de wereld dan weerzin ertegen. Te lang op het droge blijven is niet goed voor ons, we worden er stram van, voelen almaar het gewicht van onze hangende ledematen. Hoe gaat het nu, vraag ik hem. Ja, nou, antwoordt hij.

Lord Byron werd geboren met een misvormde rechtervoet en een extreem dunne rechterkuit. Het water was de enige plek waar hij zich helemaal vrij kon bewegen. Hij kon er onrust kwijt, liefdesverdriet, rouw. Sprawson schrijft erover hoe Byron, tijdens de crematie van zijn vriend Percy Shelley, die was verdronken in een storm op zee, in diezelfde zee springt en kilometers begint te zwemmen. Reddend zwemmen is ook heel goed mogelijk als redder en drenkeling één en dezelfde persoon zijn. En als je niet uit de zee, maar erin moet worden gered.