Essay De angst van het Avondland

De zwarte schapen komen

In Europa heerst de cultuur van de angst. Europeanen zijn bang: voor immigranten, voor terrorisme, voor bommen, voor een islamitische invasie, kortom: voor de Ander. En in wezen ook voor zichzelf.

IN SYMBOLISCHE ZIN was de val van de Berlijnse Muur in 1989 de culminatie van een Europese cultuur van hoop. Nog geen twintig jaar later waren het Franse en Nederlandse nee tegen de Europese grondwet in 2005, gevolgd door het Ierse nee in 2008 zichtbare tekenen van de opkomst van een cultuur van angst op het Europese continent. In 1989 vierden Europeanen de val van een Muur die hen verdeelde. In 2009, midden in de diepste economische crisis die ze in lange tijd hebben meegemaakt, maken ze de indruk te verlangen naar de oprichting van muren die hen zouden scheiden van de buitenwereld, met haar miljoenen concurrenten, haar miljoenen immigranten, en haar tientallen terroristen.
Natuurlijk blijft Europa een verzameling landen met verschillende politieke en sociale culturen, en elk Europees land is een geval op zichzelf. Dus moeten we Franse angst niet verwarren met Britse angst, of Poolse angst met Duitse angst. Maar het lijdt geen twijfel dat angst op dit moment de ‘dominante kleur’ van Europa is.
Om de huidige ‘archeologisch’ aandoende lagen van Europese angst te begrijpen moeten we kijken naar historische, politieke, economische, sociale en psychologische factoren, of met andere woorden Europa’s verhouding met zichzelf en haar verleden, alvorens Europa’s ideeën over haar toekomst in economische termen en strategische termen te analyseren en dan terug te keren naar de zware zoektocht naar identiteit van het hedendaagse Europa.
De verwoestende impact van de implosie van Joegoslavië op het Europese zelfvertrouwen is moeilijk te overschatten. We begrepen niet eens wat het precies betekende. Was het de plotse uitbarsting van een onopgelost deel van het Europese verleden, gekoppeld aan het feit dat de Tito-jaren in Joegoslavië hadden gefungeerd als een ‘socialistische ijskast’ waarin decennialang de oppositie van verscheidene nationalismen langzaam, langzaam had gewoekerd? Of was de terugkeer van oorlog in Europa een voorafschaduwing van een onheilspellende en mogelijk fatale toekomst?
Om het allemaal nog erger te maken, konden wij Europeanen deze ramp niet eens in ons eentje het hoofd bieden. De beslissende interventie van de Verenigde Staten was nodig om een breekbare vrede in Bosnië en Kosovo af te dwingen. En de onderliggende problemen van Oost-Europa, met haar armoede en haar giftige stamppot van nationalistische hartstochten, blijven voor het grootste deel onopgelost, met landen als Bulgarije en Roemenië die worden overladen met beschuldigingen van corruptie. Sommige mensen denken dat het antwoord ligt in de verdere uitbreiding van de Europese Unie, die herenclub met haar toverformule van vrede, voorspoed en etnische verzoening. (Je zou kunnen zeggen dat we om de balkanisering van Europa te vermijden de Balkan moeten europeaniseren, en morgen de Kaukasus.) Maar de meeste West-Europeanen waren en zijn nog steeds niet enthousiast over expansie, die ze meer zien als een morele en historische plicht – en een politiek en economisch risico – dan als een mogelijkheid voor optimisme en feest. Je kunt zeggen dat vergroting te laat kwam in emotionele zin, dat wil zeggen te veel jaren na de val van de Berlijnse Muur en de hereniging van het Europese continent door de vrijheid, en te vroeg in institutionele zin, omdat de uitbreiding kwam toen de ‘verdieping’ van de Unie nog lang niet afgerond was. Een groot Europeaan, de onlangs gestorven Bronislaw Geremek, een voormalig leider van Solidarnosc en oud-minister van Buitenlandse Zaken van zijn land, Polen, bleef erop wijzen dat Europa niet alleen een economische zone was, maar ook een ethische constructie die een hart nodig had, en die een warme gemeenschap moest zijn met een spirituele dimensie. Hij had ten diepste gelijk, maar hoeveel Europeanen dachten of denken als hij? Krachtige nationalistische impulsen konden niet zo eenvoudig worden overwonnen.
Economische twijfel en onzekerheid gingen vooraf aan de opkomst van Azië maar werden erdoor aangewakkerd. Als gevolg daarvan gingen we zelfs alledaagse problemen zien als tekenen van een naderende Apocalyps. In landen als Frankrijk en Duitsland werd de werkloosheid die begon in de jaren negentig van de vorige eeuw het equivalent van een ‘maatschappelijk gezwel’, dat een tweeledig gevoel van angst losmaakte: voor de toekomst, en voor de ‘Anderen’ die zo vals de banen van autochtone Europeanen inpikken. In psychologische zin heeft werkloosheid een gevoel van breekbaarheid gecreëerd dat is doorgegeven van de ene generatie op de volgende. Kinderen van ouders die met werkloosheid te maken kregen hebben de neiging te zoeken naar zekerheid en niet snel risico’s te nemen. In Frankrijk blijkt uit recente peilingen dat bijna 75 procent van de jongeren ervan droomt ambtenaar te worden omdat ze dan gegarandeerd een baan voor het leven hebben.
Een Franse minister die terugkeerde van een reis naar Azië in het voorjaar van 2008 gaf onder vier ogen lucht aan zijn frustratie. Hij had het gevoel – en dit zijn zijn woorden – alsof hij uit een ontwikkelingsland kwam. ‘Ze behandelden mij op dezelfde manier als wij hen behandelden in het verleden.’ Feit is dat voor veel Europeanen globalisering gelijk is komen te staan aan delokalisatie en banenverlies, en vrije handel aan ‘oneerlijke handel’. De geleidelijke verdwijning in Europa van de traditionele ‘blue collar’, de arbeidersklasse, en de sluiting van vele fabrieken heeft verontrustende vragen opgeroepen. Is werkloosheid ‘vanwege Azië’ een fatale epidemie aan het worden? Wat is de zin van het leven zonder een goede baan? Natuurlijk heeft Europa ‘pockets of excellence’ zoals luxegoederen, kernenergie in Frankrijk, zware machinerie in Duitsland, de dynamiek van familiebedrijven zoals in Italië… maar zullen die toereikend zijn?
De angst voor economische stagnatie – die nu reële vorm krijgt in een recessie – leidt tot de angst dat Europa gedoemd is een soort museum te worden – een grotere variant van Venetië, een oase van verfijnd ‘goed leven’ en cultuur waar mensen uit meer dynamische continenten graag naartoe gaan of er op latere leeftijd gaan wonen – een soort Florida-plus, maar niet langer een centrum van creativiteit en invloed in de wereld.
DE GROEIENDE ONZEKERHEID over het heden wordt het best geïllustreerd door de negatieve evolutie van de houding van de Europese burgers tegenover de Unie. In Frankrijk en Nederland in 2005 en in Ierland in 2008 waren de redenen voor de overwinning van het nee verschillend, maar in alle gevallen duidden ze op een existentieel onbehagen. In alle drie gevallen was er de wil om de politieke elites die aan de macht waren te sanctioneren, en onvrede over uitbreiding en globalisering met name in Frankrijk en Nederland. Het Ierse nee was in het bijzonder verontrustend. Dat het land dat het meest had geprofiteerd van de Unie nee zou zeggen was niet alleen een demonstratie van ondankbaarheid maar getuigde ook van diepe verwarring over de richting die de Unie was ingeslagen. Die nee-stem baarde des te meer zorgen omdat het vooral de jonge kiezers waren die tegen stemden. Ik was in Berlijn toen ik de uitslag van het Ierse referendum te horen kreeg, en het verbaasde me niet. Instinctief voelde ik dat Berlijn op 9 november 1989 de grote overwinning van mijn generatie had betekend, maar dat 12 juni 2008 de laatste nagel in de doodskist van de dromen van mijn generatie was. Het Europa waarvan ik had gedroomd sinds ik volwassen was, zou het niet ‘gaan redden’. De droom was voor een deel een wonderlijke realiteit geworden, maar onderweg was er iets gebeurd, een combinatie van middelmatigheid van politici en vervreemding bij burgers over een project dat nu door sommigen passief werd aanvaard en hartstochtelijk afgewezen door anderen. Europa had het makkelijker gevonden zichzelf negatief te definiëren dan positief. ‘Euroscepcis’ was in opkomst en niet langer een Engelse specialiteit.
Achter die evolutie schuilt een gevoel van verlies over wat Europa aan het worden is. Het is de ‘wie zijn wij?’-vraag en het begint met angst voor de ander. Die angst voor de ‘Ander’ wordt geïllustreerd door de angst voor een invasie van de allerarmsten die voornamelijk uit het Zuiden komen. ‘Barbaren’ staan niet alleen voor de poort, maar zijn onze wereld al binnengedrongen om haar te veranderen.
Denk aan de beelden van een paar jaar terug uit de Spaanse enclave Melilla in Marokko. 36 Afrikanen werden gedood door de Marokkaanse politie toen ze probeerden prikkeldraad door te knippen om ons ‘Europese paradijs’ binnen te gaan. Die gruwelijke en krachtige beelden, in elk geval voor iemand van mijn generatie, riepen onweerstaanbaar de beelden op van een andere tijd, nog niet zo lang geleden, toen Oost-Duitsers werden neergeschoten omdat ze probeerden de vrijheid te bereiken aan de andere kant van de Berlijnse Muur. Elke maand wagen duizenden Afrikanen hun leven om aan de armoede te ontsnappen in bootjes die de gevaren van de Middellandse Zee tarten. Onder die anonieme helden zijn veel van de beste en slimste mensen van het continent, die de moed hebben om zich te verzetten tegen een lot dat hen op de verkeerde plaats op het verkeerde moment heeft neergezet. Maar hun droom is ‘onze’ niet-zo-geheime nachtmerrie.
De angst voor de ‘Ander’ heeft alles te maken met democratie en geografie. ‘Zij’ zijn met te veel en zonder hoop waar ze leven. Wij zijn met te weinig en in vergelijking erg rijk waar wij leven. Hoe harder we hen economisch nodig hebben, voor de groei van onze economieën, vanwege onze demografische zwakte – ook al worden er in landen als Frankrijk en zelfs Duitsland de laatste tijd weer meer kinderen geboren – hoe harder we ze in emotionele zin afwijzen op culturele, religieuze en raciale gronden. In Zwitserland gebruikte extreem-rechts in de laatste verkiezingscampagne in 2007 het beeld van het ‘zwarte schaap’ voor immigranten. Op een bepaald niveau wordt diversiteit niet meer gezien als een bron van creatieve rijkdom en wederzijdse versterking, maar eerder als een bron van interne destabilisering.

ONDER ANGST VOOR de ‘Ander’ valt ook de angst voor terrorisme, met name belichaamd in het beeld van de moslimfundamentalist met een bommengordel om zijn middel. In het hoofd van de bangste Europeanen is dat beeld uitvergroot, en de angst is dat ook: mensen zijn bang om daadwerkelijk te worden veroverd door de islamitische wereld – voor de mogelijkheid dat Europa demografisch en religieus zal worden ingenomen door ‘hen’ en wordt getransformeerd tot ‘Eurabië’, ook al wordt die angst voor ‘Eurabië’ niet geschraagd door feiten. De meeste Duitsers van Turkse afkomst, Fransen van Algerijnse, Marokkaanse of Tunesische afkomst, of Britse staatsburgers van Indo-Pakistaanse afkomst willen succesvol integreren in hun respectieve landen. Ze verwachten dat ze kansen krijgen om op te klimmen in de maatschappij, om eerlijk behandeld te worden en zelfs met een gevoel van broederschap.
Behalve de angst om ‘binnengevallen te worden’ is er ook nog de angst om te worden opgeblazen. Angst voor terrorisme in Europa is niet het gevolg van één enkel collectief trauma, zoals in de Verenigde Staten. Hoe verschrikkelijk ze ook waren, de terroristische aanslagen in Madrid in 2004 en Londen in 2005 (net als de mislukte pogingen van 2007 in Groot-Brittannië) hadden een kleinere schaal dan de aanslagen van 11 september in New York. Bovendien hadden Ierse en Baskische terroristen de Europeanen al vertrouwd gemaakt met terrorisme en hun weerstand vergroot.
En in zekere zin bestaan Europese burgers niet. Diep vanbinnen voelt een meerderheid van de Europeanen zich misschien minder betrokken bij Madrid en Londen dan ze zich, in elk geval korte tijd, betrokken voelden bij New York na 9/11 (toen de krantenkoppen verklaarden: ‘Wij zijn allen New Yorkers’).
Niettemin zijn Europeanen langzaam maar zeker de harde realiteit onder ogen gaan zien dat Europa voor terroristen niet alleen een doelwit is maar ook een basis. Voor veel Britse burgers was na juli 2005 de grootste schok het besef dat de vijand onder hen was – sterker nog, de vijand waren zij. De zelfmoordterroristen van de Londense metro waren overwegend Britse staatsburgers die waren geboren en opgeleid in Engeland. Ook de meeste kapers van 11 september hadden gestudeerd aan technische universiteiten in Europa. Het samenleven met Europeanen en les krijgen van Europese hoogleraren had ze niet afgeleid van hun verschrikkelijke plan. Het is duidelijk dat onze universiteiten absoluut geen humanistische aantrekkingskracht op de terroristen hadden, noch in de inhoud van de colleges die ze kregen, noch in de marginale pogingen hen cultureel en sociaal te doen integreren.
Die feiten onderstrepen de kwetsbaarheid en zwakte van Europa tegenover haat uit de islamitische wereld. Maar ze moeten in perspectief worden geplaatst. Het bestaan van een dreiging negeren, zou suïcidaal zijn, en erdoor geobsedeerd zijn contraproductief, want onze ambitie moet zijn om zo succesvol mogelijk migranten te integreren die wij net zo hard nodig hebben als zij ons.

TEN SLOTTE IS ER de angst om te worden geregeerd door een vreemde macht. Dat kan een bevriende macht zijn, zoals Amerika; het kan ook een minder vriendelijke macht zijn, zoals Rusland; het kan ook een anonieme, niet-gekozen bureaucratie zijn zoals de Europese Commissie in Brussel. De eerste mogelijkheid veroorzaakte duidelijk de grootste angst in Frankrijk (tenminste voordat Nicolas Sarkozy aan de macht kwam in Parijs en Barack Obama in Washington), de tweede in Polen, de derde in Groot-Brittannië. De Commissie wordt de laatste tijd door het publiek meer en meer gezien als een soort 28ste staat met eigen specifieke belangen en niet langer als een belichaming van het gemeenschappelijke ‘publieke welzijn van Europa’. Maar wat al deze angsten verenigt is de angst voor verlies van controle over het eigen lot.
De ‘wie zijn wij?’-vraag wordt gecompliceerd door de ‘waar houden wij op?’-discussie, die van geografische aard is. Het gebrek aan duidelijke geografische grenzen in combinatie met het verlies aan richting van ons institutionele project heeft zonder twijfel een negatieve impact gehad op de psychologische grenzen van Europa. Europeanen hebben geen duidelijk antwoord op de vraag waar Europa begint en eindigt.
Die onrust over de grenzen van Europa heeft op dit moment haar emotionele centrum in het debat over Turkije. Met mogelijke uitzondering van Groot-Brittannië staat de meerderheid van de Europese burgers duidelijk vijandig tegenover toetreding van Turkije als een volwaardig lid van de Unie. Turkije wordt niet beschouwd als de ‘Europese Ander’ maar als de ‘niet-Europese ander’. In een land als Frankrijk is die vijandigheid schokkend groot. Volgens opiniepeilingen staat 75 procent van de Fransen vijandig tegenover toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Dat verzet is niet te begrijpen in strikt rationele termen. Het heeft niet alleen maar te maken met politieke, economische of zelfs demografische kwesties. Boven alles is het verzet het product van angst voor de zeer talrijke en absolute ‘Ander’ – de moslim – die Turkije belichaamt. Het is de angst om tachtig miljoen moslims, ten onrechte door de gemiddelde Fransman beschouwd als Arabieren, ons christelijke maar vooral seculiere domein te zien binnenvallen.
De rationele argumenten vóór toetreding van Turkije tot de Unie werden versterkt door de gebeurtenissen van 11 september 2001. De behoefte aan een strategische en diplomatieke partner die de invloed van Europa in het Midden-Oosten significant krachtiger maakt, de boodschap van verzoening aan de islam, de dynamiek van een jeugdig Turkije – dat alles spreekt voor een Turks lidmaatschap. Zelfs de huidige politieke evolutie van Turkije, waarin het verlies van invloed van de seculiere militaire kemalistische orde wordt gecombineerd met de opkomst van islam en democratie, zou de urgentie van zo’n besluit moeten vergroten. Onder de huidige omstandigheden zou het voorgoed sluiten van de deuren van Europa voor Turkije een groot historisch risico betekenen en de erfgenamen van het Ottomaanse Rijk terugduwen in hun Aziatische, islamitische en Midden-Oostenlijke lot. In de kwestie van Turkse toetreding tot de Unie is de weg ernaartoe belangrijker dan het resultaat. De hervormingen die Turkije in korte tijd heeft kunnen doorvoeren dankzij haar kandidatuur voor de Unie zijn ronduit indrukwekkend. Kunnen wij in naam van een Europees project dat we niet voor elkaar gaan krijgen het historisch risico nemen dat positieve proces te blokkeren door een definitief ‘nee’ uit te spreken?
Om zelfvertrouwen terug te krijgen zal Europa harder moeten werken en sneller moeten groeien. Het huidige verschil in groeicijfers tussen Europa en Azië leidt op lange termijn tot een ramp. Zolang de schulden zich in het Westen bevinden en de groei in het Oosten zal het scenario van verval onverbiddelijk zijn.

Dominique Moïsi is op dit moment visiting professor of government
aan Harvard University. Zijn meest recente boek is Geopolitiek
van de emotie (Nieuw Amsterdam).
Vertaling: Rob van Erkelens