Voetbalcommentaar zit nog steeds vol stereotypen

De zwarte tulp en Chocoprins

In voetbalcommentaar worden zwarte spelers systematisch geroemd om hun kracht, atletisch vermogen en snelheid. Witte spelers daarentegen zijn vaak creatief en intelligent. ‘Alsof zwarte sporters successen louter aan aangeboren vaardigheden danken.’

Luister naar dit artikel

Thomas Müller van Duitsland en Paul Pogba van Frankrijk tijdens het EK, München, 15 juni © Franck Fife / POOL / AFP / ANP

Pierre van Hooijdonk kon het niet helpen. Het beeld van een solitaire zwarte man nagenietend op de kale tribunes in Salvador op het WK in Brazilië ontlokte hem in 2014 live op televisie een misplaatste opmerking. ‘Kijk, dat was Piet’, flapte hij er tijdens de nos-nabeschouwing droogjes uit. ‘Of mag ik dat niet meer zeggen?’ Presentator Tom Egbers bracht hem de gewenste ruggensteun. ‘Je mag hier alles zeggen.’

‘De zwarte tulp’ voor Ruud Gullit. Of de tenenkrullende troetelnaam ‘Chocoprins’ voor Sparta-spits Prince Polley in de jaren negentig. Inmiddels zijn zulke ondubbelzinnige verwijzingen naar de huidskleur van spelers ingeruild voor minder uitgesproken stereotypering. Zo pronkte het Ajax-Twitter-account vorig jaar met de opgespannen biceps van talent Brian Brobbey, want: ‘He’s called Brobbeast for a reason…’ En om zijn hardvochtigheid te beschrijven sprak het AD in zijn necrologie van oud-Ajacied Abubakari Yakubu van een ‘stuk tropisch hardhout’.

De racistische ideeën en stereotypen zijn nog lang niet uit het voetbal verdwenen. Hoewel AD-columnist Hugo Borst de kwalificatie ‘beest’ vorig jaar nog als ‘lekker voetbaljargon’ categoriseerde, neemt de stereotypering van zwarte voetballers steeds subtielere vormen aan. Uit een Europese studie die vorig jaar werd gepubliceerd kwam een structureel patroon naar voren van raciale vooroordelen in de manier waarop voetbaluitzendingen betekenis geven aan kleur en etniciteit.

Uit het televisietoestel van sportsocioloog Jacco van Sterkenburg klinkt het klassieke en bij momenten holle gekeuvel onder Nederlandse analisten. In zijn ruim belichte woonkamer even buiten het centrum van Utrecht speelt de voorbeschouwing van de groepswedstrijd tussen Hongarije en Frankrijk. De Franse tandem Ngolo Kanté en Paul Pogba kan de studiogasten Kees Jansma en Pierre van Hooijdonk erg bekoren. In een poging om hun meerwaarde te benadrukken, bestempelt Van Hooijdonk het ‘blok’ als ‘ontiegelijk sterk’. Vooral ‘krachtpatser’ Pogba valt in de smaak.

Van Sterkenburg luistert met belangstelling. Als wetenschapper, verbonden aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit, doet hij al jaren onderzoek naar de multi-etnische samenleving en de rol die voetbal en de bijbehorende media-aandacht spelen. De beeldspraak, het is het laaghangend fruit voor elke sportverslaggever. ‘Latent zit het er altijd al in, de denkbeelden, de stereotypen’, zegt hij. ‘Het is een inkijk in het hoofd van de commentator of analist. Ideeën die in de samenleving onder de oppervlakte circuleren over etniciteit worden in verslaggeving plots heel erg zichtbaar.’

Opgeluisterd met beelden uit hun openingsduel waarin Pogba met een keurige verdedigende actie Thomas Müller van de bal berooft, poneert Van Hooijdonk stellig: ‘En dít is dé powerman.’ Een klein moment van aarzeling, om vervolgens met bewondering te stellen: ‘Müller, die als een vlieg om Pogba hangt. Fenomenaal.’

De contrasterende beeldspraak rechtvaardigt de geringe fysieke verschillen tussen Pogba (1,91 meter en 84 kilo) en Müller (1,86 meter en 76 kilo) niet. Dit wordt bijna een karikatuur, zegt Van Sterkenburg. ‘Die witte speler, die natuurlijk ook fysiek sterk is, als vlieg tegenover de vermeende imposante, overweldigende kracht van de zwarte speler. Het hardnekkige cliché van zwartheid als meer lichaam dan geest is een heel oud discours.’

Aan de oppervlakte lijken de voorbeelden anekdotisch, maar ze passen binnen een problematiek die de Nederlandse sportjournalistiek overstijgt. Een Deens onderzoeksbureau analyseerde vorig jaar meer dan tweeduizend uitlatingen van televisiecommentatoren in tachtig wedstrijden uit de Engelse, Spaanse, Italiaanse en Franse competitie. Systematisch krijgen zwarte spelers fysieke attributen als kracht, atletisch vermogen en snelheid toegeschreven. Zo maken ze zes keer meer kans om in termen van kracht te worden beschreven. Witte spelers worden in veel verscheidenere termen beschreven en bekeken door de lens van wenselijke karakteristieken als intelligentie en werkethiek.

Ongemak of terughoudendheid was bij nos-interviewer Jeroen Stekelenburg nergens te bespeuren toen hij in een vraaggesprekje Denzel Dumfries de schijnbaar onschuldige metafoor voorlegde. ‘Ze noemen het stieren, is dat typisch?’ De vleugelverdediger leek het wel grappig te vinden. Met een minzame glimlach: ‘Tja, ik hou ervan om energie te leggen in mijn spel.’

Daley Blind had de gelijkenis als lofbetuiging bedoeld om Dumfries’ grote aandeel in de winst tegen Oekraïne te benadrukken. ‘Denzel was volop aan het stieren daar aan de rechterkant.’ nos-commentator Jeroen Grueter nam het in de daaropvolgende wedstrijd gretig over. Boudewijn Zenden greep het werkwoord in De Telegraaf aan om Dumfries’ aanvallende kwaliteit te prijzen en het AD kopte: ‘De stier van Oranje geeft nooit op’. En ook de Volkskrant sprak van mannen met ‘benen van een 3000 meter steeple-chase-kampioen’ om de Nederlandse backs Dumfries en Patrick van Aanholt te omschrijven.

‘Er zit een ambiguïteit in’, zegt Van Sterkenburg. ‘Ja, het wordt als compliment gepresenteerd. Maar het is beladen, het heeft een koloniale rand. Die journalist heeft dat helemaal niet door. Zwarte mensen en dierlijkheid? Dat lijkt me als verslaggever verboden terrein.’

Met haar ongefilterde karakter – de live-realiteit van televisie, de strakke deadlines bij dagbladen – bepaalt sportverslaggeving mede de ideeën en concepten die we overhouden aan kleur en etniciteit. Van Sterkenburg gaf eerder presentaties over de problematiek bij de Engelse betaalzenders BT Sport en Sky Sport. Die laatste houdt sessies met zijn presentatoren, verslaggevers en commentatoren waarin die gevoeligheden rond taal worden besproken. In Nederland blijft het een non-issue. Sportjournalisten profileren zichzelf graag als egalitair en onbevooroordeeld. Van Sterkenburg: ‘“We zien geen kleur”, klinkt het vaak, “onze blik is objectief.” De gegeven voorbeelden worden als anekdotisch gezien. Maar dan valt de boodschap dat er structurele patronen zijn ook een beetje dood. Net díe zijn schadelijk. En nee, het gebrek aan diversiteit op de sportredacties helpt ook niet.’

‘Waarom Sneijder noemen? De lijnen uitzetten, dat kunnen Pogba en Kanté ook’

Grillig, egoïstisch, niet te coachen of zelfs lastig. Ook de negatieve aanduiding van voetballers van Marokkaanse of Turkse afkomst vormt een probleem. In maart nog liet analist Aad de Mos in het AD optekenen dat je spelers met Marokkaanse achtergrond in het bijzonder ‘hard moet aanpakken’. En toen Dusan Tadic vorig jaar op het veld clashte met teamgenoot Sergino Dest, beschreef Trouw de ‘trotse Balkan-voetballer’ als een ‘Servische vulkaan die uitbarstte’. Van Sterkenburg: ‘Als Serviër bevindt Tadic zich aan de periferie van witheid. Ben je niet normatief wit, dan word je al snel beschreven als ánders’.

Wesley Sneijder zal zijn telefoon laten rinkelen. Voor minder dan het hoofdtrainerschap hoeven clubs hem niet te bellen. De aspiraties van de oud-middenvelder, die de verkorte knvb-cursus volgt, zijn glashelder. ‘Ik wil niet bij de jeugd aan de slag. Ook niet als assistent. Nee, ik wil hoofdtrainer zijn bij een eerste elftal.’

Geduld opbrengen, onder aan de ladder beginnen in het ellenlange pad naar een baan als hoofdcoach, zoals oud-internationals Michael Reiziger, Patrick Kluivert en Winston Bogarde deden, is niet voor hem weggelegd. Het liefst nog wil Sneijder (37) voor zijn veertigste in de hogere echelons van het trainerschap vertoeven. Over zijn trainerskwaliteiten valt vooralsnog bitter weinig te zeggen, maar de beeldvorming die gaandeweg rond zijn spelintelligentie is ontstaan, maakt het niet ondenkbaar dat Sneijder stappen zal kunnen overslaan.

‘Eigenlijk missen ze bij de Fransen een Wesley Sneijder.’ nos-studiopresentator Gert van ’t Hof hengelt gretig naar bevestiging. De opmerking vindt gehoor bij Jansma, die instemmend mompelt, en Van Hooijdonk, die hem in woorden bijvalt. Ja, ze missen een echte leider, een spelverdeler. Van Sterkenburg trekt een grimas. ‘Waarom Sneijder hier noemen? Het is een oud frame, een opmerkelijke conclusie, want de lijnen uitzetten, dat kunnen Pogba en Kanté op zich ook. Onbewust wordt toch weer die associatie gereproduceerd dat zwarte spelers niet kunnen leiden, bij de hand moeten worden genomen door witte spelers.’

Een listige steekpass van Pogba in de daaropvolgende wedstrijd tegen Portugal zou Van Hooijdonk dan weer in verwarring brengen. ‘Zo ken ik hem eigenlijk niet, maar dat heeft-ie blijkbaar ook in z’n tasje zitten.’

Het is inmiddels een klassiek verhaal: Franse teams worden steevast opgevoerd als toonbeeld van inclusie in het Europa van deze tijd. De wereldbekers in 1998 en 2018 en het Europees kampioenschap in 2000 waren in die zin een viering van diversiteit. De verscheidenheid op het veld vertaalde zich vooralsnog niet naar het trainerschap. Oud-speler Didier Deschamps is de laatste in een lange rij witte coaches die Les Bleus hebben gekend. Van Michel Platini in de jaren negentig tot Laurent Blanc na de millenniumwisseling.

De vooroordelen bereiken ook de bestuurskamers. Sowieso vissen club- en bondsbesturen uit een wit netwerk. Zelfs het ‘aanvalsplan tegen racisme en discriminatie’ van de knvb werd anderhalf jaar geleden door vier witte mannen gepresenteerd. En hoe komt het dat bij Afrikaanse nationale teams – die overigens systematisch als intuïtief en tactisch minder sterk worden beschreven – voortdurend witte, vaak uitgebluste Europese coaches worden ingevlogen?

Voor zijn onderzoek sprak Van Sterkenburg enkele jaren geleden verschillende zwarte coaches uit het Nederlandse voetbal, onder wie ex-internationals van Oranje. Een meerderheid gaf aan dat huidskleur een groot obstakel vormt in de zoektocht naar een baan als hoofdcoach. Een recente doorlichting wees uit dat 3,9 procent van de coaches in de veertien grootste competities van Europa een etnische-minderheidsachtergrond heeft. Ook in de eredivisie was Henk Fraser tot de aanstelling van Pascal Jansen vorig jaar lange tijd de enige zwarte trainer.

Het is er niet los van te zien, zegt Van Sterkenburg. ‘Voortdurend met snelheid, kracht of zelfs agressie in verband worden gebracht. In leiderschapsposities wordt dat niet als een meerwaarde gezien.’

Bovendien komen zwarte spelers – zo werd ook in het basketbal, honkbal en American football vastgesteld – vaker op posities terecht die explosiviteit en snelheid vergen. Terwijl witte spelers een centralere rol krijgen toebedeeld, gekoppeld aan spelinzicht en leiderskwaliteiten. Dat Chelsea-doelman Édouard Mendy deze zomer de allereerste zwarte doelman – bij wie betrouwbaarheid en stabiliteit wenselijk zijn – werd die de Champions League won, is eigenlijk geen toeval. Van de 24 landenteams op dit EK zijn op Georginio Wijnaldum en David Alaba na alle aanvoerders wit. Aanvoerder van Les Bleus? Precies, Hugo Lloris.

‘De normatieve witte leider’, zegt Van Sterkenburg. ‘Daartegenover de zwarte spelers als de beukers, de fysieke wonderen. Het versterkt onbewust de denkbeelden. Het ontkracht ze in ieder geval niet.’

NOS-beeldredacteur Joep Smeets was zich vast van geen kwaad bewust toen hij een ode in dichtvorm aan verdediger Mats Hummels opnam. ‘Maar dan tot Mats’ en Duitslands angst, zet híj het op een lopen. Daar komt-ie weer, Kylian, bijna niet te stoppen, dat Frans en puur natuurtalent, die race-auto op noppen.’

De hilariteit in de studio demonstreert weinig oog voor een eeuwenoud betoog. De mythe van het ‘natuurlijke talent’ – Kylian Mbappé, neergezet als een soort freakshow. Het wordt bijna een stripfiguur, zegt Van Sterkenburg: ‘Alsof het een soort oerkracht is. Alsof de natuur het zo heeft gewild. Die link tussen sec huidskleur en natuurlijke snelheid is problematisch. Alsof zwarte sporters successen louter aan aangeboren vaardigheden danken.’

Dat ondanks Mbappé’s relatief tengere bouw de nadruk tijdens de uitzending voortdurend op zijn fysieke kracht en ‘fenomenale’ snelheid ligt, past in de resultaten van de Deense studie die stelt dat zwarte spelers drie keer meer kans hebben om hun snelheid benadrukt te zien. Het zit ’m in die herhaling, zegt Van Sterkenburg: ‘Ja, zijn snelheid valt op. Maar Mbappé is meer dan dat. Er zijn zo veel snelle voetballers die de top niet halen. Usain Bolt heeft het ook niet gered. Misschien kan Mbappé wel heel goed onder druk presteren, over tactisch vermogen en spelinzicht beschikken? Dat blijft onbenoemd.’

Heel even ruilt commentator Frank Snoeks zijn kleurloze toon voor een vleugje expressie. Heel even klinkt er opwinding in zijn stem wanneer de snelle voetjes van Mbappé met een reeks beeldschone schijnbewegingen de halve Hongaarse verdediging belazeren. ‘Kijk!’ zegt Van Sterkenburg, ‘Dit kan-ie dus ook!’