De zwartste krant van nederland

‘De oorlogskas is goed gevuld’, klonk het vorig jaar op de aandeelhoudersvergadering van de Telegraaf-holding. Treffende beeldspraak, want als dit ‘foute’ concern inderdaad de NDU overneemt, krijgen de oude verzetskranten het zwaar te verduren. Wordt de nachtmerrie van Henk van Randwijk alsnog bewaarheid?
TOEN UITGEVERIJ Reed Elsevier de verkoop van de Nederlandse Dagblad Unie (NDU) aankondigde, was meteen duidelijk dat die stap tot grote verschuivingen op de dagbladenmarkt zou leiden. Een reactie van de potentiele slachtoffers is echter uitgebleven. Zelfs het bericht dat de NV Holdingmaatschappij De Telegraaf zich als potentiele koper aandient, heeft geen storm van verontwaardiging gewekt. Trouw en Het Parool, de twee noodlijdende dagbladen van uitgeverij De Perscombinatie/Meulenhoff (PCM), zwijgen om onverklaarbare redenen, hoewel ze het kind van de rekening worden als De Telegraaf straks de dagbladenmarkt beheerst. Een dergelijke concentratie is weliswaar onvermijdelijk geworden, maar De Telegraaf is met zijn belaste achtergrond en zuiver commerciele bedrijfsvoering wel de laatste die als opkoper in aanmerking zou mogen komen.

De salarissen en arbeidsvoorwaarden bij De Telegraaf zijn uitstekend, maar om de daarvoor vereiste winsten te boeken moet elke redacteur voortdurend denken en handelen als een middenstander. Henk van Randwijk, de legendarische hoofdredacteur van Vrij Nederland, gaf ooit een fraaie karakteristiek van de huis-aan-huisbladmentaliteit ten burele van Nederlands grootste ochtendblad: ‘Men is koopman in bedrukt papier en verdient daarmede geld. Zit dat geld in de verkondiging van opinie A, dan huurt men mannen met opinie A, verandert de toestand, dan doet men die mannen weer weg en huurt andere mannen. Want er is maar een leidend beginsel: de instandhouding van het bedrijf.’
Gaan de redacties van NRC Handelsblad, het Algemeen Dagblad en de andere NDU-bladen straks zonder morren onder dit juk door? Erger nog: gaat de voormalige collaborateurskrant De Telegraaf straks twee uit het verzet voortgekomen dagbladen de nek omdraaien? Want De Telegraaf is niet alleen na de oorlog heropgericht als spreekbuis en toevluchtsoord voor voormalige collaborateurs, het bedrijf is nog altijd in handen van dezelfde families als destijds.
EEN VAN DE naoorlogse nieuwsfeiten waaraan De Telegraaf nadrukkelijk geen aandacht besteedde, was een redevoering van de katholieke vakbondsleider P. Mertens uit 1968. 'De gehele economie is in handen van rond tweehonderd personen, die elkaar goed kennen en elkaar frequent ontmoeten in verschillende colleges’, zei Mertens tot een gehoor van katholieke werkende jongeren. 'Het is een evenzo deskundige, financieel sterke als beangstigende groep.’ In linkse kring werden de 'tweehonderd van Mertens’ een begrip, ook al herinnerde het getal nogal hinderlijk aan Leon Bloy en andere veelgelezen katholieke auteurs uit de jaren dertig die beweerden dat Frankrijk in het geheim werd bestuurd door tweehonderd joodse families. Als verdediger van katholieke werknemersbelangen had Mertens echter vooral zijn directe tegenpartij op het oog: het oude netwerk van katholieke ondernemers in ons land, die stevige banden met politiek Den Haag onderhielden. Hun machtscentrum was de opvolger van de vooroorlogse Rooms-Katholieke Staatspartij, de Katholieke Volkspartij (KVP), die tot de verkiezingen van 1967 steevast een derde van de kamerzetels bezette. In die eerste decennia na de oorlog werd de KVP met strakke hand geleid door de zakenlieden- politici mr. Leonardus G. Kortenhorst, Jan E. de Quay en Carl P. M. Romme, allen voormalige collaborateurs en/of oorlogsprofiteurs, die door familiebanden en strategische commissariaten verbonden waren met grote Nederlandse concerns als Shell, Unilever en Philips.
Een sleutelfiguur in dit netwerk was Rudolf Antoon van Puijenbroek, textielfabrikant en legerleverancier uit het Westbrabantse Goirle, wiens opkomst wij vorige week in deze krant beschreven. In 1951 financierde Van Puijenbroek de overname van De Telegraaf door een groep bevriende zakenlieden en politici, daarbij handelend op voorspraak van Kortenhorst, De Quay en een andere KVP-coryfee, mr. Maximilien P. L. Steenberghe. Het is de moeite waard om nog eens uitvoerig bij dat jaar stil te staan, omdat dezelfde kliek die deze overname financierde, tot op de dag van vandaag De Telegraaf in handen heeft.
Steenberghe was voor de oorlog achtereenvolgens directeur van Van Puijenbroeks textielfabrieken, bestuurslid van de R.- K. Werkgeversvereniging en minister van Economische Zaken geweest. De Quay was in die tijd inkoper voor de krijgsmacht en commissaris bij een aan Van Puijenbroek gelieerde textielfirma. Dank zij deze relaties werd Van Puijenbroek een belangrijke leverancier van het Nederlandse leger. De firma kon zonder grote problemen de crisisjaren overleven, produceerde in de oorlog voor de Duitsers en na de bevrijding achtereenvolgens voor het Canadese en het Nederlandse leger, aangezien Van Puijenbroeks beschermheren hun Haagse machtsposities weer hadden ingenomen.
Uiteraard was Van Puijenbroek tot een wederdienst bereid toen deze heren, te zamen met Telegraaf-hoofdredacteur J. M. Goedemans en de bankier I. G. ('Gerrie’) van Maasdijk, een beroep op hem deden om de noodlijdende Telegraaf te redden. De geschonden reputatie van de krant deerde Van Puijenbroek niet. Al in de jaren dertig had hij op verzoek van Steenberghe en De Quay de Corporatieve Concentratie (een voorloper van het Zwart Front) en andere rechts-autoritaire groeperingen ondersteund.
Nu de Koude Oorlog was uitgebroken, zat de angst voor links er helemaal goed in. Van Puijenbroeks voornaamste motief voor financiering van De Telegraaf was het opwerpen van een dam tegen de PvdA, naar zijn stellige overtuiging een communistische mantelpartij die zijn textielfabrieken wilde nationaliseren.
DE IRONIE WIL dat Van Puijenbroek als financier de tweede keus van dit illustere gezelschap was. Men onderhandelde eerst nog met de steenrijke oorlogsmisdadiger Pieter Menten. Volgens Van Maasdijk wilde Menten dolgraag deelnemen, maar vonden de andere betrokkenen hem te zeer belast om hun naam aan de zijne te verbinden. Menten zelf beweerde achteraf dat hij juist niet wilde deelnemen in de krant, maar dat Van Maasdijk en Goedemans er bij hem op aandrongen dat hij een schuld van honderdduizend gulden van Goedemans overnam.
Hoe dan ook: het overleg met Menten ketste af en Kortenhorst en consorten deden een beroep op Van Puijenbroek. De Telegraaf- aandelen werden verdeeld in zes pakketten, waarvan Van Puijenbroek er zelf twee voor zijn rekening nam. De overige vier pakketten werden (al dan niet met behulp van een onderhandse lening van Van Puijenbroek) gekocht door Van Maasdijk, Goedemans’ dochter mej. A. J. M. Goedemans, de Leidse meelfabrikant A. D. ('Don’) de Koster, en Maarten E. Borrius Broek, een kleinzoon van de eigenaar-directeur van De Telegraaf tijdens de oorlog, H. M. C. Holdert.
De kopers gebruikten de krant met verve voor hun politieke en persoonlijke doeleinden. Kamervoorzitter Kortenhorst bijvoorbeeld, die de Telegraaf-redactie met succes had verdedigd voor de Bijzondere Rechtspleging en die bij de transactie van 1951 optrad als gevolmachtigde namens Henriette Kok-Holdert, speelde het Menten-dossier van Justitie door aan de Telegraaf-redactie met de opdracht hem in bescherming te nemen. Vandaar de vurige pleidooien van Telegraaf-redacteur Lunshof ten bate van Menten. Daarnaast werd Menten ook nog door Kortenhorst in zijn hoedanigheid van advocaat (een opeenstapeling van functies die in de KVP gebruikelijk was) verdedigd voor het cassatiehof van de Bijzondere Rechtspleging.
De Menten-campagne leverde De Telegraaf enige tienduizenden 'foute’ lezers op, die de krant uit de rode cijfers trokken. Een medewerker van De Telegraaf in die tijd, Paul de Casparis, noemde deze bescherming van grote en kleine collaborateurs later 'een schitterend gegeven voor een perscampagne. De Telegraaf heeft heel wat te danken aan mannen als Menten, die de kiem legden voor een fantastische groei in abonnees.’
De krant ondersteunde de KVP ook met felle aanvallen op Het Parool, Vrij Nederland en andere bladen die uit het voormalig verzet voortkwamen. Kortenhorst was namelijk de voorzitter van het Landelijk Comite Rechtszekerheid, dat aanklachten en zware straffen tegen collaborateurs trachtte te voorkomen, en met dat oogmerk moest de rol van het voormalig verzet natuurlijk gekleineerd worden.
In de persoon van zijn foute clienten verdedigde Kortenhorst in feite zijn eigen belaste verleden en dat van andere prominente KVP'ers. Menten was op zijn beurt weer op de hoogte van het verleden van sommigen hunner - met name de zogenaamde Remaco-affaire, waarin Kortenhorst en Romme zich zwaar gecompromitteerd hadden -, zodat men elkaar dus wederzijds dekte. Niet voor niets hebben zowel De Telegraaf als de KVP in hun verdediging van Menten volhard tot aan de ontknoping van zijn zaak in 1976. Menten wist te veel over de KVP, over De Telegraaf en over zijn voormalige ski-vriend en politieke geestverwant Bernhard van Lippe-Biesterfeld.
EEN ANDERE Telegraaf-koper die veel te verbergen had, was Gerrie van Maasdijk, een telg uit het gelijknamige bankiershuis, dat in de jaren twintig en dertig grote belangen had opgebouwd in Duitsland. Tot de prominente beleggers bij hun Duitse kantoor hoorden in die tijd onder meer premier Hendrikus Colijn, de latere Nederlandse Unie-leider en BVD-chef L. Einthoven, alsmede Romme en De Quay. Gerrie van Maasdijk was voor de oorlog bovendien Telegraaf-correspondent in Berlijn. Als zodanig was hij verantwoordelijk voor de pro-Duitse berichtgeving in de krant, mede ingegeven door zijn eveneens in Berlijn woonachtige broer H. C. ('Bob’) van Maasdijk, die openlijk nazi was.
Journalist Nico Polak, die belangrijke gegevens over de voorgeschiedenis van De Telegraaf boven tafel bracht, constateerde eens dat veel vooraanstaande families rond de Tweede Wereldoorlog de zogenaamde 'broers-truc’ toepasten: 'Vaak kan worden vastgesteld dat een van dergelijke broers bij de aanvang van de oorlog de pro-nazikant kiest en de andere de anti-nazikant, zulks ten dienste van het voortbestaan van het familiekapitaal in de twee mogelijke uitkomsten van het strijdgewoel.’
De in tegenstelling tot zijn broer 'respectabel’ gebleven Gerrie van Maasdijk dook na de oorlog weer op als secretaris van prins Bernhard en werd in 1950 kamerheer van Juliana. Hij kocht zijn aandelenpakket discreet op naam van zijn vrouw, barones P. H. L van Tuyll van Serooskerken. Van Maasdijk nam geregeld de pen ter hand om de krant met zijn persoonlijke bespiegelingen te verrijken, maar tijdens de Greet Hofmans-affaire in 1956 vergaloppeerde hij zich door het openlijk voor Juliana op te nemen. Het lot van de miskende vorstin bracht hem tot grote vervoering: 'De wolken pakken zich steeds meer boven ons Vorstenhuis samen, doch wij zijn ervan overtuigd, dat Oranje het juiste ogenblik zal weten te kiezen, waarop het heft in eigen handen genomen moet worden. Want wanneer dat ogenblik zou komen, zal blijken dat ons gehele volk pal staat achter koningin Juliana.’ Maar Juliana legde het af tegen Bernhard en Van Maasdijk werd als kamerheer ontslagen. Hij zou zijn aandelenpakket bij de beursgang van De Telegraaf in 1971 van de hand doen.
Een Telegraaf-koper die tot zijn leedwezen niet over een 'goede’ broer beschikte, was oud-hoofdredacteur J. M. Goedemans. Deze was tot ieders verbazing zonder kleerscheuren uit de oorlog gekomen, hoewel zijn pro-Duitse houding door Van Randwijk in een brochure genadeloos aan de kaak was gesteld. Van Randwijk publiceerde onder meer een boven water gekomen brief uit 1942, waarin Goedemans zich bij het Duitse gezag beklaagde over het verlies van zijn publikatierecht: 'Jarenlang heb ik ervoor gewaakt dat in mijn blad onjuiste berichten over de nationaal-socialistische beweging werden opgenomen. Ik hield door betrouwbare redacteuren geregeld contact met de heer Mussert.’
Hoe goed dat contact al voor de oorlog was, blijkt uit het feit dat de Telegraaf-redactie in 1939 op eigen kosten een advertentie voor de NSB plaatste. In 1951 kocht Goedemans zijn aandelenpakket wijselijk op naam van zijn onbesproken dochter, mej. A. J. M. Goedemans.
De meelfabrikant en Telegraaf-koper Don de Koster ten slotte was eveneens recu op Soestdijk. Zijn broer H. C. ('Hans’) de Koster verrichtte sinds de jaren dertig inlichtingenwerk voor prins Bernhard en voerde rond 1970 als minister van Defensie samen met Bernhard onderhandelingen met de vliegtuigfabrikant Northrop over de aanschaf van de Cobra-jager.
EEN DERGELIJKE relatie bij Defensie kwam Van Puijenbroek uiteraard weer goed van pas, omdat de Nederlandse textielindustrie in de jaren zestig en zeventig zware concurrentie kreeg uit lage-lonenlanden. In 1972 kreeg Ruud bovendien een hersenbloeding zodat zijn vrouw Gertruda ('Tuut’) het bedrijf moest overnemen.
Met de haar kenmerkende combinatie van obsessieve gierigheid en voortvarendheid bouwde zij het familiebedrijf uit tot een volwassen zakenimperium, compleet met een Luxemburgse holdingmaatschappij - de Compagnie Financiere - waarin Tuut en haar zoons het grote geld hadden ondergebracht. Een deel van de Nederlandse vestigingen werd afgebouwd en verplaatst naar Belgie, Tunesie en voormalig Joegoslavie. De ontslagen volgden elkaar op, maar protestvergaderingen van de vakbonden werden onder persoonlijk toezicht van Tuut van Puijenbroek uiteengejaagd door de politie.
Evenals de andere grootaandeelhouders beschouwden de Van Puijenbroeks De Telegraaf steeds minder als hun politieke kettinghond en steeds meer als een veilige belegging, die jaarlijks enige miljoenen aan dividenden opleverde. Toen het weekblad Nieuwe Revu in 1978 - in het kader van een serie over rijke families - een beurs-analist en een makelaar in de arm nam om het vermogen van de Van Puijenbroeks te taxeren, kwamen de heren niet verder dan een ruwe schatting van driehonderd miljoen gulden, gevolgd door de verzuchting: 'Er is geen beginnen aan.’
Door 'ruilen en tuitelen’ met het familiebezit - onder meer duizenden hectaren grond, een rundveehouderij en een vermogen aan onroerend goed - alsmede haar charitatieve Stichting voor hulp aan Landen in Ontwikkeling (SLO) wist Tuut tevens een reusachtig netwerk van relaties en belangen op te bouwen. Telkens als zij bij iemand op bezoek ging, liet zij een kaartje met het gironummer van de SLO achter, zodat de gastheer zich wel verplicht voelde om donateur te worden. De donateurslijst uit die jaren leest als een dwarsdoorsnede van de economische en academische elite, van de Brenninkmeyers (van C&A) tot de plan-socialist Jan Tinbergen.
WIE ZICH afvraagt waarom De Telegraaf in die tijd de grootste pleitbezorger was voor Joseph Luns, de Nederlandse krijgsmacht en de Navo, hoeft niet ver te zoeken. Het antwoord stond nota bene op 24 april 1975 in De Telegraaf. Met ingehouden trots meldde de krant dat Van Puijenbroek de Allied Quality Assurance Publication (AQAP) had ontvangen, een kwaliteitscertificaat dat fabrikanten het recht geeft om aan elk Navo-leger te verkopen zonder voorafgaande kwaliteitscontrole. 'Als er een legerorder bij Van Puijenbroek terechtkomt’, zo sprak majoor Smulders bij de feestelijke uitreiking, 'dan kunnen we er nu gegarandeerd van op aan dat de kwaliteit in orde is.’ De Telegraaf voegde daaraan toe: 'Omdat het keuren van kwaliteiten en bedrijven die aan Navo-partners leveren steeds kostbaarder wordt, bestaat er binnen de Navo de neiging om steeds meer uitsluitend zaken te doen met bezitters van een AQAP- certificaat.’ Net als in de vooroorlogse crisisjaren kon Van Puijenbroek dus ook in de moeilijke jaren zeventig op zijn oude Haagse connecties rekenen. Uiteraard liet het bericht Van Puijenbroeks rol van grootaandeelhouder in het eigen bedrijf onvermeld.
Want nog altijd heerste bij De Telegraaf dezelfde sfeer van corruptie en vriendjespolitiek als in de eerste naoorlogse jaren. De hernieuwde belangstelling voor de zaak-Menten ontstond nota bene in 1976 doordat de Blaricumse 'antiquair’ vijfduizend gulden aan een Telegraaf-journalist schonk in ruil voor een mooi artikel over de komende veiling van zijn schilderijen. Om Menten alsnog te sauveren, interviewde De Telegraaf vervolgens zijn broer, de in Cannes woonachtige Dirk Menten, die beweerde dat niet Pieter maar hij in de oorlogsjaren op hun Poolse landgoed had huisgehouden. Ook liet de krant een oud-SS'er aan het woord, die bij de moordpartijen aanwezig zou zijn geweest en kon getuigen dat Pieter Menten niet tot de moordenaars behoorde. Zo kon de tijdige arrestatie van Menten worden voorkomen en kon de schuldige de wijk nemen naar Zwitserland, daarbij niet gehinderd door de toenmalige KVP-minister van Justitie, A. A. M. van Agt, die het dringende dossier vier dagen onaangeroerd op zijn bureau liet liggen. 'Menten spookt al dertig jaar door de KVP’, kopte het Algemeen Dagblad destijds. Een dergelijke kop zou zelfs nu bij De Telegraaf ondenkbaar zijn.
Alle macht berust nog steeds bij de nazaten van de kopers uit 1951, met uitzondering van de families Van Maasdijk en Goedemans. Hun aandelen zijn strategisch ondergebracht tijdens de beursgang van 1971. Er is dan ook geen suffer gezelschap denkbaar dan een aandeelhoudersvergadering van De Telegraaf, want de gewone aandeelhouders hebben er niets in te brengen. Net als bij de meeste grote concerns is de positie van de ware machthebbers ingebed in een uitvoerige beschermingsconstructie.
Op het oog zijn de aandelen in de holding echter keurig verdeeld over een aantal - deels anonieme - grootaandeelhouders. In volgorde van portefeuille-omvang zijn dat: de Stichting Administratiekantoor De Telegraaf, de N. V. Exploitatiemaatschappij Van Puijenbroek en - op persoonlijke titel - M. E. Borrius Broek. De Stichting Administratiekantoor geeft certificaten van aandelen (aandelen zonder stemrecht) uit, die aan de beurs verhandeld worden. Het stemrecht van 45 procent berust bij het stichtingsbestuur, dat in meerderheid bestaat uit grootaandeelhouders en bestuurders van De Telegraaf. Het bestuurslid mevrouw J. A. Brewer-De Koster is een nazaat van Don de Koster. Bestuurslid Borrius Broek, zoals gezegd de kleinzoon van oud- directeur Holdert, was jarenlang directeur en commissaris van de holding. Het bestuurslid G. A. van Hasselt is oud-directeur van de inmiddels met de Amro gefuseerde Algemene Bank Nederland, die - jawel - tevens de eerste bankier is van zowel de Telegraaf-holding als uitgeverij Reed Elsevier. Pikant detail: diezelfde ABN Amro heeft van Reed Elsevier nu de opdracht gekregen om de verkoopprospectus (het zogenaamde bidbook) voor de NDU op te stellen.
Bij de Exploitatiemaatschappij Van Puijenbroek, die beschikt over 29 procent van de stemmen, liggen de verhoudingen eenvoudig: de directie bestaat uit Alexander, Eduard en Marnix van Puijenbroek. Daarnaast heeft oud-directeur Borrius Broek nog eens als individuele aandeelhouder zes procent in handen, zodat de oude Telegraaf-kliek - het administratiekantoor, de familie Van Puijenbroek en Borrius Broek samen - over twee derde van de stemmen beschikt. Aan die gekwalificeerde meerderheid zijn zoals gewoonlijk statutaire voordelen verbonden, maar die heeft de groep-Van Puijenbroek niet eens nodig.
De echte macht binnen De Telegraaf ligt namelijk elders, en wel bij de Stichting Beheer van Prioriteitsaandelen De Telegraaf. Deze stichting beheert 120 zogenaamde prioriteitsaandelen, waaraan de houders voorrechten ontlenen bij de samenstelling van de holding-directie en bij eventuele statutenwijzigingen. Naast de twee gebroeders Van Puijenbroek zetelen in het bestuur van deze stichting: Brewer-De Koster, de onvermijdelijke Borrius Broek en Eldert Kok, een nazaat van Henriette Kok-Holdert.
Daarmee is de beschermingsconstructie nog niet uitputtend beschreven. In de jaren tachtig dreigde de overvaltactiek van de Amerikaanse corporate raiders naar Europa over te waaien, zodat De Telegraaf net als andere grote bedrijven maatregelen moest treffen om vijandige overname te voorkomen. In 1984 werd daarom de Stichting Preferente Aandelen De Telegraaf in het leven geroepen, met als bestuurders onder meer Alexander van Puijenbroek en Borrius Broek. Deze stichting is statutair verplicht om te waken over de continuiteit van het aandelenbezit en kan desnoods net zoveel nieuwe aandelen uitgeven als nodig zijn om de meerderheid in de aandeelhoudersvergadering veilig te stellen. De stichting heeft echter gekozen voor een andere beschermingsconstructie, namelijk de aankoop van opties op alle aandelen De Telegraaf. De stichting heeft dus het recht om elk Telegraaf-aandeel dat in de toekomst vrijkomt onmiddellijk te kopen.
Uiteraard wordt het toezicht op dit alles uitgeoefend door een Raad van Commissarissen, met daarin onder meer Brewer-De Koster en de voormalige directeur van de Telegraaf-holding W. H. Charles. Jarenlang zwaaide Borrius Broek in dit college de scepter, maar sinds 7 juni van dit jaar heeft De Telegraaf een nieuwe president-commissaris: Alexander J. van Puijenbroek, textielfabrikant te Goirle.
HET POLITIEKE conservatisme van de krant wordt weerspiegeld in de conservatieve bedrijfsvoering. De Telegraaf-holding kan maar een ding: kranten uitgeven. De afgelopen tien jaar heeft het bedrijf achtereenvolgens de aansluiting bij de commerciele radio, de commerciele televisie en de hausse op de tijdschriftenmarkt gemist. Intussen werd een eigen vermogen van zevenhonderdvijftig miljoen gulden opgepot, zodat het managementblad Quote zich afvroeg of De Telegraaf nu eigenlijk een krant of een bank was.
Maar die schijn bedriegt, want het bedrijf staat op het punt om de slag van de eeuw te slaan. Gesterkt door een jaarlijkse netto-omzet van een miljard en een winst na belasting van negentig miljoen - voor de helft afkomstig uit advertenties - zal het bedrijf alles op alles zetten om de NDU te kopen. 'De oorlogskas is goed gevuld’, zei directeur Van Aken dreigend op de aandeelhoudersvergadering van vorig jaar.
Het strategische voordeel van een overname van de NDU - eventueel samen met uitgeverij Wegener, waarin De Telegraaf een minderheidsaandeel van 24 procent heeft - is enorm. In de eerste plaats beheerst het bedrijf dan bijna vijftig procent van de dagbladenmarkt en tweederde van de advertentiemarkt voor dagbladen, zodat het de advertentietarieven naar believen kan opdrijven. In de tweede plaats kan de holding dan de Volkskrant dubbele concurrentie aandoen: met de landelijke ochtendbladen De Telegraaf en Algemeen Dagblad, en met de kwaliteitskrant NRC Handelsblad. En zoals insiders weten zal de uitgever van de Volkskrant, de Perscombinatie/Meulenhoff (PCM), in dat geval haar noodlijdende bladen Trouw en Het Parool moeten opheffen. En alsof dat verlies aan pluriformiteit nog niet genoeg is, zullen ook NRC Handelsblad en AD zich aan het commerciele regime van de holding moeten onderwerpen, ondanks hevige beweringen van het tegendeel.
TELEGRAAF-hoofdredacteur Johannes Olde Kalter zei onlangs in een interview: 'Ik weet dat bij sommige kranten redactie en commercie nauwelijks met elkaar praten, maar bij ons loopt dat heel aardig, zonder concessies te doen aan de kwaliteit, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de redactie.’ Dat is onzin, want Olde Kalter is uit hoofde van zijn functie ook lid van de directie van de houdstermaatschappij. Uit zijn uitspraak blijkt dus tevens wat men bij De Telegraaf onder 'betrouwbaarheid’ verstaat. De vermenging van concernbelangen en redactioneel beleid stempelt De Telegraaf niet tot de wakkerste, maar tot de achterlijkste krant van Nederland, een blad dat sinds jaar en dag de zakelijke en politieke belangen van de eigenaars dient.
Daarom zwijgt De Financiele Telegraaf momenteel in alle talen over de strategische aspecten van een eventuele overname van de NDU door het eigen bedrijf. Men volstaat met zakelijke meldingen waaruit de lezer niets wijzer wordt.
De Telegraaf is nog steeds niet de 'fatsoenlijke’ krant waarvoor Volkskrant-columnist Jan Blokker hem tegenwoordig houdt. Het blad hanteert onverminderd de roddel als voorkeurswapen in zijn columns, praat zijn broodheren naar de mond en verzwijgt relevante gegevens over hun zakelijke belangen. De redacteuren/schnabbelaars prijzen schaamteloos hun eigen produkten en die van hun zakenrelaties aan in de kolommen van de krant. En nog altijd voert De Telegraaf ouderwetse hetzes tegen buitenlanders ('Illegalenleger overspoelt ons land’), vakbondsleiders en linkse politici. Nog niet zo lang geleden beschuldigde de krant valselijk een homoseksuele onderwijzer onder vermelding van zijn volle naam, adres en school. De Telegraaf-redactie geldt terecht nog altijd als een vergaarbak van proleten, die na hun verblijf bij deze krant voorgoed 'besmet’ zijn en hoogst zelden elders aan de bak komen.
Het zou een blamage zijn als twee uit het verzet voortgekomen bladen uit de markt worden gedrukt door deze voormalige collaborateurskrant, die tot overmaat van schande nog altijd in 'vertrouwde handen’ is. Dan geschiedt alsnog wat Van Randwijk na de oorlog over De Telegraaf schreef: 'Zovele oud-illegale dagbladen, die na de bevrijding op de persen der toen verboden kranten moesten worden gedrukt, is reeds het leven onmogelijk gemaakt. Er waren altijd wel mogelijkheden om hen kapot te maken op het meest vitale punt: de techniek. En die mogelijkheden zullen zeker niet onvindbaar blijven voor zakenlieden die zulke fijne en geniale leermeesters hebben gehad.’
De eigendomsverhoudingen bij De Telegraaf

  1. Stichting Beheer Bestuur: A.J. van Puijenbroek (voorz.) M.E. Borrius Broek (secr.) J.A. Brewer-De Koster E.H. van Puijenbroek E.F.M. Kok De Stichting Beheer draagt voor: 2. N.V. Holdingmaatschappij De Telegraaf Directie: L.G. van Aken (pres.) A.J. Swartjes H. Schor J. Olde Kalter (hoofdred.) Raad van Commissarissen: A.J. van Puijenbroek (pres.) L. Opheikens W.H. Charles H.L. Weenen J.A. Brewer-De Koster
  2. Stichting Preferente Aandelen Bestuur: Jhr. G.G. Witsen Elias (voorz.) A.J. van Puijenbroek (secr.) M.E. Borrius Broek J.A. van Buul H. de Groot
  3. Stichting Administratiekantoor Bestuur: H.J.M. van Steyn J.A. Brewer-De Koster M.E. Borrius Broek A. Harms G.A. van Hasselt
  4. Exploitatiemij. Van Puijenbroek Directie: A.J. van Puijenbroek E.H. van Puijenbroek M.J. van Puijenbroek
  5. M.E. Borrius Broek