Muziek

De zwerfkeien van Sibelius

Muziek: hoor toch eens hoe Colin Davis het Londens symfonieorkest laat klinken.

De Britse dirigent Colin Davis komt naar Amsterdam. Op 23 februari speelt hij met het London Symphony Orchestra de Achtste symfonie van Schubert, Brittens Four Sea Inter ludes en Sibelius’ Vijfde symfonie. Vooral Sibelius kon wel eens heel goed worden. Davis heeft als grootheid veel verdiensten, maar de voornaamste zijn zijn bijdragen aan de Berlioz- en de Sibelius-discografie.

Hoe komt dat? Sommige dirigenten beschikken over specifieke gaven. Die van Davis is klankregie. Bepaalde componisten vragen meesterschap op dat terrein, terwijl een Beethoven op ritme en frasering al fantastisch draait. Niet alleen bij fijnschilders als Ravel of Debussy luistert het nauw, ook in Les Troyens van Berlioz en Sibelius’ Vierde symfonie zijn kleurintensiteit en klankdichtheid allesbepalend. En in die stukken is een Colin Davis wel te evenaren, niet te overtreffen.

Van zijn type zijn er niet veel. Celibidache was een klankdirigent; Furtwängler en Von Karajan waren het. Maar zij hadden ook de naam die ze verdienden. Van Davis vraag je je, ondanks zijn indrukwekkende cv, soms af of hij niet ernstig onderschat is. Zo groot, en niemand siddert. Kan zijn dat zijn karakter hem soms parten heeft gespeeld. Ik hoor en lees dat Davis een wat kwetsbare figuur is, en de mensen willen helden. Maar ik bewonder hem zeer, want op de bok kraakt de zachtaardige de hardste noten.

Voor me ligt zijn gloedvolle, breed geschouderde opname van de zeven symfonieën van Sibelius op RCA. Dat wordt dankbaar afzien. Dit is weerbarstige muziek en er is veel kwaadaardige Sibelius. Die van het vunzige geschetter, waarvan zijn orkestwerk Finlandia het naarste voorbeeld is. Ik heb muzikale mensen walgend over hem horen spreken en ik snap dat. Je krijgt geen vat op hem. De muziek geeft te verstaan dat psychoanalyse van de noten weinig zin heeft, dat ze zelf de horizon zijn van het panorama dat ze oproepen. Hun kleed is romantisch, hun boodschap objectief: wij zijn zo ongenaakbaar als we kunnen wat we zijn.

Herbert von Karajan vergeleek de symfonieën met zwerfkeien. Ze zijn reusachtig, ze zijn heel oud en niemand weet hoe ze zijn terechtgekomen waar ze liggen. En dat is mooi gezegd. Sibelius is tijdloos. Niet ouderwets, niet kind van zijn tijd maar ook geen toekomstmusicus. De eerste veertig maten van zijn Vierde (1911) zijn modern omdat de taal uit roeping zo moest zijn en niet omdat ernaar gestreefd werd. Misschien verklaart ook dat de irritatie die Sibelius heeft opgeroepen: de luisteraar en de vertolker moeten de kracht hebben zijn geheim geheim te laten blijven, terwijl de oorzaak van zijn vreemdheid door blijft knagen.

Het is een stemmingskwestie. Hij is vrolijk noch verdrietig. Gevoel bij Jean Sibelius is agressief noch defensief: alleen onneembaar, een blokkade. Dat maakt van de Sibelius- perceptie iets met pieken en met dalen. Je vindt geen houvast, ook omdat hij iemand is van permanente overgangen. Hij kan soms uitgelaten zijn en grimmig, maar hij is het op zijn eigen ondoordringbare voorwaarden. Dat maakt je kwaad zoals je je om iemand kwaad kunt maken die zich niet wil laten kennen, die zich van je afkeert als je nadert.

Het andantino van de Derde symfonie mag dan teder zijn, nergens bezwijkt het. Als dat dreigt te gebeuren, bewolken de blazers en voeren pizzicatotokkels fronsend terug naar het klimaat van onvermurwbaar zware onrust. Een houtsolo kan innig zijn, hij geeft niets prijs dan zijn beschrijving van die innigheid. Het is geen imitatie van innigheid, het is een notuleren van innigheid met, opnieuw, een objectiviteit die haaks staat op de romantische gedaante van de buitenkant. In het andante mosso van de Vijfde precies hetzelfde effect. Is dat lyriek? Het speelt lyriek. Een boze jager pijpt een lieflijk wijsje voor hij schiet.

En hij gaat schieten. Maar als hij schiet, dan niet uit vreugde, zelfs niet uit bloed dorstigheid. Hij schiet omdat hij moet, omdat de jacht een zaak van overleving is zoals een symfonie een kwestie is van desnoods vreugdeloze noodzaak, voorwaarts mars.

Het eerste deel van de Vijfde symfonie is de belichaming van de Sibelius-toestand: de tempi niet te snel en niet te langzaam, de overgangen vloeiend en nooit bruusk, de lucht bedekt met hier en daar een opklaring, de strijkers vastberaden tremolerend tussen mistbanken en bleke zonnestralen. En maar stromen: Sibelius is een van de weinigen bij wie het tremolo geen dramaturgische viagra maar compositorische noodzaak is. Hij wil een stromende beweging die bij al zijn vaagheid net concreet genoeg blijft om de symfonie het genre symfonie te laten. De zon gaat op en halverwege blijft hij steken: licht genoeg, maar niet die schittering. En koelte. Geen extreme koelte. Net te doen.

Nu het mooiste moment. In dit besloten universum van de onophoudelijke transformaties gaat een échte afsluiting, zoals die in het slot van de Vijfde, door merg en been. Hij geeft je het gevoel dat iemand erin is geslaagd een lekke stuwdam af te sluiten. En hoor toch eens hoe Davis daar het Londens symfonie orkest laat klinken; als een diepe, luide zucht. Voor één keer is de eindstreep echt een eindstreep, geen cesuur.

Mannenmuziek. Maar luister goed. Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder, knarsetandend.