Duras’ minnaar schrijft terug

De zwijgende jongen

Een jonge student werd door de beroemde schrijfster tot romanpersonage gemaakt. Na haar dood schreef hij terug, over hun liefde, ‘Cet amour-là’.

Yann Andréa, Cet amour-là. Uitg. Pauvert, 231 blz., FF110,-



In 1975 ontdekt een filosofiestudent uit het Franse provinciestadje Caen per toeval tussen de boeken van zijn kamergenote Les petits chevaux de Tarquinia van Marguerite Duras. Zij is Frankrijks meest omstreden schrijfster, cineaste, columniste. Zij wordt geadoreerd en gehaat: een begenadigd schrijfster maar onmogelijke vrouw die gekweld wordt door de herinneringen aan haar jeugd in Indochina. In haar romans wordt haar verleden steeds weer herschreven en bewerkt, nooit echt verwerkt. Eens was ze mooi en begeerlijk, zij heeft hartstochtelijk liefgehad en werd hartstochtelijk bemind. Nu is ze een narcistische, eenzame oude vrouw. In haar gehavende gezicht heeft de drank diepe rimpels gegroefd.


Hij is geen bijzondere jongen, niet eens knap of intelligent of geestig. Een jongen zonder eigenschappen, die weinig wil en niet veel durft. Duras’ roman verandert zijn leven; hij gooit Kant, Hegel en Spinoza in de vuilnisbak en verslindt al haar boeken. Hij is verliefd op haar naam, die hij talloze keren op een wit vel overschrijft. Hij houdt van de woorden die ze schrijft, hij zou de hand willen zijn die die woorden optekent, hij verlangt ernaar één met haar te worden, haar te zijn. Wanneer zij naar Caen komt voor de première van haar film India Song, zit hij op de eerste rij. Verlegen stelt hij haar na afloop van de film een onhandige vraag, zij glimlacht en antwoordt, hij hoort niet wat zij zegt. Zij gaan iets drinken en Duras gaat weer terug naar Parijs. Zij heeft hem haar adres gegeven, hij zal haar schrijven.


Vijf jaar lang ontvangt zij van hem honderden brieven; ze leest ze allemaal en bewaart ze, maar schrijft niet terug. Ze stuurt hem af en toe één van haar boeken en dat brengt hem in verwarring. Lange tijd laat hij niets meer van zich horen. Dan stuurt ze hem haar nieuwste roman, Aurélia Steiner. ‘Deze tekst heb ik voor jou geschreven.’ In de zomer van 1980 neemt hij de bus naar Trouville aan de Normandische kust waar zij ’s zomers verblijft. Zij drinken samen, hij whisky en zij rode wijn, want iets anders verdraagt ze niet meer. Ze kijken naar de zee en zingen sentimentele liedjes van Edith Piaf. Hij blijft bij haar, hij mag in de kamer van haar zoon slapen, zij maakt eten want zij kookt graag. Zij dicteert en hij typt haar stukken voor de krant Libération. In september 1980 worden haar columns gebundeld en uitgegeven onder de naam L’été 80. Het boek is aan hem opgedragen. Voor Yann Andréa. Die naam heeft zij bedacht, zoals zij ook voor zichzelf een andere naam heeft uitgezocht. Zij houdt van klanken, van de magische kracht van woorden, van de indringende beelden die zij oproepen. Zij heeft hem een nieuwe naam gegeven en daarmee tot leven gewekt. Hij zal haar niet meer verlaten tot haar dood.


Marguerite is veeleisend. Hij moet haar zeggen dat hij van haar houdt, dat zij voor hem de liefste is, hij kan het niet, hij wil niet met haar vrijen, hij valt op mannen. Dan schreeuwt ze: ‘Dit moest mij weer overkomen, een kerel die niet praat, die niets weet van wat dan ook. Ga terug naar waar je vandaan komt, ik wil je niet meer zien, ik ken je niet.’ Zij gooit hem het huis uit, hij verdwijnt en komt weer terug. Hij kan haar niet verlaten, hij moet er zijn om haar pijn te delen wanneer ze schrijft. Haar nabijheid ervaart hij als ondraaglijk en onmisbaar, zij wil hem bij zich houden en elke dag weer doet ze alles om hun verhouding onmogelijk te maken. ‘Ga maar weg. Opgeruimd staat netjes. En denk maar niet dat ik je geld nalaat. Niets krijg je.’ Maar wanneer hij zegt: ‘Ik kan niet meer, ik heb het gehad met Duras’, pakt ze zijn hand vast en zegt: ‘Niemand heeft het ooit gehad met Duras, dat weet je toch.’ Hij blijft en kijkt hoe ze leeft en werkt, verwonderd ziet hij de zinnen ontstaan alsof hij ze zelf had bedacht.


Hij schrijft ook, een boek over haar, M.D., een ontluisterend verslag van de manier waarop zij zichzelf en anderen kapotmaakt. Heeft hij het boek geschreven, of zij? Hij heeft haar woorden en haar stijl geleend, gepikt, hij is Duras geworden, een dubbelganger van haar, hij is zelf niemand, een lege bladzijde die door haar beschreven wordt. Schrijven is het enige wat telt voor Duras, zij vertelt en hij typt, en er is weer een boek, dat haar over de hele wereld beroemd maakt: L’amant. Dankzij het schrijven ontdekt ze zichzelf steeds opnieuw, zij maakt zichzelf terwijl ze schrijft. Ze zijn gelukkig, ze houden van elkaar, ze drinken. Zonder het kleine appartement te verlaten neemt zij hem mee op reis naar Indochina, naar India. Het gaat niet om de echte plekken, zegt zij. Als je langs de Seine rijdt, kom je bij een bocht waar de rivier opeens in de Mekong verandert. Ze hebben ruzie, ze vechten, hij loopt weg en komt weer terug. Maar haar lichaam en geest zijn gesloopt door verdriet en alcohol. Hij moet haar dag en nacht verzorgen, haar wassen en eten geven als een baby. Zij sterft op 3 maart 1996. Haar laatste woorden heeft hij nog opgetekend, haar laatste boek: C’est tout. Duras wordt begraven op het kerkhof van Montparnasse, niet ver van Sartre en Simone de Beauvoir, die zij niet kon uitstaan. Zij heeft hem gewaarschuwd: ‘Sterven stelt voor mij weinig voor, voor jou wordt het heel moeilijk om zonder mij te leven, onmogelijk bijna.’


Hij verhuist naar een kamer in dezelfde straat, sluit zich op, wast zich niet en gaat de deur niet meer uit. Eten, sigaretten en drank worden besteld en gebracht. Hij ligt in bed en wacht, tot haar gezicht zal verdwijnen, tot hij zelf sterft. Zij maakte hem tot wie hij was, nu zij verdwenen is, bestaat hij niet meer. Twee jaar lang durft hij de deur niet meer uit te gaan. Hij is twintig kilo aangekomen, hij heeft een baard, hij stinkt, hij leeft tussen afval en kakkerlakken. En dan beseft hij dat hij niet doodgaat omdat hij niet dood wil, dat hij aan het werk moet, de zinnen uit haar boeken opschrijven die zij zo graag zelf had willen horen. Ik houd van je, meer dan alles op de wereld.


Hij belt zijn moeder op die hem uit de gore kamer weghaalt, terug naar Bretagne, waar hij op 24 december 1952 werd geboren. Hij heet niet Yann Andréa Steiner, de naam waarmee zij hem tot een romanpersonage had gemaakt, hij heet Jean-Baptiste. Hij wil schrijven over die bijzondere band tussen een jonge onopvallende student en een beroemde schrijfster, die stierf omdat zij te veel had gedronken, te veel gegeten, te veel gerookt, te veel liefgehad, te veel geschreven. Hij praat over haar, tegen haar; hij richt zich niet tot lezers maar tot Duras. De jongen die nooit iets zei heeft zelf een stem gekregen, hij wil haar alles uitleggen en daarmee haar dood tegelijk ontkennen en aanvaarden. Er ontstaat een dialoog tussen een levende en een dode, want de stem van Duras klinkt door in wat hij schrijft, die vlakke hartstochtelijke stem die in haar films altijd een verhaal vertelde dat niet met de beelden overeenkwam, de stem off, naast de gebeurtenissen. Hij vertelt hun verhaal, zij zegt iets anders: dat Duras maar één grote liefde heeft gehad, en dat was schrijven. Het is eigenlijk een gewoon en sentimenteel verhaaltje, over houden van en pijn, net als in een liedje van Edith Piaf. Hij heeft eindelijk de woorden gevonden om te vertellen over die claustrofobische, verscheurende liefde, cet amour-là.


Yann Andréa kreeg de Prix Saint-Valentin du roman d’amour 2000. Hiermee is deze autobiografische geschiedenis definitief tot fictie verheven. Dat zou Duras veel plezier hebben gedaan.