Inzending Martin van Amerongen-Prijs

Debat: Arena of Agora

Een plein in een provinciestad, zomer 2000. Het is een plein zoals er zovelen zijn : een oud stadhuis, een boekenzaak, een uitzendbureau en veel cafe’s en restaurants. De terassen ervoor vormen samen een kraag van stoelen en tafeltjes, en bijna alles is bezet. Men drinkt, eet, praat, lacht, kijkt rond, flirt en drinkt weer. Boven het plein mengen de stemmen zich met andere geluiden tot een aangenaam stedelijk geruis. Hier worden vriendschappen gevierd, hier worden liefdes bekrachtigd, hier worden plannen gemaakt voor het volgende moment. Men zou dit het goede leven kunnen noemen, veel dichterbij kan het toch niet komen.

Dit was het tafereel dat Afshin Ellian zag toen hij ruim een decennium eerder als vluchteling in Nederland aankwam. Jarenlang was hij opgejaagd, eerst in Iran en later in Afghanistan, de blik van de ander moest voortdurend gewogen worden, vrienden waren vijanden geworden, achter elke boom loerde het gevaar. Bij de aanblik van een nederlands terras vol met bierdrinkende en zorgeloos lachende mensen was hij verbijsterd. Dat dit bestond ! Het was voor hem de ultieme vrijheid en hij was direct verkocht. En hoewel hij al snel zou zien dat het niet het hele verhaal was zou hij zich later inzetten om juist deze vrijheid te verdedigen.

Op pleinen concentreert zich het maatschappelijk leven. Het is alsof de ruimte meer adem geeft , het licht werkt als een vergrootglas. Dat was zeker het geval op het oerplein van de westerse beschaving, de agora in het klassieke Athene. Het was een plaats waar de markt was en handel werd gedreven, waar men samenkwam om te praten en zich te vermaken, waar het publieke debat plaats vond tussen filosofen en burgers en waar het volk in vergadering bijeenkwam om via debat tot besluiten te komen. Al deze actviteiten bestonden naast elkaar en vooral de openheid en de democratische principes maken de agora nog steeds tot het ideaaltype van politieke besluitvorming. Allerlei organisaties tooien zich daarom graag met haar naam, Agora Europa bijvoorbeeld.

Wat was nu het bijzondere van de agora ? Dat was met name het inzicht dat een gewone sterveling evenveel , of zelfs meer verstand van publieke zaken kan hebben dan een vakspecialist of filosoof. ”Als het gaat om het vervullen van openbare ambten speelt sociale klasse geen rol maar spelen slechts de wezenlijke kwaliteiten die iemand bezit. Armoede is voor niemand die de publieke zaak kan dienen een belemmering, hoe gering zijn sociale status ook mag zijn,” aldus tijdgenoot en geschiedschrijver Thucydides. Die visie is historisch uniek, er vervolgens een vorm voor uitdenken is groots. In de praktijk kende men dan ook al presentiegeld zodat een timmerman na een halve dag vergaderen toch kon eten. Een belangrijk principe was dat iedere burger zich mocht uiten, men had gelijk recht van spreken. De volksvergadering,de ekklesia , begon dan ook met de uitnodiging : ”Wie wil de vergadering toespreken ?”. De democratie was zo werkelijk ”een regering van velen”. Men wenst erbij gezeten te hebben.

Maar deze agora bestaat al lang niet meer. De diverse functies die elkaar op de agora nog raakten zijn al lang een eigen weg gegaan, zelfs bij de Atheners verhuisde de Volksvergadering na verloop van tijd naar een andere plek, de heuvel Pnyx. Het staat symbool voor een latere ontwikkeling van verregaande isolering en institutionalisering van allerlei maatschapelijke gebieden. Rechtsgang, handel en economie, financiele wereld, wetenschap ,politiek, journalistiek en publiek debat, het zijn allemaal gebieden die zich steeds verder van de directe leefwereld afspelen. Men kan nu bijvoorbeeld geld lenen om een huis te kopen zonder zelfs een bank te zien. Ook het plein van 2000 was onderdeel van deze lange termijn ontwikkeling. Het was een vrijetijdsplein geworden, de werkelijke vragen leken hier niet aan de orde, de echte maatschappij was ver weg. Er hing een soort maatschappelijke ijlheid in de lucht, en deze werd nog versterkt door recente ontwikkelingen.
Toch leek er weinig aan de hand op het plein.. De situatie in 2000 laat zich misschien het best beschrijven via de naam van een nieuwe debatclub die ook dat jaar het licht zag. Studenten en journalisten van Vrij Nederland verzamelden zich in een nieuwe groep in Amsterdam om een nieuwe stijl en agenda van debatvoeren te introduceren . Ze noemden zich happyChaos, die naam ”sloeg op onze optimistische blik op het leven en de sfeer van de groep. Onze wereld was toen ook happy : Clinton zat in het Witte Huis, grote bedreigingen waren niet te bekennen en een nieuwe eeuw van vrede leek aangebroken… De chaos kwam voort uit de veelvoud van mogelijkheden en keuzes die ons, twintigers en dertigers, werden voorgelegd”, aldus happyChaos in een terugblik . Hoewel men vermoedde dat niet alles rozegeur en maneschijn was, sprak er toch weinig noodzaak tot debat uit en stonden er geen heikele onderwerpen op de agenda .

En toch kondigden deze zich aan. Er waren in de jaren negentig al diverse signalen van onvrede rond immigratie en het doodzwijgen daarvan. Bolkenstein had het in 1990 geprobeerd maar stond daar zeer alleen in, Herman Vuijsje had in 1997 zijn “Correct”geschreven, een aanklacht tegen het linkse gelijk. Maar in januari 2000 werd de vrede pas voor het eerst verstoord door het artikel ”Het multiculturele drama” van Paul Scheffer. Hij was bezorgd over de groeiende kloof tussen een allochtone onderlaag en de rest van de samenleving. De frictie die het opnemen van grote groepen allochtonen in de Nederlandse samenleving gaf werd niet onder ogen gezien, laat staan benoemd. Scheffer wilde de problemen boven tafel brengen, het potentiele conflict moest worden erkend en hij pleitte daarom voor een parlementair onderzoek. Het was de eerste werkelijke steen in de vijver van wegkijken, of slaapwandelen zoals Dalrymple het later zou zeggen. Maar tot een debat leidde het nog niet. Het feestje van de jaren negentig mocht nog niet verstoord worden en zijn artikel riep meer irritatie dan instemming op.

Het verdere verhaal is bekend. Na een tijd met veel reuring, 11 september 2001 de opkomst van Pim Fortuyn, Leefbaar Nederland spatte de verdrongen werkelijkheid bij de moord op Fortuyn definitief naar buiten. Wat men zag was geen aardig gezicht. Woedende mensen probeerde diezelfde avond nog hun gram te halen bij de regering, en lieten hun verwrongen stem horen, inderdaad op het Plein. Het was bizar, dat dit gebeurde in Nederland, in een moderne samenleving, in een democratie, in een poldermaatschappij. Het was echter ook bizar dat het gebeuren kon, juist in diezelfde democratie, in een maatschappij die op communicatie en informatie is gebaseerd. Hier moest een les uit geleerd worden, dit moest voorkomen worden, er zou meer gedebatteerd moeten worden. En gedebatteerd werd er vanaf die dag. in alle toonaarden en steeds in de geest van Pim :” Ik zeg wat ik denk”.

Ook Bas Heijne, steeds dicht op de huid van de tijdgeest, signaleerde in 2002 dat er weer werd gedebatteerd. ” Het debat is terug. Sterker nog, het lijkt wel of heel Nederland de afgelopen tijd spontaan aan het discussieren is geslagen. Er kan geen kwestie opdoemen of er wordt al een debat over georganiseerd”. Het was het resultaat van de nieuwe werkelijkheid. ” De plotselinge hartstocht voor het intellectuele debat in Nederland is niets anders dan het einde van de smetvrees die Nederlanders hebben voor hun eigen Nederlanderschap”.

Maar Heijne constateerde ook al snel dat het debat die naam nauwelijks verdiende, mensen zwelgden in hun drama en waren elk maatgevoel kwijt. ”Wat is erger : brutaal en onbeschoft behandeld te worden door landgenoten bij wie de persoonlijke geldingsdrang het gewonnen heeft van iedere vorm van burgerzin, of luisteren naar de ferme taal in al die tientallen, tot niets verplichtende discussies over normen en waarden in de media ?”

In dit decennium zitten veel thema’ s en geschiedenissen. Sommige slingeren zich door deze jaren heen en komen steeds terug, zoals de immigratie. ”Weer de immigratie” kopte de Volkskrant onlangs bij de crisis in de VVD. Het thema is dan ook ondanks een strenger toelatingsbeleid en inburgeringscursussen nog steeds niet tot rust gekomen. Een ander onderwerp is de crisis van links en dan met name de PvdA. Men dacht in de jaren negentig het morele gelijk aan zijn zijde te hebben en vergat de inhoud, nu bewandelt men de omgekeerde weg. En ook de moraal wil maar niet wijken. De simpele waarheid ”Wie zaait zal oogsten” wordt nu iedere dag bewaarheid, bijvoorbeeld door een weinig vrolijk rapport over sexuele beleving van jongeren in Rotterdam.

Meer op de achtergrond speelt steeds de vraag hoe al die zaken voor 2002 buiten het maatschappelijk debat gehouden werden. Het zijn vooral de beroepen die dicht op de werkelijkheid zitten, of behoren te zitten, die zich dat aantrekken. Journalisten , politici en wetenschappers willen zich geen tweede keer laten verrassen en leggen hun oor dan ook te luisteren bij het volk. Journalisten gaan meer de straat op om het van de gewone man zelf te horen, politici overbieden elkaar om de stem van het volk te verwoorden, onderzoekers doen hun best bij de alledaagse werkelijkheid te komen. Men houdt daarom de vinger aan de pols, wil de mening van de burger horen en deze laat vandaag de dag zijn stem graag horen. Via de radio en de televisie, en nieuwe podia als weblogs en Internetfora zit men zo gevangen in een meningencircus waaruit het maar moeilijk ontsnappen is.

In dit klimaat komt natuurlijk de vraag naar boven wat al die meningen waard zijn. Elke mening telt weliswaar, dat hebben we nu juist in dit decennium afgesproken, maar telt elke mening werkelijk ? En heeft de een niet meer te vertellen dan de ander , bestaat er een meningenhierarchie ? Deze vraag laat zich beantwoorden door hem te splitsen en te kijken naar een reeel bestaande en wenselijke hierarchie, anders gezegd , naar hoe het werkt en zou kunnen werken.

Over een feitelijke meningenhierarchie hoeven we niet moeilijk te doen, die bestaat. Bedoeld wordt dan dat de ene mening meer aandacht krijgt en dus ook meer gewicht wordt toegekend dan de ander. Een mening wordt gewogen in het aantal minuten dat ze in de media verschijnt en de aandacht die zo gegenereerd wordt. en deze is afhankelijk van status van de eigenaar en de sensatiewaarde van de mening. Hier is het economisch principe werkzaam , meningen vechten om de aandacht ten koste van een andere. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk komt in het boek ”De Hartslag van de Wereld” dan ook met de volgende vergelijking. ” De publieke opinie is veranderd in een beurs. Wie vandaag de dag meningen publiceert, verhandelt aandelen, aandelen in meningen. De publicatie van een hypothese die tot een schandaal leidt is het publicitaire equivalent van de beursgang van een nieuw aandeel.” De publieke ruimte is dan ook voor een groot deel een strijdtoneel. ”Door dat mechanisme is de journalistieke beurs niet meer van de Romeinse arena te onderscheiden”. Men zou hierbij aan Wilders kunnen denken. Er bestaat echter een tweede meningenhierarchie waarbij de intrensieke waarde van een mening telt en niet de waarde op de mediamarkt. De ene mening is nu eenmaal juister dan de ander, is meer op inzicht gebaseerd en past beter op een probleem dan de ander . Ja maar, roept er nu iemand, hoe kun je dat zo zeker weten ?

Voor een technisch probleem is dat evident, op het gebied van het milieu bijvoorbeeld zal een specialist doorgaans een beter oordeel hebben dan een leek hoewel ook niet altijd. Maar voor de collectief-existentiele problemen waar het hier om gaat, immigratie, de positie van Nederland, de moraal kan men ook verdedigen dat de ene mening meestal juister is dan de ander, een adekwater antwoord is op een probleem. Dan zegt specialisme echter weinig zoals blijkt uit de mening van de historicus H.L.Wesseling, eerder dit jaar in NRC Handelsblad. In zijn visie zijn naties kunstmatig, ze zijn ”geconstrueerd” en daarom zouden we er ook makkeljk afstand van kunnen doen. Op naar dat ene Europa. In dit geval vermoed ik toch dat een modale bouwvakker meer besef heeft van de waarde van een land als deze geleerde. De moeilijkheid is dan om deze meningen te beoordelen. Dan zijn we toch weer op de agora want dit is juist de plek waar het beargumenteren, het wegen van meningen in alle openbaarheid en bedachtzaamheid gebeurt. Bestaat deze ? Ja, in kleine kring, bij sommige debatten en soms bij Rondom Tien of bij Buitenhof.

Dit is dus de situatie. Aan de ene kant de arena waar de ene mening het opneemt tegen de ander. Een mening moet hier veel heisa veroorzaken en spierballen hebben om een kans te maken, of van een prinses komen. Het hele zogenaamde debat speelt zich , ruw geschat, voor 90 procent in de arena af. Daarnaast is er nog steeds een gebied als de agora, minder als plein gelokaliseerd en meer als mentaliteit. De moeilijkheid hier is dat er nauwelijks eenheid is in het debat, het is hier en overal, versplinterd. Dat maakt juist dat de journalistiek hier goed werk kan doen , zowel het overzicht leveren als richting te geven. De journalist is dan minder de waakhond van de democratie en meer een medespeler van het spel.

We zullen verder moeten met de werkelijkheid. Roel Bentz van den Berg verwoordde dat onlangs in NRC Handelsblad als volgt : ”De grap is dat we niet op allerlei huwelijkse voorwaarden maar in gemeenschap van goederen getrouwd zijn met de wereld, en dus met alles er op en eraan….We staan nergens boven, maken overal deel van uit.” We kunnen haar niet wegstoppen of naar onze behoefte moreel oppimpen. Als we alleen maar de zonnige kant van het plein kiezen en verder niet opletten staan we op een avond op een ander plein met vele anderen ketelmuziek te maken om de demonen te verdrijven. Omdat de werkelijkheid even voorbij was gekomen.