Debat over lichtvaardige kandidaatstelling

Nederland heeft het meest perfecte kiessysteem ter wereld, anders dan de Britten met hun diep onrechtvaardige districtenstelsel of de Duitsers met hun vijf-procentsdrempel, bedoeld om de ‘extremisten’ buiten het parlement te houden die zich in de praktijk allang in de grote partijen hebben genesteld.

Nederland stelt zijn volksvertegenwoordiging anders samen. Het Nederlandse parlement telt honderdvijftig zetels. Een honderdvijftigste = driekwart. Als dus driekwart procent van de kiezers vindt dat Gerrit Schutte tot het parlement moet toetreden, dan is hij gekozen.
Daar is iedereen over tevreden - behalve de volksvertegenwoordiging zelf. Hoevele pogingen zijn er niet in de laatste decennia geweest om aan het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging te sleutelen? Zij zijn trouwens allemaal mislukt, want een dergelijke ingreep vergt driekwart parlementaire meerderheid, die tot op heden onhaalbaar is gebleken.
Dus is er dit keer iets anders bedacht, in dit geval door minister van Binnenlandse Zaken Hans Dijkstal.
Tot op heden dient een partij die op landelijk niveau aan de verkiezingen wenst deel te nemen honderdnegentig verklaringen, tien per kieskring, over te leggen, te tekenen op het gemeentehuis.
Dijkstal wenst dit tot vijftig te verhogen, zodat er straks niet honderdnegentig, maar negenhonderdvijftig handtekeningen nodig zijn.
Het is een poging om ‘lichtvaardige kandidaatstelling’ te voorkomen - en de bewindsman gaat hierover in mei met de volksvertegenwoordiging in debat.
Hebben wij in Nederland geen andere, dringender problemen?
Op zichzelf is er niets tegen om van politici in spe een zekere inspanning te vragen. Het betreden van de volksvertegenwoordiging impliceert een achterban, die best via een aantal ondersteunende handtekeningen mag worden gedocumenteerd. En zo moeilijk moet dit niet zijn: Je huurt een autobus, stopt daar vijftig sympathiserende SP'ers of CDA'ers in en na afloop van de plechtigheid krijgt iedereen koffie met koek. Niettemin, wij hebben de democratie uitgevonden om haar toegankelijker, en niet ontoegankelijker te maken.
Het lijkt andermaal een actie van de grote partijen om nòg groter te worden, zulks over de rug van de kleine partijen die 'inefficiëntie’ wordt verweten benevens de vertraging van het parlementaire debat.
Alsof het parlementaire debat zonder de kleine partijen al niet traag genoeg is, gevoerd door hakkelaars en mompelaars, vliegenafvangers, specialisten in jij-bakken en 'fractiespecialisten’ die menen dat de wereld ophoudt bij de Onderwijsbegroting of de Wet op het Wegverkeer.
Anders dan bij de kleine partijen, waar, door de wet van het getal gedwongen, de ware generalisten zitten, die het debat juist verlevendigen.
Niettemin vindt Dijkstal dat er actie tegen 'lichtvaardige kandidaatstelling’ moet worden ondernomen, exponent van een kabinet dat, dachten wij, zo'n geharnaste voorstander van de vrije concurrentie is.
Behalve blijkbaar als het om de eigen negotie gaat.