Debuten

Lieke Marsman debuteerde met Wat ik mijzelf graag voorhoud, een overwogen bundel met beheerste en zelfovertuigende lyriek. Dennis Gaens publiceerde Ik en mijn mensen. Net als bij Marsman is het debuut opgebouwd uit gefragmenteerde jeugdherinneringen. Maar Gaens dicht beduidend anders en wil namens velen spreken.

‘je ogen zijn zo rood, omdat/ iemand je heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en/ dat heeft je geraakt’, schrijft Lieke Marsman. Haar debuut kent geen gebrek aan introspectie en bevat talloze uiteenlopende en ongerijmde definities. ‘Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd’, bijvoorbeeld en ‘de taal is vreemd wreed’. Een serie herinneringen in proza aan eerste kennismakingen met sneeuw, alcohol, popsterrenplaatjes en liefde is aardig, een gedicht voor een broertje net te intiem of particulier om ruimte te laten voor een derde, oftewel de lezer.

Wat ik mezelf graag voorhoud leest als een overdacht debuut. Lieke Marsman viel vorig jaar op met gedichten in Tirade. Er leek een discrepantie te bestaan tussen haar leeftijd - ze was toen negentien - en haar beheerste toon. Op haar website plaatst ze vertalingen van nog onbekende Amerikaanse poëzie. In het gedicht Sneeuwuilen in haar bundel dreigt ze poëtisch te redeneren met gebruik van jeugdherinneringen. Vaak gaat het in de bundel over het verschil tussen dier en mens, dat de dichter graag op zou willen heffen. Maar dat lukt haar niet: ‘Alsof we mieren zijn, zeg ik, droom ik dit/ vanuit mierenperspectief. (…) Mensen, dat zijn we als ik niet over ons droom’. Lieke Marsmans stijlkenmerk is het surreëel maken van anekdotes, vriendinnen op een luchtbed, het niet luisteren naar de nabije zee. Haar thematiek is jeugdig, wel is die zeer beheerst uitgewerkt. Begint een gedicht met het (willen) schrijven als onderwerp, dan barst ze alsnog los in directheid: Ik zal zo hard zingen dat het mos ontdooit

Ik zal zo hard zingen dat de berg smelt

Ik zal zo hard zingen

dat er weer paarden kunnen verdrinken

in het moeras aan mijn voeten.

Surreëel is vooral haar neiging te definiëren. Weet u wel wat huid is? ‘de vitrage die ervoor zorgt dat/ onze organen geen schaduwen hebben.’ Ze is zich bewust van haar materiaal: ‘Ik ben voor helemaal niemand bang, maar wel bang voor het woord niemand.’ Soms is zo introspectief dat je er als lezer draaierig door raakt. ‘Ik zie hoe we zijn opgebouwd uit lagen van woorden waar we niet langer aanspraak op maken, dan wat er werkelijk aan onze lippen hangt, een kreet, het antwoord op de vraag niet.’

Lieke Marsman is overduidelijk een groot talent. In de gedichten New York en Western treedt ze buiten de bespiegeling en creëert absurde en intrigerende situaties. Het sterke is dat ze die op zichzelf laat staan en er geen uitgeschreven betrekking mee aangaat. Na nog een herinnering en de vraag ‘waarom schrijf je/ in hemelsnaam nog gedichten’ is dit het antwoord:

omdat mensen niet onder mijn tong

blijven liggen omdat je gedichten stil

kunt laten staan als een luisterend oor

tegen je schokkende borstkas omdat poëzie

aan je ribben is gaan rusten en

een verband heeft aangelegd

met jouw verhaal.

Herkenbaar is het als ze een ‘pauwenoog ter hoogte van mijn wenkbrauw’ ziet als ze haar ogen diep in hun kassen gedrukt heeft. Het gebruik van spreekwoorden is hinderlijk, maar het klinkt naar opzet als ze schrijft ‘ik kan door alle bomen het bos zien,/ omdat ik achter alles iets verzin.’ Slapeloosheid is geregeld de staat van zijn in haar gedichten, tot aan de verzuchting in de laatste regels ‘Slaap, stop mij toe,/ toe laat mij gaan.’

Dennis Gaens was de derde winnaar van de Turingprijs 2010. Of het precies aan die prijs lag weet ik niet, als medewerker van Literair Productiehuis de Wintertuin timmerde hij ook aardig aan de weg. In ieder geval debuteerde hij bij uitgeverij Van Gennep, die de Poëzieclub onder haar hoede heeft en meer dichtbundels uit wil geven. ‘De voorlopige conclusie is dat de blues te weinig beat heeft’, zegt een ongenoemde wij-figuur in het publiek van een concert. Zelfrelativerend is die wij-figuur: ‘dronken en verstand van alles’.

De wij-figuur in het debuut Ik en mijn mensen is vaak net iets te alwetend. ‘Onze sneakers zijn gemaakt voor korte afstanden/ en toch trappen we er de stad mee plat.’ De schrijver relativeert op zijn beurt de alwetende wij-figuur: ‘Wij zijn een soort pact, ik en dit meervoud en/ ons lopen is alles dat we hebben.’ In een gedicht over het nabootsen van vaders komt Leonard Cohen voorbij als die wij ‘bruine kammen’ kopen die ‘in de binnenzak van onze berucht blauwe regenjassen’ passen. Ook weet hij te kantelen: ‘Het uitzicht in dit kozijn lijkt op een scheef ingelijst schilderij.’ En:

Het komt voor dat we zo dronken zijn dat ons denken op

dansen lijkt en andersom.

We kunnen veel van vogels leren,

maar dit soort dingen valt daarbuiten.

Sommige wendingen zijn onhandig. Monteren lijkt me een wat te industriëel werkwoord om iets met plakband aan te brengen. ‘In elk geval in/ haar laatste kopje blijft altijd een bodempje/ staan’ leest een beetje stroef. Dennis Gaens wil iets anders dan gangbare poëzie brengen. En de opvallende wij-vorm heeft af en toe een functie, zoals in het begin van het gedicht De voetgangers zijn ingehuurde acteurs:

Onze lichamen gebaren dramatisch, maar in een

taal zonder antwoord. Onhandig als paspoppen

staan we, niet in staat elkaar vast te houden.

De beste vijf vingers vergroeid in een eerste

onzekere handdruk. Onze gewrichten zijn sneller

stroef dan onze spieren kunnen verslappen. Er zit

geen rek in dit skelet. Elke pas is een tel te laat.

Net als bij Lieke Marsman zijn veel gedichten opgebouwd uit wat jeugdherinneringen moeten voorstellen: boomhutten, een kampvuur, gevouwen vliegtuigen, getekende ogen, meisjes uit de straat. Als hij iemand laat praten, zoals Manuel die uit een land komt waar spinazie geen diepvriesgroente is en in een vriezer alleen maar vlees zit of een bovenbuurman, is zijn toon directer. ‘ik en mijn mensen, wij bouwen geen huizen meer’, schrijft Gaens. ‘ik en mijn mensen,/ wij hebben intrek genomen.’

‘rechte hoeken maken scherpe randen, moet u weten.’ Over de non-existentie schrijft hij een herinnering aan een badkuip: ‘Ze zeggen dat “er niet zijn” geen bestaande ervaring is. Dit is hoe het eruitziet.’ Dennis Gaens schrijft net iets te vaak ‘deze stad’ en dat heeft iets gedragens, iets theatraals. De bundel verraadt daarmee toch een romantische inborst. Portretten van personen - een meisje dat met een hond in een auto leeft, Tommy die barman wil worden - blijven iets te karikaturaal. Sterker klinkt hij als hij zich opnieuw in de wij-figuur tegen de bestaande architectuur keert en tegen stoepen en verkeerslichten en hoge gebouwen die loom maken. Aardig is de opmerking over een kermis: ‘op den duur moet je hier kleurenblind worden.’ Een treffende dichtregel is ‘alles is fabriek’ en je zou willen dat Gaens die niet als refrein laat terugkeren maar als bouwsteen gebruikt voor een krachtig gedicht. ‘We leerden spellen aan de hand van nummerplaten en zijn vandaag de dag nog verbaasd dat er zo weinig woorden met een X bestaan.’ Misschien wil Dennis Gaens in zijn debuut te veel definiëren, te veel in kaart brengen en namens te veel mensen spreken. Net als Marsman toont hij talent en vermogen, ook al is het in een totaal ander register. Dat uit zich vooral in zekere treffende passages: ‘alles wat u meemaakt zijn zware voeten op steeds de volgende traptree, uw klamme handen om de leuning en uw snelle hartslag.’

Lieke Marsman, Wat ik mijzelf graag voorhoud. Van Oorschot, 60 blz., € 14,50.

Dennis Gaens, Ik en mijn mensen. Van Gennep, 70 blz., € 16,-