Deconstructie van een trauma

Gruwelijke slachtingen en grote aantallen vermisten. Dat is waar wij in Nederland aan denken als het over Srebrenica gaat. Bekentenissen als die van de Bosnisch- Servische soldaat Drazen Erdemovic vorige week halen dan ook steevast de voorpagina. Maar waren de Moslims wel zo massaal slachtoffer van de Serviers? En vooral: waren zij zelf wel zo onschuldig? Rene Gremaux is antropoloog; Abe de Vries studeert geschiedenis te Groningen. OVERSTE TON KARREMANS, de man die politiek Nederland vreselijk irriteerde, is bevorderd tot kolonel. ‘De Moslims hebben 192 dorpen in Oost-Bosnie platgebrand’, verklaarde hij nietsvermoedend op een niet al te best voorbereide persconferentie in Zagreb. ‘Daarom zeg ik: er zijn in deze oorlog geen “good guys” en “bad guys”.’

Je reinste Servische propaganda, zo luidde het oordeel van zowel de pers als de Haagse goegemeente. Ook Karremans’ bewondering voor de militaire kunsten van de wegens oorlogsmisdaden aangeklaagde Bosnisch-Servische bevelhebber Ratko Mladic viel verkeerd, om van het handig gefilmde en door TV Pale uitgezonden alcoholische onderonsje van beide heren nog maar te zwijgen.
In Srebrenica had volkerenmoord, genocide, plaatsgevonden. Het stond voor de ministers Pronk en Voorhoeve meteen vast. Dutchbat kon bij de intocht van de Serviers weinig anders doen dan machteloos toekijken - ‘the darkest moment of the UN mission’, volgens VN-woordvoerder Ivanko. Srebrenica groeide uit tot het symbool van onze nationale schaamte. 'Onze jongens’ hebben immers het veld geruimd voor de keelafsnijders van Mladic. Door hun passiviteit zijn ze medeplichtig geworden aan het wreedste bloedbad tegen burgers in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
Dat is het bekende beeld, maar het is noch het enige, noch het volledige, zoals blijkt uit gesprekken met deskundigen en vluchtelingen van Servische zijde en uit een nauwkeurige vergelijking van diverse rapporten, verslagen en krantestukken. Alle berichten over massagraven ten spijt, hoeveel Moslims zijn er nu werkelijk vermist? Hoe betrouwbaar zijn de getuigenverslagen van massa-executies? Wat klopt er van het gerucht dat Moslimmilities onderling slaags zijn geraakt? En hebben Moslims nu wel of niet al die Servische dorpen in Oost-Bosnie uitgemoord en verwoest?
BELGRADO, EEN KILLE avond in januari. De Servische cameraman en journalist Zoran Petrovic-Pirocanac is kwaad. Hij zint op juridische stappen nu zijn werk als een schakel in de bewijsvoering van massa moord wordt gezien. Het Duitse blad Stern Magazin van 16 november 1995 plaatste het volgende onderschrift bij een beeld uit zijn videoband: 'Seconden voor de moord: Bij Konjevic Polje houden gewapende Serviers een groep Moslims in bedwang. Een Servische cameraman filmde het schouwspel totdat de eerste salvo’s werden afgevuurd.’ Maar Petrovic zegt zowel voor als na de opname geruime tijd ter plekke te zijn geweest - van misdaden is hem toen niets gebleken. Ook herkent hij zich niet in de woorden die Harm van den Berg en Frank Westerman hem in NRC Handelsblad in de mond hebben gelegd: 'In totaal hebben onze strijdkrachten tweeduizend Moslims afgemaakt.’ De Moslims zijn volgens Petrovic niet afgemaakt, ze zijn gesneuveld.
Niet bekend
Een van hen is de in een dorpje bij Srebrenica geboren, 25-jarige soldaat Mevludin Oric. Hoewel het Haagse tribunaal hem verzocht niet in de openbaarheid te treden, gaf hij toch, geirriteerd door 'het gebrek aan belangstelling van staatsinstellingen voor hem en zijn gezin’, in oktober vorig jaar een exclusief interview aan het Kroatische blad Nedjeljna Dalmacija. Oric - 'mijn vader is verdwenen, alle vier mijn zwagers en tal van neven zijn vermoord’ - blijkt familie te zijn van Nasr Oric, de commandant van Srebrenica, die door de Serviers van oorlogsmisdaden wordt beschuldigd ('het Beest van Bosnie’) en tegen wie het tribunaal een aanklacht in voorbereiding heeft.
Mevludin Oric vertrok als HVO-vrijwilliger in januari 1992 naar Kroatie om er een militaire opleiding te volgen. Hij zou bij de eventuele herovering van Vukovar worden ingezet, maar belandde als lid van de beruchte Kroatische vrijwilligersbrigade 'Koning Tomislav’ in Herzegovina, waar hij onder andere meehielp aan de bezetting van de kazerne te Capljina (later een gevangenkamp voor Serviers). Na een korte vakantie in Kroatie werd Oric samen met andere vrijwilligers de Sava overgezet om in de plaats Orasje de strijd tegen de 'Cetniks’ (de Serviers) aan te binden. In deze streek, de Posavina, vond nog voor de oorlog goed en wel was begonnen de eerste massamoord plaats - niet met Kroaten of Moslims maar met Serviers als slachtoffers (Sijekovac, 27 maart 1992).
Vrijwilligers als Oric vormden de kern van de militaire politie van de HVO en verzorgden de 'toelevering’ aan het uitgebreide systeem van Moslim-Kroatische gevangenkampen dat in dit gebied ontstond. Toen Oric hoorde van de moeilijkheden in Srebrenica, besloot hij naar zijn geboortegrond terug te keren. In het interview zegt hij te hebben gediend als 'commandant van een sabotage-eenheid’. Het terrein rond de stad kende hij op z'n duimpje; aan de vooravond van de grootscheepse uittocht van de Moslims wist hij al 'dat niet meer dan de helft van ons het zou kunnen uithouden’. Oric vertrok in de achterhoede van de kilometers lange stoet. Hij werd in de buurt van Kravica gevangengenomen en beweert dat de Serviers hem via Bratunac naar een school annex gymzaal in het dorpje Glumina ten westen van Zvornik hebben gebracht. De mannen daar werden in vrachtwagens weggevoerd naar een executieplaats. Oric kan het navertellen, net als de 55-jarige Hurem Suljic, de 63-jarige Smail Hodzic en Nedzad Avdic, een jongen van zeventien.
IS BIJ ORIC diens persoonlijke geschiedenis reden tot twijfel, bij Smail Hodzic en Hurem Suljic zijn het de inconsequenties die opvallen. Eerst was Hodzic getuige van de hinderlagen die de Serviers langs de weg naar Zvornik hadden gelegd. Hij werd opgepakt, afgevoerd naar 'een basketbalhal bij Bratunac’ en daarna naar een executieplaats gebracht, 'een groot veld vlakbij een bos’, zo verklaarde hij tegenover Alexandra Stiglmayer in Die Woche van 28 juli. Even later verklaarde Hodzic tegenover Roy Gutman in Die Tageszeitung van 11 augustus dat hij was vastgehouden in 'het voetbalstadion van Nova Kasaba’, vanwaar hij en anderen waren afgevoerd om vermoord te worden, 'vermoedelijk (in) een dorp genaamd Grbavce’. In de derde versie, verhaald op 4 oktober aan Aida Cerkez van Associated Press, onderging Hodzic hetzelfde lot als Oric, Suljic en Avdic. Nu werd hij naar 'een school in Krizevci’ gebracht en vonden de massa-executies ergens in de buurt van Karakaj plaats.
Volgens Suljic zouden ook in de school moorden zijn gepleegd. Hij kwam op 16 februari dit jaar aan het woord in BBC- Newsnight. Opnamen van een niet nader geidentificeerde 'school bij Karakaj’ toonden inderdaad kogelgaten, een in het pla fond en een in de muur van een wc. Maar in het uitvoerige bericht over Suljic in The Washington Post van 6 november 1995 staat niets over executies in een school, terwijl wel sprake is van afranselingen in een warenhuis bij Bratunac, een plek waar Suljic ook gevangen zou zijn gehouden.
Een andere school waar zich slachtpartijen moeten hebben afgespeeld staat volgens Robert Block in The Independent van 21 juli 1995 in Bratunac. Een vrouw, een inwoonster van Servie, had pas haar zwager bezocht die soldaat was in het Bosnisch- Servische leger: 'Hij en zijn vrienden zijn nogal open over wat daar gebeurt’, zei ze. 'Ze zijn Moslimsoldaten aan het doden. Ze zeiden dat ze er alleen gisteren al (maandag 17 juli - rg/adv) zestienhonderd hadden gedood en ze schatten dat ze er in totaal ongeveer vierduizend hadden omgebracht. Ze zeiden grote haast te hebben, zodat ze de meesten neerschoten.’ Een paar dagen later kwam ook Blocks collega Louise Branson van The Sunday Times met een Servische op de proppen. Haar man, die eveneens in het Bosnisch-Servische leger vocht, had het over massale schietpartijen met drieduizend doden, niet in een school, maar op een sportveld in Bratunac.
Tot nog toe is de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch er niet in geslaagd overlevenden van deze misdaad op te sporen. 'Er moet een gedetailleerder onderzoek worden ingesteld om te bepalen in welke mate er schendingen van de mensenrechten in het gebied bij Bratunac hebben plaatsgehad’, staat er in het desbetreffende rapport.
OPVALLEND IS ECHTER dat het verslag van kapitein-ter-zee-arts Schouten niet werd opgenomen, hoewel de Nederlander nota bene de enige VN-militair was die zich ten tijde van het veronderstelde bloedbad dagen achtereen in Bratunac bevond. Schouten in Het Parool van 27 juli 1995: 'Iedereen praat iedereen maar na, maar niemand komt met harde bewijzen. Wat me opvalt is dat men in Nederland koste wat het kost wil bewijzen dat er sprake is van genocide. (…) Als er daar executies zijn geweest, dan hebben de Serviers dat wel verdomd goed geheim gehouden. Ik geloof er dan ook niets van. De dag na de val van Srebrenica, op 13 juli, ben ik in Bratunac aangekomen en ik ben er acht dagen gebleven. In die tijd kon ik gaan waar ik wilde. Er is mij alle medewerking verleend, nergens ben ik tegengehouden.’
Schoutens relaas wordt bevestigd door Milivoje Ivanisevic, een Servische publicist die de gebeurtenissen in en rond Srebrenica vanaf 1992 gedetailleerd heeft beschreven. Hij was van 6 tot 16 juli ter plaatse. 'Er zijn tussen Srebrenica en Bratunac geen massa- executies geweest’, zegt hij tijdens een ontmoeting met een van ons in januari in Belgrado. 'Bij de bevrijding zijn er in de directe omgeving van Srebrenica vijfhonderd Moslims omgekomen. Wat zich verderop heeft afgespeeld weet ik niet. Ik was daar niet en heb dus niets kunnen zien.’ Ivanisevic noemt het erg onwaarschijnlijk dat grote aantallen Moslimsoldaten na hun overgave of gevangenneming met opzet zijn gedood. Er zijn misschien excessen geweest door de grootte van de groepen gevangenen en het soms kleine aantal Servische bewakers, maar het doel was volgens hem om zoveel mogelijk mannen in leven te laten, om ze dan later te kunnen ruilen tegen elders vastgehouden Serviers.
In zijn optiek zijn de Moslims er zelfs nog genadig van afgekomen. 'Je had die vrouwen moeten zien met al die oorlogskinderen op schoot die wij netjes op transport hebben gesteld. Zij zouden ons heel anders hebben behandeld.’ Hij toont foto’s van de in een geitestal veranderde orthodoxe kerk, van verwoeste Servische grafzerken en van 'omaatje Iva’ (Ivanka Mirkovic), de enige in Srebrenica overgebleven Servische, die hij op 12 juli met doorgesneden keel in een trappenhuis aantrof.
OF HET ER NU enkele honderden zijn, zoals je hier en daar in Servie hoort fluisteren, of zevenduizend, zoals elders wordt gevreesd: als er mensen zonder proces voor vuurpelotons zijn gezet, is dat een oorlogsmisdaad waar de schuldigen voor moeten boeten. Anderzijds steekt de speurtocht van westerse media, mensenrechtenorganisaties en overheidsdienaren naar massagraven van Moslims wel erg schril af tegen het gebrek aan belangstelling voor de ruim duizend doden - hoofdzakelijk burgers - die aan Servische kant vanaf het begin van de oorlog in en om Srebrenica zijn gevallen.
Om te begrijpen hoe het zo ver kon komen, moeten we een blik werpen op sociaal-geografische factoren en de recente regionale geschiedenis. In 1991 telde de gemeente Srebrenica 37.211 inwoners, onderverdeeld in 27.118 Moslims (72,8 procent) en 9.381 Serviers (25,2 procent). Voor Bratunac geeft de census 33.575 inwoners: 21.564 Moslims (64,2 procent) en 11.479 Serviers (34,2 procent). Als boeren hadden Serviers gemiddeld meer land in eigendom dan Moslims. 'Etnische vermenging’ bestond alleen voor de oppervlakkige beschouwer; de meeste dorpen en gehuchten hadden een afgetekende etnisch-religieuze meerderheid, hetzij Servisch, hetzij Moslim.
Dit werd een probleem in de maanden voorafgaand aan de oorlog, toen de spanning opliep en beide groepen zich kwetsbaar gingen voelen. Moslims werden niet langer in het JNA, het Joegoslavische federale leger, gerecruteerd. Serviers kregen geen oproepen meer voor dienst bij de lokale Territoriale Verdediging en de politiereserve. Waar Serviers vertrouwden op bescherming door het JNA, kregen groepen Moslims training van Kroatische milities. De SDA, de Moslimpartij van Alija Izetbegovic, zorgde voor de wapens.
Een van de redenen voor het toenemende wantrouwen onder Serviers was een congres van de SDA in december 1991. Deze partij, die pas in 1994 haar uitdrukkelijk Moslim-nationalistische en pan-islamitische programma zou koppelen aan een meer seculiere en 'pan-Bosnische’ presentatie, besloot een radicale bevolkingspolitiek te gaan voeren. Het einddoel was de dzamahirija, de islamitische staat. Met name in Oost-Bosnie moesten zich op grote schaal Moslims vestigen. In het noorden zou dan een cordon sanitaire ontstaan tussen Servie en de Bosnische Serviers, in het zuiden was een demografisch-territoriale verbinding met de Sandzak en Kosovo wenselijk. Duizenden Moslims uit de Sandzak emigreerden naar Bosnie, en afstammelingen van Bosnische Moslims die zich in de loop der tijd in Turkije hadden gevestigd, ontvingen een oproep om terug te keren.
BEGIN 1992 SCHROKKEN de Serviers opnieuw, toen in de hele republiek uitnodigingen werden verspreid voor een grote massabijeenkomst van Moslims in Bratunac, te houden op de eerste dag van de bajram, de feestelijke afsluiting van de ramadan. Het initiatief voor deze manifestatie in 'het geografische centrum van Moslims uit heel Joegoslavie’ was uitgegaan van de Nationale Moslim Raad, die openlijk streefde naar volksbewapening en de vorming van een Moslimstaat binnen de Bosnische grenzen.
Gewapende Moslimbendes, waaronder afdelingen van de in het naburige Vlasenica opgerichte Patriottische Liga, zaaiden vanaf april 1992 angst onder de Servische inwoners van de kleinere gehuchten en de dorpen met een Moslimmeerderheid. Ook de Moslims waren beducht voor milities van buiten de eigen regio, laat daar geen misverstand over bestaan. Ivanisevic spreekt in dit verband van 'een evenwicht van angst’. Deze wederzijdse afschrikking, waarbij over en weer militieleden en gewapende burgers hun buren bespiedden of in gijzeling hielden, liep echter al snel uit op een drama.
Op 20 april 1992, een dag voor de Serviers Vlasenica innamen en de Moslims uit deze stad verdreven, vielen bij Srebrenica aan Servische zijde de eerste vijf doden. Vermoedelijk behoorden ze tot de Jovic- militie, een militie van niet-plaatselijke Serviers. Op 6 mei (de orthodoxe feestdag van St. Joris) voerden Moslims uit Potocari en Srebrenica een aanval uit op de dorpen Gniona en Bljeceva. Huizen van Serviers werden geplunderd en platgebrand en een deel van de bevolking kwam om het leven. Leider van de aanval op Gniona was Nasr Oric. De dag daarop kwamen zeven Serviers om in een hinderlaag bij Osmace. Weer een dag later, op 8 mei, werd rechter Goran Zekic, parlementslid en leider van de SDS (de Servische Nationale Partij) van Srebrenica, in een hinderlaag gelokt en vermoord. Bijna alle ruim zestienhonderd Serviers uit de stad kozen toen eieren voor hun geld. In de nacht van 8 op 9 mei 1992 vertrokken ze en masse richting Bratunac, waar ze werden uitgemaakt voor kukavice (lafaards).
Plaatsen als Cerska, Srebrenica, Zepa en Gorazde werden toevluchtsoorden voor duizenden Moslims die door Servische offensieven waren verdreven, maar ook Serviers werden getroffen door etnische zuiveringen. Van mei 1992 tot april 1993 werden vanuit Srebrenica eerst de dorpen met een Servische minderheid aangevallen, daarna Servische dorpen omringd door Moslimdorpen, en uiteindelijk waren plaatsen aan de beurt in compacte Servische vestigingsgebieden, zoals Podravanja, Kravica en Skelani. Voor heel de Podrinje - het gebied aan de Bosnische oever van de Drina tussen Zvornik in het noorden en Visegrad in het zuiden - maakte het Bosnisch-Servische weekblad Javnost op 23 december 1995 melding van 192 platgebrande dorpen, met 2800 doden en zesduizend gewonden. Volgens Ivanisevic gaat het alleen al in de regio Milici-Srebrenica-Bratunac-Skelani om meer dan honderd dorpen waar Serviers woonden, waarbij onder 'dorpen’ ook dorpsdelen en gehuchten moeten worden verstaan.
Deze misdaden wachten nog op onafhankelijk onderzoek, hoewel ze zijn bevestigd door teruggekeerde Nederlandse VN-militairen. Luitenant Jasper Verplanke van het Korps Commandotroepen zei in het Nieuwsblad van het Noorden van 17 augustus 1995: 'Door de tactiek van de verschroeide aarde toe te passen heeft Nasr Oric in het begin van de oorlog grote delen van Bosnie in handen gehad. Daarbij, en daarin heeft Karremans gelijk, zijn grote slachtpartijen onder de Servische bevolking aangericht. Nederland zeurt dan weer over bewijzen. Zeurt, want het is natuurlijk niet vastgelegd op ziets als de “funniest home video’s” dat vrouwen zijn verkracht en mannen zijn vermoord. Maar het is wel gebeurd!’
OOK NADAT DE VN in april 1993 van Srebrenica een 'veilige haven’ hadden gemaakt gingen de uitvallen door. Over funniest home video’s gesproken: in februari 1994 liet Nasr Oric trots een videoband zien van een uitgebrand dorp en van onthoofde lichamen van Serviers aan John Pomfret van The Washington Post. Dat eerst de Canadese en later de Nederlandse blauwhelmen zulke acties niet konden voorkomen doordat ze er niet in slaagden de afgesproken ontwapening van de Moslimstrijders tot stand te brengen, betekende in feite de mislukking van het safe area-concept. 'Stelselmatige uitvallen van Moslimstrijders tegen Bosnisch-Servische doelen rondom de enclave hebben de spanning rond Srebrenica verhoogd en zijn door de Bosnische Serviers aangegrepen om hun offensief tegen de enclave te rechtvaardigen’, schreef minister Voorhoeve aan de Tweede Kamer. De 'veilige gebieden’ waren te zeer afhankelijk van de medewerking van de strijdende partijen - iets wat na de val van Srebrenica alom is geconstateerd, maar wat daarvoor lange tijd over het hoofd is gezien.
Voor de aanval op de enclave doen verschillende verklaringen de ronde. Servische moordzucht en hang naar etnische zuiverheid is een veel genoemde, maar niet de meest waarschijnlijke reden. Het Pentagon hield het op een wraakactie voor het mislukte voorjaarsoffensief van de Moslims rond Sarajevo. De Podrinje-brigade van hun Tweede Korps had moeten uitbreken naar de verkeersweg Han Pijesak-Vlasenica en vandaar moeten doorstoten naar Srebrenica; de militairen hier streefden op hun beurt naar aansluiting bij Zepa.
De Serviers zelf wezen erop dat sinds de intocht van de VN-vredesmacht meer dan honderd van hun burgers en soldaten waren omgekomen bij raids van Moslimcommando’s. Alleen al in mei en juni 1995 zouden de Moslims tien van zulke tochten op touw hebben gezet, waarbij ze zelfs waren doorgedrongen tot vlakbij Bratunac. 'Deze actie heeft tot doel terroristen uit te schakelen en is niet gericht tegen burgers of VN-troepen’, schreef Mladic tijdens de aanval op Srebrenica aan de Britse commandant Rupert Smith. Servische soldaten, de meesten afkomstig uit de streek zelf, hadden bij hun inval in juli lijsten bij zich met honderden namen van Moslims die van oorlogsmisdaden werden verdacht. Arrestaties van Moslimmannen hadden in elk geval voor een deel een selectief karakter. 'De Serviers kenden de mannen’, volgens een Nederlandse chauffeur. 'Ze hadden hele lijsten bij zich en foto’s. Ze werden er zo uitgepikt.’
De aanval was volgens Mladic in eerste instantie niet bedoeld om de hele enclave in handen te krijgen. Daartoe zou pas zijn besloten nadat een groot deel van de Moslimtroepen in de nacht van 10 op 11 juli 1995 de verdediging opgaf en een uiterst riskante uitbraakpoging waagde richting Tuzla. 'De Moslims zijn de nacht voor de aanval massaal gevlucht’, aldus de Nederlandse landmachtattache in Washington, kolonel G. van Oppen, in het Fries Dagblad van 13 oktober 1995: 'In Nederland is nooit de vraag gesteld waarom dat is gebeurd.’ Al op 13 juli wist Michael Evans van The Times op gezag van 'Western intelligence sources’ te melden dat Moslimcommandanten na een provocatie hunnerzijds de stad hadden verlaten in de nacht voordat de eerste Servische tanks kwamen binnenrollen. 'Voor de Servische opmars begon hadden de Moslims Servische eenheden beschoten langs de hoofdweg naar het zuiden. (…) De klaarblijkelijke beslissing van de Moslims om de stad te verlaten bood de Serviers een onverwachte mogelijkheid Srebrenica in te nemen.’
DE GANG VAN ZAKEN roept herinneringen op aan de gebeurtenissen rond Gorazde in april 1994. Wat daar toen voorviel, wordt duidelijk uit een studie van de Amerikaanse overste John Sray, ex-hoofd Inlichtingen van Unprofor in Sarajevo: 'Twee Britse waarnemers bevonden zich in een observatiepost achter een stelling van de Moslims die voor onbepaalde tijd verdedigd had kunnen worden. De Moslims hadden hier al verschillende Servische aanvallen afgeslagen. Toen realiseerden ze zich dat de Britten vlak achter hen zaten. Bij de volgende Servische aanval trok de infanterie van de Moslims zich onverwachts en zonder reden terug. Hun enige motief was de waarnemers bloot te stellen aan een in verwarring gebracht Servisch aanvalsteam. Servische kogels doodden een van de Britse militairen en verwondden de ander; maar de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Bosnische Moslims, die hoopten een grote vergeldingsaanval van de Navo uit te lokken als straf voor de moord op een neutrale waarnemer.’ (John Sray in Selling the Bosnian Myth to America: Buyer Beware).
Het opzetje bij Gorazde misluke, maar bij Srebrenica werden dit keer geen halve maatregelen genomen. Behalve de vlucht van de Moslimtroepen in de nacht voor de aanval zijn er nog veel meer aanwijzingen dat de Moslimleiding de enclave opzettelijk heeft laten vallen. De verdediging was al ernstig verzwakt doordat de elitetroepen in Srebrenica al ver voor de maand juli waren teruggetrokken en overgebracht naar Tuzla, Sarajevo en Treskavica, volgens een Bosnisch-Servische commandant van een eenheid voor speciale opdrachten. Ook Nasr Oric zelf, die gezworen had dat Srebrenica nooit Servisch zou worden zolang hij er de scepter zwaaide, was niet meer aanwezig. 'Zijn handel en wandel in de maanden die vooraf gingen aan de val van Srebrenica vormen nogal een mysterie’, aldus Charles Lane in de Volkskrant van 12 augustus 1995. Maar Ivanisevic beweert dat Oric samen met tweeduizend tot 2500 van zijn beste soldaten in april en mei 1995 naar het gebied ten zuiden van Sarajevo werd geroepen in verband met het daar op handen zijnde Moslimoffensief.
Schattingen van het aantal gewapende achterblijvers vlak voor 10 juli 1995 lopen uiteen van zes- tot tienduizend, met drie- tot vierduizend reguliere militairen. De Serviers konden daar minstens 3500 man tegenover zetten, afkomstig uit de regio, uitgerust met een betere bewapening, maar voorzien van slechts vier sterk verouderde tanks. Overigens namen niet meer dan een paar honderd man deel aan de aanval op de stad zelf. Zulke krachtsverhoudingen lijken het opportunistische karakter van het Servische offensief te bevestigen. Ook van belang is het feit dat de Moslims in april, mei en juni grote verliezen hadden moeten incasseren bij proviandtransporten tussen Srebrenica en Zepa, hetgeen twijfels kan hebben gewekt aan de kansen om de stad op termijn nog te kunnen verdedigen. Het gebied had nauwelijks natuurlijke hulpbronnen en was strategisch van veel minder belang dan bijvoorbeeld Gorazde.
Uiteindelijk ging de Bosnische regering in de aanloop tot 'Dayton’ akkoord met het idee van een gebiedsruil: Srebrenica, Zepa en Gorazde voor Servisch Sarajevo. De Bosnische minister van Buitenlandse Zaken, Muhamed Sacirbey, had minister Voorhoeve al van deze optie op de hoogte gesteld tijdens gesprekken in mei (zie de Volkskrant van 1 november 1995). De deal kwam de Amerikanen goed uit, met een verkiezingscampagne voor de deur. Maar ook de veel bekritiseerde vredesmacht van de VN was de 'veilige zones’ liever kwijt dan rijk. Srebrenica werd het keerpunt, zowel militair, politiek als publicitair. Pas de aftocht van de blauwhelmen maakte de Navo-luchtaanvallen van september mogelijk. De stroom gruwelberichten over massa-executies overschaduwde de Kroatische terreur in de Krajina en ook vernam geen mens iets van de Moslim-Kroatische misdaden in steden als Glamoc, Grahovo en Sanski Most. Een ander resultaat was het definitieve isolement van Karadzic en Mladic. Nu mocht de Servische president Milosevic in Dayton de Bosnisch-Servische belangen behartigen, wat volgens de Brits-Servische historicus Srdja Trifkovic gelijk stond aan het 'toevertrouwen van een bloedbank aan graaf Dracula’.
BLIJFT NOG DE vraag open om hoeveel vermiste, mogelijk vermoorde, mogelijk gesneuvelde Moslimmannen het eigenlijk gaat. Volgens Miroslav Deronjic, de civiel commissaris van de nieuwe gemeente Srebrenica-Skelani, zijn het er tweeduizend; volgens Amnesty International vierduizend; volgens het Internationale Rode Kruis zeven- tot achtduizend en volgens Moslimbronnen acht- tot twaalfduizend. Ieder cijfer vertegenwoordigt een reusachtige tragedie, maar is ook de uitkomst van een hypothetisch aftreksommetje.
De grootte van de bevolking voor de val is niet met zekerheid vast te stellen. Met cijfers werd in de Bosnische oorlog vaak gegoocheld en men mag aannemen dat dit ook in Srebrenica gebeurde. Ter illustratie: de onlangs afgetreden Bosnische premier Haris Siladzjic gaat uit van een bevolking van zestigduizend mensen, evenals aanklager Goldstone in zijn indictment tegen Mladic en Karadzic, maar de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, hanteert 38.000 als richtcijfer. Nadat in april 1993 enkele duizenden Moslims waren geevacueerd, bleef er tussen Srebrenica, Zepa en Tuzla op bescheiden schaal steeds verkeer mogelijk. Daarnaast zijn er in drie jaar tijd bij gevechten en beschietingen wellicht tussen de zestienhonderd en de drieduizend Moslims omgekomen. 'Er is nooit een volkstelling geweest’, zei legerarts Schouten. 'Misschien waren er wel 31.000 mensen.’
Het ICRC telde op 14 juli 23.000 met bussen naar Tuzla gebrachte vluchtelingen, waarvan meer dan de helft kinderen. Bij deze groep hebben zich later te voet nog duizenden Moslimmannen gevoegd. In totaal hebben de Wereldgezondheidsorganisatie en de Bosnische regering inmiddels 35.632 vluchtelingen uit Srebrenica geregistreerd. Een onbekend aantal mannen heeft zich echter niet laten registreren en is blijkens mededelingen van het Bosnische regeringsleger opgenomen in hun 28ste divisie. Anderen (duizend? tweeduizend?) zijn naar Zepa en Servie gevlucht.
MEER DAN TIENDUIZEND personen werden als vermist opgegeven. 'Voorzichtigheid is geboden bij het trekken van conclusies over het aantal vermisten op basis van dit cijfer’, schreef VN-rapporteur Tadeusz Mazowiecki, 'omdat er mogelijk doublures zitten in de opsporingsverzoeken en omdat opgeloste gevallen niet altijd aan het Internationale Rode Kruis worden gemeld.’ Ook kunnen gefingeerde namen zijn opgegeven om het aantal vermisten te vergroten, of om te ontsnappen aan vervolging wegens oorlogsmisdaden.
De opvolgster van Mazowiecki, Elisabeth Rehn, hield na aftrek van doublures achtduizend mensen over wier lot onbekend was: vijfduizend personen in de dienstplichtige leeftijd die de enclave voor de val hadden verlaten en drieduizend van hun familie gescheiden mannen. Rehn sloot zich aan bij Mazowiecki, die op basis van 'sterke aanwijzingen’ vermoedde dat de vermiste Moslims waren vermoord. Bij haar bezoek aan locaties bij Srebrenica in januari dit jaar leek ze haar eerdere uitlatingen overigens iets af te zwakken: ze was nog op zoek naar bewijzen.
Ook Miroslav Deronjic gaf in een rapport zijn versie van de gebeurtenissen: 'Volgens gegevens van het Leger van de Republika Srpska (de eenzijdig uitgeroepen Servische republiek in Bosnie-Herzegovina - rg - adv) hebben zich ongeveer zesduizend Moslimdienstplichtigen niet bij de konvooien voor evacuatie aangesloten, maar hebben de gewapende strijd voortgezet, dan wel geprobeerd een doorbraak uit te voeren door de Servische verdedigingslinies in de richting Srebrenica-Kravica-Konjevic Polje-Cerska- Crni Vrh-Tuzla. Gevechten met deze groep (…) hebben zich de volgende twintig dagen voortgezet in het rayon Konjevic Polje-Cerska-Udrica. Hierbij is een groot aantal Moslimstrijders gesneuveld, hetzij bij het doorbreken van de verdedigingslinies van Bratunac en Zvornik, hetzij in onderlinge afrekeningen tussen hun eenheden. Een deel van hun strijders heeft zich overgegeven - een klein aantal: tweehonderd - en zij zijn als krijgsgevangenen overgebracht naar de militaire gevangenis in Bjeljina; het grootste deel, ongeveer vierduizend mannen, is doorgedrongen tot het territorium van de gemeente Tuzla. (…) Het is onmogelijk precieze gegevens over het aantal gesneuvelde Moslimsoldaten te verkrijgen, omdat de gevechten in een gebied van enorme omvang hebben plaatsgevonden en in verschillende richtingen.’
Dat Moslims ook onderling hebben gevochten, zoals Deronjic beweert, is niet terug te vinden in de rapporten van Mazowiecki, Rehn en Human Rights Watch, maar is uit verklaringen van Nederlandse VN-militairen wel bekend. Moslims zijn minstens twee keer onderling slaags geraakt; volgens generaal Couzy ging het hierbij om het meningsverschil over de vraag de enclave te verdedigen dan wel te ontvluchten. Het Joegoslavische persbureau Tanjug berichtte al in februari vorig jaar over een 'fel geschil en vuurgevecht’ in de buurt van het dorp Slap tussen Moslims die via Servie naar Macedonie wilden vertrekken en de mannen van Oric, die in het dorp Luka de Drina-overgangen controleerden. Later spraken onbevestigde berichten van een rivaliserende 'gematigde’ militaire eenheid onder bevel van ene Osman Suljic. In juli zouden Moslims uit Srebrenica die zich wilden overgeven hard zijn aangepakt door hard-liners onder commando van Zulfo Tursun, Ejub Golic en Nezir Mandzic. Zo'n gevecht, aldus Deronjic, zou er vlak na de val van de enclave bij Bokcin Potok zijn geweest. Een ploeg van het NOS-journaal ontdekte hier op 3 februari de lijken van enkele tientallen slachtoffers.
KUNNEN WE NU, alles overziend, ook maar iets zeggen over het aantal vermiste mensen? Het jongste, door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gehanteerde cijfer van zevenduizend lijkt vooralsnog veel te hoog, maar dat veel gevluchte Moslims in grote onzekerheid verkeren over het lot van hun vrienden en familieleden, is wel zeker. Zijn ze op bevel van hogerhand vermoord of ging het om individuele wraakacties? Worden honderden, misschien duizenden Moslims door de Bosnische Serviers vastgehouden om dwangarbeid te verrichten, zoals sommige vluchtelingen in Tuzla denken of in elk geval hopen? Het wordt hoog tijd dat vermoedelijke massagraven door een onpartijdige instantie worden onderzocht en dat er verdachten worden gehoord die medeplichtig zouden zijn aan massamoord (zoals de vorige week gearresteerde Bosnisch-Servische soldaat Drazen Erdemovic). Pas dan komt er klaarheid over de ware toedracht en de werkelijke omvang van de tragedie in Srebrenica.