Anish Kapoor in De Pont

Decorstukken zonder diepte

De Pont in Tilburg is geen haastig museum. Je kunt er de tijd nemen om langer te kijken. Maar het tentoongestelde werk van Anish Kapoor doet geen aanspraak op de zintuigen en vraagt niet om inspanning.

Wie deze dagen museum De Pont in Tilburg bezoekt mag drie werken niet missen, vind ik: Wachsraum uit 1992 van Wolfgang Laib, Wedgework III van James Turrell en Untitled van Anish Kapoor uit 1992. De laatste is een installatie in een van de wolkamers terzijde van de grote tentoonstellingsruimte. Alle drie zijn onderdeel van de vaste collectie en schoolvoorbeelden van de bedachtzame, op rustig kijken gerichte manier van presenteren die De Pont kenmerkt. Het is geen haastig museum; tentoonstellingen staan er relatief lang, en er wordt weinig op de grote trom geslagen.

De drie werken van Laib, Turrell en Kapoor zijn allemaal groot van schaal en stevig van effect. Het zijn directe uitdagingen aan de waarneming. Wachsraum is een gang, een smalle schemerruimte, verlicht door één peertje. De wanden en de zoldering zijn bekleed met grote platen bijenwas, goudkleurig en geurig. Je waant je in een grafkamer, het binnenste van de piramide van Cheops, waar de dode in balsem ligt opgeborgen. Je ruikt de was. Je ruikt eigenlijk niks anders dan de was; zoet en rijp. Er zijn geen ‘overbodigheden’, aldus Laib.

Het tweede werk is James Turrells Wedgework III (1969). Je moet een aardedonker gangetje in, om in een grotere kamer uit te komen, ook duister; daar bevindt zich een installatie met fluorescerend licht die een zacht blauwpaars schijnsel de ruimte in stuurt. Het licht verspreidt zich niet, maar deelt de ruimte scherp in tweeën, als een wig, alsof het gekadreerd is, of geprojecteerd op een scherm. De belangrijkste gewaarwording in dat halfduister is dat de kegeltjes en staafjes op je netvlies elkaar aanstoten en hun werk gaan doen. Steeds rijker en gevarieerder wordt dan de kleur; ik denk te zien dat er twee lichtbronnen zijn, de ene van boven, blauw, de andere van onder, roder – maar dat weet ik niet zeker. Je ziet het licht. Dat is natuurlijk altijd zo, maar hier zie je niets anders dan het licht. Geen overbodigheden. Turrell (1943) heeft een Quaker-achtergrond, en hij ontkent niet dat zijn werk ook spirituele, meditatieve kanten heeft, maar dat is vers twee. Eerst kijken.

Het derde werk is van Anish Kapoor, Untitled (1992). De tentoonstellingsruimte van De Pont is een grote lage lange fabriekshal waar machines stonden opgesteld. Over de hele lengte zijn er aan de zijkant hokken waar wol werd opgeslagen. In één daarvan bevindt zich ogenschijnlijk niets, het is een volkomen donkere ruimte en je komt niet verder dan de drempel. Veel bezoekers lopen meteen weer door. Pas als je in de deuropening gaat staan en je ogen de gelegenheid geeft, doemt er een grote donkerblauwe bol op (doorsnee: 220 cm). Die hangt daar midden in het duister, lastig waarneembaar, als de planeet Neptunus of de Death Star. Het is geheimzinnig – hoe komt dat ding daar in? Net als de catacombe van Wolfgang Laib lijkt het kamertje een portaal te zijn naar de andere wereld. In het kabinetje ernaast maakt Kapoor met een tweede werk die associatie expliciet. Er ligt een ronde zwarte plak op de grond, die in het gedempte licht de illusie wekt van een gat in de grond. Titel: Descent into Limbo, de toegang tot de wachtkamer van de hel.

Museumbezoekers besteden gemiddeld negen seconden aan een tentoongesteld werk. De Pont is bij uitstek een ruimte om je tegen dat tempo te verzetten en te ervaren dat kijken in de eerste plaats een fysiek klusje is, iets waar je ogen – en, mutatis mutandis, je neus – even de tijd voor moeten nemen. De drie stukken die ik noem sluiten aan bij andere, bijvoorbeeld bij Lanzarote van Angela Bulloch, een grote wandschildering bestaande uit opgeblazen pixels, een pure studie in tinten. Of Bullochs Night Sky, een donker kabinet met een donkere ‘hemel’ waarin sterren helder oplichten. Of de enorme regenboog van Jan Andriesse, waar de kleuren uiterst vaag zijn aangebracht, en je ogen opnieuw flink aan het werk moeten. Of die Untitled van Robert Zandvliet, waarop je denkt rijtjes plastic kuipstoeltjes te zien, maar wat (als je langer dan negen seconden zit) een heel discours over ritme en organisatie en de verf zelf blijkt te zijn.

In ditzelfde De Pont is een tentoonstelling geplaatst van het werk van diezelfde Anish Kapoor (Bombay 1954), en dat is interessant, want het is een wereldberoemde kunstenaar. De Pont verzamelt zijn werk al lang en gaf hem twintig jaar geleden al een tentoonstelling. Nu is er een nieuw groot werk aangekocht, Vertigo (2008), en dat staat opgesteld tussen vijftien sculpturen en installaties.

Kapoor is beroemd geworden in de slipstream van de Brit-Art, die sinds de vroege jaren negentig de wereld verovert. Hij begon met eenvoudige grote panelen met één kleur, als Rothko 2.0. Net als Emin en Hirst bereikte hij vervolgens een exorbitante status. Letterlijk en figuurlijk. Waar Hirst succes vond in de schok van het ongewone (haaien, schapen) en het banale (stippen, vlinders, medicijnkastjes) koerste Kapoor op ‘de overtreffende trap’, het nóg grotere, het nog dieper glanzende, met als hoogtepunten het vullen van het Grand Palais in Parijs met een gekleurde zeppelin en, dit jaar voltooid, de ArcelorMittal Orbit, de 115 meter hoge toren op het olympisch terrein in Londen. In Venetië, vorig jaar, toonde hij een technisch huzarenstukje in de kerk San Giorgio Maggiore, waar hij met enorme ventilatoren een rookzuil zacht tornadoënd naar het gewelf liet opstijgen. Je zou kunnen zeggen dat hij de Bernini van onze tijd is – barok, theatraal, op zoek naar het grootst denkbare gebaar, met beheersing van al onze zintuigen. De Pont citeert hem, in het begeleidende foldertje: ‘Ik heb geen speciale boodschap voor wie dan ook, maar het is mijn taak om uitdrukking te geven aan, of beter gezegd, de middelen te definiëren die fenomenologische en andere zienswijzen mogelijk maken, zienswijzen die je kunt gebruiken, waarmee je kunt werken om zo tot een poëtisch bestaan te komen.’

In de meest in het oog springende werken die De Pont toont is dat letterlijk op te vatten: het zijn grote gebogen spiegels. Het vakmanschap is voortreffelijk. In de zaal zijn ze al aardig; een tijdje geleden stonden ze opgesteld in Kensington Gardens, Londen, waar ze nog sterker werkten in het op z’n kop zetten van het landschap. Verder staan er drie zeer grote werken die opvallen door een strakke rode en blauwe glanslak, organische vormen, als gedeformeerde paddenstoelen. Er is één zaal met ruwe sculpturen, gemaakt van ogenschijnlijk los opgehoopte worsten van klei. Er is een aantal van de zins­begoochelende capsules, met één diepe kleur, waar je je hoofd in steekt en je ogen even de diepte kwijtraken. En er is Shooting into the Corner, het pièce de résistance (en de grote publiekstrekker, denk ik): een formidabel kanon waarmee elk half uur door een zwijgende assistent een massa rode verf op de muur, vijftien meter verder, wordt geschoten.

Het schot is een sensatie; bezoekers lopen druk kakelend en lachend weg, dat was nog eens wat. Ze kijken niet om (ze stonden immers er al veel langer dan negen seconden) en zien niet of die verfmassa nou ook iets te betekenen heeft. Kapoor zet hoog in, in de begeleidende tekst, op de ervaringen die zijn werken moeten bieden. Ze ‘overstijgen de puur zintuiglijke en benaderen de huiveringwekkende schoonheidservaring die wordt omschreven als het sublieme’. Zo spreekt een meester van de barok, natuurlijk.

Het oeuvre is groter en gevarieerder dan dit, dat moet gezegd. De Orbit-toren, bijvoorbeeld, is ruw en organisch, een netwerk van openliggende aderen en slagaderen, aards en direct als de toren van Tatlin. Het navrante van de expositie in De Pont is dat Kapoor hier naar voren komt als een kunstenaar zonder zo’n edge. De essentie van de grote glanzende werken is een optische truc, met grote stijlvastheid en voorbeeldige beheersing van het materiaal uitgevoerd. De gebogen oppervlaktes bieden een spel met de werkelijkheid, jazeker, maar eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik dat op de kermis te Den Helder in 1971 ook al eens heb ervaren, in de spiegeltent. Mooi is het wel, schaamteloos mooi; het diepglanzende rood van de krasvaste metallic lak van die grote organische toeters is perfect als van een nieuwe Lamborghini, of van zo’n Amerikaanse sugar apple, glimmend van de suiker. Het biedt geen onderdompeling, het doet geen elementaire aanspraak op de zintuigen, het vraagt niet, zoals die werken van Laib, of Turrell, of die donkere planeet uit 1992, om enige inspanning. Het is glad. Het is mooi. Het is schoon. Je ziet het en je weet het. Huiveringwekkend en subliem? Welnee. ‘His sculptures do not frighten the horses’, schreef The Guardian eens, en zo is het. Deze Kapoors zijn decorstukken zonder diepte. Hang er een Rothko naast en ze verbleken tot wat ze zijn, spiegels, carrosserie, rook.

Anish Kapoor, De Pont, Tilburg, t/m 27 januari, depont.nl