Meret Oppenheim, (zonder titel), ontwerp 1936/1937, uitvoering 2003 © Collectie Design Museum Den Bosch

Design Museum Den Bosch bezit de grootste collectie werk in Nederland van de Duits-Zwitserse kunstenaar Meret Oppenheim (1913-1985). Het museum toont die nu voor het eerst, in een ruim overzicht. Dat dat niet eerder gebeurde komt, zeggen de samenstellers eigenwijs, door ‘het conventionele karakter van de museumwereld’, dat vooral het latere en postuum uitgevoerde werk van Oppenheim ‘met dedain’ zou bekijken.

Dat zou best kunnen. Oppenheim bevond zich in een mannenwereld. Ze viel als kunstenaar en ontwerper tussen wal en schip, ze had niet een bijzonder grote productie. Ze kwam uit een cultureel milieu, ging piepjong naar Parijs, bezocht daar soms de academie en begaf zich vooral in interessante kringen: die van de surrealisten. ‘She impressed the surrealists with her uninhibited behavior’, schreef Desmond Morris; Man Ray fotografeerde haar naakt in een drukkerij, Ernst roemde haar ‘Frische und Anmut’, Arp en Giacometti nodigden haar uit voor de surrealistische tentoonstelling in 1933, ze trok op met Breton, Duchamp en Picasso.

Per saldo leverde die periode één belangrijk werk op: de met bont gevoerde kop en schotel, in 1936, een saillant werk in de latere fase van het surrealisme, aangekocht door MoMA en dus in alle boekjes vertegenwoordigd. Haar surrealistische vrienden gaven er hoog van op (‘Wer ist uns über den Kopf gewachsen? Das Meretlein!’ schreef Ernst) maar daarmee was de koek op. Oppenheim trok zich terug in Zwitserland en produceerde niets meer, tot 1954. Daarna manifesteerde ze zich als iemand die niet in hokjes geduwd wilde worden, ook niet dat van ‘vrouwelijke’ of ‘feministische’ kunstenaar. Kunst was androgyn, zei ze, in categoriseringen voelde ze zich niet thuis. Ze kreeg respons en op latere leeftijd een tentoonstelling hier en daar, maar afgezet tegen de carrières van haar Parijse tijdgenoten zijn haar kunstenaarsleven en productie marginaal.

Dat kan komen door misogynie of dedain van conventionele curatoren. Maar afgaand op de presentatie in Den Bosch lijkt er nog een reden te zijn voor dat gebrek aan erkenning: haar kunstenaarschap is eigenlijk kleinkariert, zoals de Duitsers zeggen. Het bereik is niet groot. Het speelt zich af op papier, in boeken met litho’s en gedichten, in schetsen, een enkel kostuum, een paar kleine beeldjes. De sieraadontwerpen die ze in haar Parijse periode maakte werden pas aan het eind van haar leven concreet geproduceerd. Kortom: na die kop en schotel is er bijna niets met een vergelijkbare zeggingskracht. Er zijn wel intrigerende dingen bij. Nederlandse sieradenontwerpers als Ted Noten of Gijs Bakker zullen met plezier kijken naar haar ring met een suikerklontje erop, precies het soort geestig spel met kostbaar materiaal en triviale vorm dat je in Dutch Design vaak tegenkomt. Maar er hangt ook een album litho’s met Jung-achtige droomvlinders, uit 1975, een echo van de surrealistische vormentaal die toen al heel belegen moet zijn geweest en overduidelijk het werk van een allesbehalve briljante tekenaar. Dat ene grote ding uit 1936 moet de albatros om haar nek zijn geweest.

Meret Oppenheim: für dich – wider dich, Design Museum Den Bosch, tot 6 sept.; designmuseum.nl