Deemoedige radicaal

Jacques Presser en Loe de Jong, leraar en leerling, gelden als de twee belangrijkste oorlogshistorici van Nederland. De eerste schreef Ondergang, waarin de moord op de Nederlandse joden werd gedocumenteerd. De tweede is de auteur van wat hij zelf ‘het Geschiedwerk’ noemt en de gehele jaren ‘40-'45 omvat. Jarenlang waren zij, geëmancipeerde joden, in brede kring onomstreden, totdat er een nieuwe generatie historici opstond die de oorlog minder persoonsgebonden wenste te analyseren. Drie beschouwingen: Had Loe de Jong, ex-redacteur van De Groene, eigenlijk wel verstand van buitenlandse politiek? Wat zijn de ideale voorwaarden voor zijn biografie? Hoe persoonlijk was Presser en hoe kijk je onbevangen tegen een wolkenkrabberhoge berg met lijken aan? Het kostte Jacques Presser (1899-1970) vijftien martelende jaren om in zijn boek 'Ondergang’ de liquidatie van het Nederlandse jodendom te documenteren. ‘Menigmaal heb ik hem wankelend, doodsbleek, met van verdriet verwrongen gezicht ons Instituut zien verlaten’, zei zijn vriend, leerling en opdrachtgever Loe de Jong bij Pressers overlijden.(

EERST WAS ER, bij verschijning, de algehele aan euforie grenzende ontsteltenis. ‘Toen ik diep in de nacht het boek uithad’, schreef J.J. Buskes in Hervormd Nederland, 'wist ik dat wij het op nog geen stukken na weten en dat ons volk het voor het grootste gedeelte nog helemaal niet weet.’ 'Het sprookje is uit’, constateerde Han Lammers in De Groene Amsterdammer, 'het fabeltje van het kleine Nederland dat zich zo voorbeeldig tegenover zijn joden heeft gehouden.’ En ondertussen vloog Ondergang (1965), Jacques Pressers boek over de liquidatie van het Nederlandse jodendom, met tienduizenden exemplaren de boekwinkels uit. Na de euforie volgde de kater. Etappegewijze. Eerst werd over de rug van Presser heen de Weinreb-affaire uitgevochten, de joodse Uylenspieghel, die door Presser was omschreven als de nationale zondebok van een natie die al te goed besefte dat ze haar bedreigde landgenoten in de steek had gelaten. Na de dood van Presser (1899-1970) gaven steeds meer historici blijk van een zekere reserve jegens de particuliere wijze waarop hun collega 'de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom’ in kaart had gebracht. De gedachte won veld dat het minder gelukkig zou zijn geweest de opdracht te gunnen aan een man die, als jood, onmiskenbaar vanuit een parti pris had geschreven. De geschiedschrijving was inmiddels, als zoveel in de maatschappij, verzakelijkt en dit gold ook voor menige historische studie die slechts werd geaccepteerd als zij de kilheid van een naslagwerk uitstraalde. Ondertussen was de Ondergang (geen voetnoten, te emotioneel, geen context) gedegradeerd tot het voorbeeld van hoe het níet moest. Presser had zijn boek echter niet geschreven voor dat groepje vakgenoten, maar voor het grote publiek, het publiek dat al te lang met de leugen van het eensgezinde verzet tegen de Duitse overheerser had geleefd. 'Datgene wat nauwelijks te vertellen is, heeft hij tóch willen vertellen’, aan de overlevenden in naam van de overledenen, constateert zijn biografe Nanda van der Zee. Niettemin leek zijn ster snel zinkende. Het weekblad De Tijd ('Pressers Ondergang Deugt Niet’) permitteerde zich zelfs de vraag 'of de honderdveertigduizend vermoorde joodse landgenoten geen objectiever dus beter getuigenis van hun lijden hadden verdiend’. Helaas verzuimde De Tijd de lezer uit te leggen hoe het in jezusnaam mogelijk is objectief tegen een wolkenkrabberhoge berg van lijken aan te kijken. DAT KON PRESSER niet. Hij was zelf een overlevende, nooit over het verlies van zijn in Sobibor vergaste vrouw heengekomen, en hij heeft, nadat hij de opdracht kreeg de ondergang van het Nederlandse jodendom te documenteren, vijftien martelende jaren achter zijn schrijfbureau doorgebracht. 'Menigmaal heb ik hem wankelend, doodsbleek, met van verdriet verwrongen gezicht ons Instituut zien verlaten’, zei zijn vriend, leerling en opdrachtgever Loe de Jong, in een herdenkingsrede na Pressers overlijden. Een zijner andere leerlingen, Gerard van het Reve, heeft hem, tussen de gebruikelijke vlasbehaarde vossenholen door, geportretteerd in Moeder en zoon (1980). Hij was de aardigste leraar van het Vossiusgymnasium, zegt de schrijver, zij het met een pathologische behoefte bemind te worden. Hij was briljant en erudiet, maar helaas, hij had geen eigen smaak. 'Presser vond in de beeldende kunst mooi, wat merkwaardigerwijze altijd door de afbeeldingen op kalenders en in schoolagendaas definitief gekanoniseerd was: het Parthenon; de Mozes van Michelangelo; de Nachtwacht en het laatste zelfportret van Rembrandt; alsook het pasontdekte doek De Emmaüsgangers van Vermeer - dat pas veel later door heel iemand anders geschilderd zou blijken - welk laatstgenoemd schilderij hij ons bijna met tranen van emootsie bezong.’ Zo ook de literatuur: 'Een smaak zonder risikoos, die zich hield aan Homerus, Dante en Goethes Faust, typisch de meesterwerken waarvoor iedereen geknield ligt maar die niemand, als hij het zelf voor het zeggen heeft, belieft te lezen.’ Het is ferme, maar faire kritiek op een briljante docent, geformuleerd door een man die zichtbaar met zijn verwijten heeft geworsteld. Niettemin heeft Van het Reve blijkbaar geen begrip voor de bron van Pressers persoonlijke en didactische bezetenheid. Presser, het op het Waterlooplein geboren kind van een diamantbewerker, woonde in die klassieke cultuur. Er zal zich zelden iemand met zoveel hartstocht op kunsten en wetenschap hebben gestort als de jonge Presser, uit honger naar schoonheid en kennis én om, op de vleugelen van Apollo, aan het getto te ontsnappen. Hij vroeg (en kreeg) voor zijn barmitswa Ovidius’ Metamorfosen, de pianosonates van Mozart benevens een tweedehandse Winkler Prins die hij vervolgens van de letter A tot de letter Z heeft gelezen. Hij was natuurlijk de eerste van zijn klas. Daarna was hij de briljantste student van zijn lichting. Kroegjool? Tijd- en energierovend corpsvertier? Geen sprake van! 'Ik was geen student, ik studeerde.’ En toen hij eenmaal alles wist wenste hij, eerst als leraar, later als hoogleraar, zijn discipelen te enthousiasmeren voor alles wat 'goed en mooi’ was, zoals hij zelf was geënthousiasmeerd, vooralsnog, het zij toegegeven, voor traditionele karrepaarden als Goethes Faust, Homerus’ Ilias en Dantes Divina Commedia. Want: 'Wij zijn als Dante in een donker woud,/ tussen de wilde dieren die ons kwellen./ Besef van schoonheid, goedheid duizendvoud/ Doet onze harten van verwachting zwellen./ Misschien dat ook ons hart eenmaal aanschouwt/ L'amor que muove il sol e l'altre stelle.’ Hij had, als leraar geschiedenis, kunnen volstaan met het dorre instampen van de belangrijkste historische feiten. Zo niet Jacques Presser. Als hij in de klas de napoleontische bezetting van het Rijnland behandelde, las hij Heines Buch le Grand voor. Als hij een week later de strijkkwartetten van Schubert had ontdekt, sleepte hij zijn grammofoon mee naar school en liet zijn kinderen in de muzikale sensaties delen. Ik zie Loe de Jong en Marius Flothuis, een andere leerling, wel eens hoogbejaard door het Concertgebouw schuifelen en weet zeker: veel van wat zij aan kunstzin en maatschappelijk engagement vertegenwoordigen hebben zij aan Jacques Presser, hun leermeester, te danken. Hoffelijk was hij het oneens met wijlen Johan Huizinga, die de aankomende student voor de vorming tot een beschaafd mens naar de Middeleeuwen of het Romeinse keizerrijk placht te verwijzen. 'Dichterbij was hem te dichtbij’, constateerde Presser in zijn oratie. De historia hodierna 'leert al sinds Thucydides, Machiavelli, Hooft en Thiers niet alleen van en uit boeken, maar ook van mensen, niet alleen uit archieven, maar ook in de vergaderzaal, de wandelgang, ja, waar niet? Haar beoefenaar bezit boven alle anderen één voorrecht: hij is tijdgenoot.’ Er is met deze constatering iets merkwaardigs aan de hand. Want op het moment dat Presser deze woorden sprak, in 1950, had hij zelf uitsluitend met historisch materiaal gewerkt, noodgedwongen, want van Napoleon waren geen tijdgenoten meer in leven, terwijl de Tachtigjarige Oorlog, ook door de historici, uitgevochten leek. Hoogstens zou men Pressers interpretatie van Napoleon eigentijds kunnen noemen, een verkapt traktaat tegen diens collega-dictatoren Hitler en Stalin. Hij was zich van zijn tekortkomingen bewust. Vergeleken met de geschiedschrijvende reuzen van zijn tijd, Huizinga, Romein en Geyl, zei Presser vlak voor zijn overlijden tegen Philo Bregstein, was hij 'volstrekt de man van het zoveelste plan, altijd geweest en ook gebleven. Ik heb vrijwel niet getheoretiseerd en ik heb het vermoeden dat ik datgene wat dan nog aan theorie door mij naar boven is gehaald, zal moeten bestempelen als op zijn minst niet zo vreselijk houdbaar. Dat is geen valse nederigheid, maar dat is nu eenmaal bij mij zo gegroeid.’ Niet zo vreselijk houdbaar? Dat valt toch onmogelijk van Ondergang, zijn magnum opus, te beweren? merkte Bregstein op. Nee, antwoordde Presser, ten aanzien van Ondergang was dit soort nederigheid misplaatst. Daarmee had hij inderdaad 'een steentje’ tot de geschiedschrijving bijgedragen - 'en iets mogen maken dat relatief wel de moeite waard is’. Presser begon aan Ondergang in hetzelfde jaar als zijn oratie, in 1950, gebruikmakend van materiaal dat deze keer bezwaarlijk 'stoffig’ of 'secundair’ kon worden genoemd. Waarna de vijftien jaar durende martelpartij volgde waarin zijn onvolmaakte meesterwerk werd geconcipieerd. Aangrijpend, met hartebloed geschreven, maar 'niet-objectief’, zeggen zijn critici tot op de dag van vandaag. Alsof Jacques Presser tot een dergelijke vorm van objectiviteit kon worden verplicht, alsof zoiets als objectiviteit sowieso bestaat, alsof er bij het beoordelen van moord en doodslag verschillende criteria bestaan, objectieve en subjectieve, alsof menselijk lijden het beste via waardevrije tabellen en staafdiagrammen in kaart kan worden gebracht! HET WAS OP een zondagochtend in juni 1941 dat de telefoon in huize Presser overging. Aan de lijn was Gerard van het Reve. 'Meneer, hebt u gehoord dat de Duitsers Rusland zijn binnengevallen?’ vroeg hij. 'Nee’, zei Presser. 'Nou’, zei Van het Reve, 'ik vertel het u even. Weet u waarom ik het u vertel? Over een paar weken is de oorlog afgelopen, dan hebben de Duitsers zo op hun mieter gehad, dan is de oorlog uit.’ De aanstaande burger-schrijver had toen nog veel vertrouwen in de slagkracht van de 'histories-materialistiese, marxistiese wereldbeschouwing’, zoals hij dit later in zijn portret van Presser zou noemen. Hoe stond het trouwens met de verhouding tussen de Sovjetunie en Presser zelf? Ook in dit opzicht vertoonde Presser (geassimileerde jood, deemoedige radicaal, tot universitaire waardigheid gestegen arbeiderskind) de handenwringende hybris, die hem een leven lang heeft gekenmerkt. Socialisme? Ja, natuurlijk. Wat anders? Je had, als joods arbeiderskind, het beschavingssocialisme van de sociaal-democraat Henri Polak en je had de jonge sovjet-Russische variant. Daar stond een fundamenteel wantrouwen jegens het kapitalistische Amerika tegenover, hetzelfde Amerika dat later (mét de Sovjetunie) Europa van de nazi’s zou bevrijden. Waarna de Amerikanen de wederopbouw van West-Europa ter hand namen, terwijl de Russen Oost-Europa annexeerden en hun tegenstanders liquideerden via schijnprocessen die niet zelden een onverbloemd antisemitisch karakter hadden. Natuurlijk was Presser te intelligent om niet aan de communistische heilsleer te twijfelen. Een paar processen eerder, in het vooroorlogse Moskou, manifesteerde zich Stalins streven elke tegenstander uit de weg te ruimen. Dat oogde op het eerste gezicht niet als een reclame voor de vrije, humane, klassenloze maatschappij. 'Wij kwamen er niet uit’, zei Presser achteraf. Hij was tenslotte 'opgegroeid in een periode waarin ons omtrent de Sovjetunie de krankzinnigste, leugenachtigste nieuwsberichten bereikten. Wij mensen van links waren gedrild in ongeloof aan alles wat de Sovjetunie zwartmaakte.’ Ik permitteer mij postuum een hoogmoedig oordeel: Presser en de zijnen hadden, ondanks alles, beter moeten weten. Hij ontwikkelde zich na de oorlog onmiskenbaar tot het prototype van de fellow traveller, met de beste bedoelingen pendelend tussen Oost en West, waarbij Oost uiteindelijk meer krediet kreeg dan het verdiende. DE MARXIST PRESSER was natuurlijk geen partijganger, maar veeleer een gevoelssocialist die in zijn sympathie voor de onderliggende klasse soms de verkeerde bondgenoten koos, althans zich niet ondubbelzinnig genoeg van hen distantieerde. Daardoor was hij 'een gevaar voor de opgroeiende jeugd’, oordeelde de confessionele pers toen hij in die eerste naoorlogse jaren hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam dreigde te worden. Een gevaar voor de opgroeiende jeugd? Nebbisch. Het was een onberaden en kortzichtig oordeel over een man die in de praktijk geen enkele boodschap aan Lenin of Mao had en zijn studenten veel liever uitlegde dat Mozarts opera Die Entführung aus dem Serail moet worden gezien als een pleidooi avant la lettre voor een humanitaire band tussen Oriënt en Occident, het mohammedaanse Turkije en het christelijke Westen. Wat was er eigenlijk zo typisch marxistisch in zijn levensbeschouwing, behalve dat hij geneigd was de wereld te beschrijven als een stelsel van meesters en knechten, onderdrukkers versus onderdrukten, blank versus zwart, rijke joden versus arme joden? Helaas berust deze schematisch ogende voorstelling meestal op de realiteit, bijvoorbeeld in Pressers spijkerharde oordeel - een van de kernpunten in zijn Ondergang - over de Joodse Raad, die in Duitse opdracht de te deporteren joden administreerde opdat tenminste 'de besten’ (zijzelf) zouden worden gespaard. 'De besten’, schreef Presser, 'dat wil zeggen, die intellectuelen en financieel draagkrachtigen die in de ogen der voorzitters met hun stand- en klassegenoten die 'besten’ leken; aan het behoud van deze steeds slinkende groep offerden zij een steeds grotere van minder- en niet-besten op. De sinaasappelenventers ten bate van de kaste der rijken en geleerden, ten bate van henzelf.’ IK HERLAS IN Ondergang het hoofdstuk over het Durchgangslager Westerbork, tussenstation naar het vernietigingskamp Auschwitz. Met belangstelling bekijk ik de foto van Ferdinand aus der Fünten, chef van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, en Albert Konrad Gemmecker, de kampcommandant. Keurige, welopgevoede jongemannen, allebei, vlekkeloos in het uniform. De joden hadden het slechter kunnen treffen. Zo'n Gemmecker, bijvoorbeeld, was een onomkoopbaar man. Toegegeven, hij was wat aan de chagrijnige kant, maar onder zijn bewind werd geen kampbewoner een haar gekrenkt, het feit dat zij uiteindelijk richting Auschwitz zouden worden getransporteerd even buiten beschouwing gelaten. In Jacques Pressers novelle De nacht der Girondijnen (1975) treedt Gemmecker op als de Oberstürmführer Schaufinger. Elke week weer wachten de kampbewoners met de dood in het hart op de selectie van diegenen die de fatale dinsdag de trein in moeten. Mijn God, ook Nikon, het dochtertje van de oude Nathan de Vries en zijn vrouw, bevindt zich onder de ongelukkigen. Haar vader en moeder brengen het kind naar het perron. De vader verliest zijn zelfbeheersing en roept tegen kampcommandant Schaufinger: 'Maar ik laat mijn dochter niet alleen naar de verdommenis gaan, wat denken jullie wel?’ En kampcommandant Schaufinger zegt, als altijd voorkomend: 'Aber Sie können ruhig einsteigen, mein Herr. Die gnädige Frau fährt natürlich auch mit. Gute Reise!’ Waarop de OD, de joodse ordedienst, het bejaarde echtpaar de trein in stoot. Het was de Joodse Raad die de slachtoffers naar Westerbork bracht en het was de OD, 'joodse SS’, die intermediair tussen Westerbork en Auschwitz was - 'Wij, een paar intellectuelen en venters’, zegt Pressers ik-figuur (ook een OD'er), 'waren voor de anderen ongetwijfeld het weerzinwekkendste tuig dat God had geschapen, boeven en gangsters; ik voel me nu, nú, wee om mijn maag, als ik aan ons, aan mij terugdenk.’ Want, zoals Presser in de avond van zijn leven constateerde: 'De humaniora humaniseren niet.’ Je kunt ’s(morgens een schitterend essay over Shakespeare schrijven en ’s(avonds in het gezelschap van een navenant beschaafde vriend Bachs Wolltemperierte Klavier ten gehore brengen, het sluit allemaal niet uit dat de mannen, in uniform, de volgende dag op het perron van kamp Westerbork staan, in ongeduldige afwachting van het moment dat de trein vertrekt. De gedachte moet voor Jacques Presser, die via zijn Dante, Goethe en Homerus een betere wereld dacht te scheppen, een tragedie te midden der tragediën zijn geweest.