Gordon Brown: eindelijk premier

Definitely Maybe

Het nationale belang van Groot-Brittannië, zeker op economisch gebied, is in de ogen van de nieuwe premier Gordon Brown beter gediend met een ‘Global Europe’ dan met een Fort Europa.

LONDEN – Een van de belangrijkste deelnemers aan de jongste Europese top zat thuis in Londen. Daar werd de nieuwe Britse premier Gordon Brown door een spion nauwgezet op de hoogte gehouden van Tony Blairs optreden in Brussel. Nog vers in Browns geheugen stond namelijk het debacle van december 2005, toen zijn aartsrivaal akkoord ging met de reductie van de Britse compensatie, hetgeen leidde tot een gat in zijn begroting. Dit keer had Brown meer invloed en belde hij Blair drie keer woedend op, toen hij hoorde dat deze had ingestemd met Nicolas Sarkozy’s snode voornemen om het neoliberalisme wat te temmen. Hij kon echter niet voorkomen dat Blair weer wat macht van Londen naar Brussel verscheepte. Waar Blair de Europese Unie beschouwde als een spannend project, daar is het voor zijn opvolger een potentiële verliespost. Het vasteland veroorzaakt van oudsher aardbevingen binnen Britse kabinetten. Bij New Labour is het niet anders. Het Europese vraagstuk vormde de rode draad binnen de Britse variant op GTST (Goede tijden, slechte tijden): TBGB, ofwel Tony Blair, Gordon Brown. Het was Tony Blairs voornemen om het Verenigd Koninkrijk naar het hart van Europa te slepen. De Derde Weg naar Europa werd echter versperd door zijn minister van Financiën en opvolger – omringd door ambtenaren die littekens hebben overgehouden aan de val van het pond sterling uit het wisselkoersmechanisme in 1992 – die niet van zins bleek te zijn om de controle over de Britse economie te delegeren aan Wim Duisenberg. Bij het horen van het woord ‘euro’ reageerde hij volgens The Guardians sketchschrijver Simon Hoggart ‘als een man van middelbare leeftijd wiens buurman een voorstel tot partnerruil heeft gedaan: zijn instinct wil schreeuwen, maar hij tracht beleefd te blijven’. Deze beleefdheid uitte zich in vijf economische criteria waaraan moet worden voldaan eer de euro in zicht komt. Dit was de politieke versie van Oasis’ song Definitely Maybe.

Zijn starre houding leverde niet alleen weerstand op bij Blair, maar ook bij de eurofiele buren van Buitenlandse Zaken. ‘Blair pleegt vanuit Downing Street uren aan de lijn te hangen met Europese leiders’, verklaarde een diplomaat tegenover The Spectator, ‘Browns houding is meer zoiets als “Hier is de moral high ground, en hier zit ik”.’

Brown is echter geen euroscepticus pur sang. Schotten zijn dat zelden. Terwijl Blair begin jaren tachtig pleitte voor het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Economische Gemeenschap was Brown juist gecharmeerd van de gemeenschappelijke markt. Met de nadruk op markt. Pas als premier zou Blair een stuk Europeser worden dan Brown. De tacticus Blair genoot van het politieke spel, de topontmoetingen, het gekibbel met Chirac, de vriendschap met Berlusconi. Niet voor niets heeft hij zijn aftreden kort na de belangrijke recente Europese top gepland. Die was deel van zijn afscheidstournee, en de wedergeboorte van de grondwet in andere bewoordingen zou zijn ‘erfenis’ worden.

In tegenstelling tot Blair is Brown er nooit op uit geweest om populair te zijn. Voormalig kabinetsecretaris Lord Turnbull schreef Brown recentelijk een ‘stalinistische meedogenloosheid’ toe alsmede een ‘cynische kijk op de mensheid en zijn eigen collega’s’. Op het continent blijkt hij evenmin uit te blinken in collegialiteit. Tijdens vergaderingen placht hij tekeningetjes te maken wanneer zijn collega’s aan het woord waren. Soms deed hij zijn koptelefoon af om niet lastiggevallen te worden met het vertaalde geouwehoer. In The Rivals: The Intimate Story of a Political Marriage schrijft James Naughtie dat Brown in Brussel bekendstaat om zijn onbeleefdheid, met name jegens bemoeizuchtige eurocommissarissen, onder wie zijn oude vijand Peter Mandelson. Met premier Brown in het vooruitzicht heeft deze Britse handelscommissaris reeds aangekondigd dat hij Brussel in 2009 zal verlaten.

Voor de strateeg Brown komt het nationale belang op de eerste plaats. Volgens zijn buikspreker (en waarschijnlijke opvolger) Ed Balls gaat het om een harde, thatcheriaanse onderhandelaar, ‘willing to say No where No is the right thing to say’. Dat nationale belang, zeker op economisch gebied, is in Browns ogen beter gediend met een Global Europe, dat de wijde wereld in kijkt, dan met een Fort Europa.

Liever dan naar eurocraten luistert Brown naar zijn suikeroom Ronald Cohen, vader van het Europese durfkapitaal en eigenaar van het private equityfonds Apax. In praktisch opzicht heeft hij zich de laatste dagen vooral zorgen gemaakt om het Handvest van Grondrechten – dat de common law zou ondermijnen en, belangrijker, het stakingsrecht zou verruimen – maar ook om de aanstelling van een Europese president (Tony Blair!?) en een Europese cryptominister van Buitenlandse Zaken. Zij kunnen hem voor de voeten lopen in Washington.

Brown heeft inmiddels verklaard geen reden te zien voor een referendum, hetgeen in strijd is met zijn belofte om meer dan zijn voorganger naar de burgers te zullen luisteren. Bovendien is zijn partij aangetreden met de belofte de bevolking te raadplegen over een Europese grondwet, die voor negentig procent overeind staat. Nu de Ierse regering heeft besloten het resultaat aan de kiezers voor te leggen, groeit de druk op Brown.

De meeste druk zal evenwel komen van de eurosceptische Rupert Murdoch (eigenaar van The Sun) en van Paul Dacre, de populistische hoofdredacteur van The Daily Mail, met wie Brown onlangs in een restaurant is gesignaleerd. In The Guardian sprak de eurofiele historicus Timothy Garton Ash de hoop uit dat Brown de populistische pers zal negeren ten faveure van het nationale belang, ‘maar als goklustige zou ik meteen een tientje inzetten op Murdoch en Dacre’.

Maar voor de eurofielen op het eiland is er één troost: in wezen maakt het niet uit wie premier is. Iedereen die This Blessed Plot van wijlen journalist Hugo Young heeft gelezen, weet dat de ambtenaren in de luwte van de politieke wind een eigen federale koers volgen. Er is geen Europees land waar Brusselse richtlijnen met meer enthousiasme worden ingevoerd dan het Verenigd Koninkrijk. Dat geldt, ondanks alle trauma’s uit het verleden, ook voor Browns eigen ministerie, waar staatssecretaris Balls de jongste witwasrichtlijnen uit Brussel zo strikt heeft geïnterpreteerd dat de advocatenwereld rebelleert. De betrokken eurocommissaris moest eraan te pas komen om Balls wijs te maken dat landen handelingsvrijheid hebben.