Deftig rauw geweld

IN HET EUROPA van de Unie bestaan na de godsdienst over geen onderwerp zoveel boeken als over de (voormalige) koloniën. Kort roep ik in herinnering dat Europeanen sinds vijf eeuwen naar andere werelddelen verhuizen, in steeds grotere groepen, en dat als gevolg van deze langdurige en massale onderneming een meerderheid van de lidstaten van de Europese Unie nog halverwege de twintigste eeuw volksplantingen overzee bezat. Sommige koloniën lagen dicht bij huis, zoals Groenland bij Denemarken. Andere, zoals die van de Britten en de Fransen, lagen over de hele wereld verspreid, van Canada tot China.

In de Europese lees- en schrijfbeschaving viel de ontdekking van de rest van de wereld samen met de toepassing van de boekdrukkunst. Vijf eeuwen lang gingen de overzeese reizen vergezeld van stromen geschriften en boeken, zoals is te zien in de kolossale nog bestaande koloniale bibliotheken. De Europeanen bestookten elkaar niet alleen op het eigen continent maar ook overzee. Soms trokken zij echter ver van huis samen op tegen lokale machthebbers, bijvoorbeeld in 1860 bij de Frans-Britse plundering van het Zomerpaleis in Peking. Het Spaanse rijk in Latijns-Amerika en de Filipijnen brokkelde in de negentiende eeuw af, terwijl andere oude Europese koloniale rijken opnieuw opbloeiden, zoals het Portugese in Afrika en het Nederlandse in Azië. Italië, Duitsland en België waren laatkomers op koloniaal gebied, maar ruim honderd jaar geleden hadden ook zij buiten Europa landen in bezit genomen, merendeels in Afrika en Oceanië. De wereldkaart was bijna helemaal overdekt met de kleuren of arceringen van de Europese ‘moederlanden’. Zij hadden zich de wereld toegeëigend volgens hun opvatting dat zij als bezitters van de krachtigste wapens wel door God of de natuur tot de meesters van de mensheid aangesteld moesten zijn. Hun wereldbeeld luidde immers: 'Might is right’. DE KOLONIALE geschiedschrijving is opvallend eenzijdig: vrijwel steeds gaat het over Europeanen en blijven de oorspronkelijke bewoners van de bezette landen buiten beeld. De ontdekkingsreizigers, pioniers en generaals waren helden van het vaderland. Koloniale geschiedenis bood bij uitstek gelegenheid tot propaganda voor het vaderland. Zo werd in elk land de publieke overtuiging levend gehouden dat het eigen bestuur in de koloniën humaner optrad dan dat van de buurlanden. Eeuwenlang kenden de Europese naties elkaar als een optocht van karikaturen van verschillende schurken en pummels. Maar als Europees collectief schilderden ze de bewoners van de andere werelddelen af als gelijkvormige en nietswaardige wilden. Koloniale geschiedenis is sociaal-economische wereldgeschiedenis, maar de nadruk lag zo sterk op de economie dat toen de koloniën zelfstandig werden, veel organen en instituten in Europa snel de kwalificatie 'koloniaal’ uit hun naam schrapten, alsof ze beschaamd waren dat ze zo weinig aandacht voor de mensen hadden opgebracht. Het verdwijnen van de woordjes 'koloniaal’ en 'Imperial’ in de moederlanden kan worden beschouwd als een symbool voor de officiële poging tot verdonkeremaning van de hele periode. In Londen is de Imperial Library samengevoegd met de British Library. In Den Haag veranderde de Koloniale Bibliotheek van naam. Het Koloniaal Instituut in Amsterdam werd het Instituut voor de Tropen. BIJ DE POORT van de Europese koloniale bibliotheek heeft de Zweedse schrijver Sven Lindqvist (geboren in 1932) een dun boekje neergelegd waarin hij de inhoud van de kolossale bibliotheek in een nieuw licht stelt. In eerdere, internationaal bekende boeken over reizen door Zuid-Amerika en andere arme streken combineerde hij eigen observaties en toevallige ontmoetingen met een grote feitenkennis. In het dunne Exterminate All the Brutes! is hij geobsedeerd om als het ware de kern van de koloniale bibliotheek, de overtuiging achter het koloniale wereldbeeld, te vangen. Daarbij gaat het er niet om de voorvaderen nog eens zwart te maken, maar om een betere kijk te krijgen op het heden. De inbezitneming van grote delen van andere continenten door Europeanen wordt tegenwoordig in de wetenschap 'de Europese expansie’ genoemd, nog altijd alsof het zich voltrok als een natuurverschijnsel. Toch ontbreekt het in de koloniale bibliotheek niet aan getuigenissen van door mensen veroorzaakte rampen. Lindqvist is de nieuwste schakel in een lange traditie. Een van de eerste Europese critici van het westerse optreden overzee was de Spanjaard Bartolomé de las Casas (1484-1566). Hij berichtte uitvoerig over hoe het Spaanse bewind in Amerika gebaseerd was op een stelsel van misdaden tegen de menselijkheid, waaronder volkenmoord. Talrijke buiten-Europese dichters beschreven het ongeluk dat met de vreemdelingen naar hun land kwam, maar ook Europeanen van allerlei nationaliteiten hebben het optreden van hun meedogenloze landgenoten overzee te boek gesteld. In de achttiende eeuw schreven de Franse abbé Raynal (1713-1796) en de Nederlander Jacob Haafner (1754-1809) nog altijd lezenswaardige Europese koloniale zwartboeken - vanaf de legendarische indianenmoorden omstreeks 1500 tot hun eigen tijd (rond 1780), toen Europeanen vele duizenden Afrikanen als slaven naar Amerika brachten en met hongersnoden over India heersten. Lindqvist heeft met officiële en kritische gegevens de grondlijnen uitgetekend van het nog niet geschreven Europese koloniale zwartboek. Hoe kan een boekje als dat van Lindqvist zo hard aankomen? Anders gezegd: hoe kan het kolonialisme nog steeds een respectabele façade ophouden? Toen de Europese machten uit de koloniën verdwenen, verdwenen niet de koloniale machten uit Europa. Academici twisten nog of de mensen overzee in de moderne bloei van Europa deelden of juist eronder leden, hoewel dit voor Frantz Fanon al een halve eeuw geleden een uitgemaakte zaak was. De meeste historici verdiepen zich in patronen van hun eigen samenleving. Ook in de postkoloniale tijd graven maar weinig historici in de archieven naar de lokale slachtoffers onder het Europese bewind. Hun werk brengt simpele waarheden aan het licht, bijvoorbeeld dat het gezag overzee - hoe deftig ook aangekleed - op rauw geweld berustte. Léon Poliakov noteerde in De arische mythe (1971) dat de Europeanen al vroeg in de negentiende eeuw een wereldvisie deelden waarbij zij superieure en inferieure volken onderscheidden: de bron van hun antisemitisme. Anderen wezen ditzelfde racisme aan als de motor van de Europese veroveringen. De overtuiging een beter mens te zijn - als Europeaan en christen - dan de Ander was een sterke drijfveer voor de koloniale onderneming. De Europeanen kenden zichzelf een verheven taak toe als opvoeders (en eigenaren) van de hele wereld. Victor G. Kiernan beschreef in The Lords of Human Kind (1969) hoe de Europeanen in de negentiende eeuw per continent optraden en hoe zij hun daden thuis rechtvaardigden. Op nogal wat plaatsen bezaten verschillende Europese naties na elkaar de macht, en hier springt steeds meteen hun gezamenlijke karaktertrek in het oog: zij allen beschouwden de lokale mensen als hinderlijke vijanden en minderen, en zij allen hebben hen met een gerust hart tot slaven gemaakt, verjaagd of zelfs op grote schaal gedood. Kiernan noemt de beschavingsmissie 'een hoge vorm van zelfmisleiding’, want vaak waren de algemeen verkondigde goede bedoelingen een dekmantel voor diefstal en bloedbaden. Hij schreef over 'Europa’s collectieve droom van het Oosten’, woorden die Edward Said citeert in het eerste hoofdstuk van Orientalism (1978), vermoedelijk het invloedrijkste exposé van de genadeloze koloniale mentaliteit van de Europeanen. In Colonial Empires and Armies 1815-1960 (1982, onlangs herdrukt) rangschikte Kiernan fragmenten van nationale verhalen tot de ontstellende geschiedenis van de Europese oorlogen en moordpartijen overzee. Na jaren studie bleef het onmogelijk te becijferen hoeveel mensen bij de invasies van de Europeanen het leven lieten. Deze en andere beroemde studies hebben in de landen van het koloniale Europa opvallende gemeenschappelijke opvattingen en praktijken ontdekt. Eén Europese karaktertrek steekt boven alles uit: vergeleken met de bewoners van de andere werelddelen waren de Europeanen extreem wreed. Het langdurig bombarderen vanuit de verte, het doden van vrouwen en kinderen, het uitmoorden van dorpen, het vergiftigen van bronnen, en de verdere tactiek van de verbrande aarde, waren wereldwijd en eeuwenlang standaardpraktijk. Maar een halve eeuw na de afschaffing van het kolonialisme lijken de Europeanen dit alweer te zijn vergeten. BIJ DE VERTELLER van Exterminate All the Brutes! krijgt de onschuldig ogende privé-nostalgie echter geen kans: hij heeft de gruwelen ontdekt, en zijn kennis van de omvang van het koloniale doden lijkt zijn kijk op de hedendaagse wereld te beheersen. Als welsprekende ooggetuige van het heersende geweld in de koloniale tijd voert Lindqvist de Pools-Britse schrijver Joseph Conrad op. Bondig beschrijft hij de totstandkoming van diens veelgelezen dunne boekje Heart of Darkness. Conrad woonde vanaf 1898 in Pent Farm in Kent, het Gooi van Londen, waar onder meer ook zijn collega’s Henry James, H.G. Wells en Rudyard Kipling woonden. Terwijl Kipling The White Man’s Burden dichtte, schreef Conrad Heart of Darkness. Kipling bezong de mythische Europeaan die overzee de beschaving verspreidde. Maar Conrads verteller oordeelt over de Europeanen in Afrika: 'Het was hun wens om schatten uit de ingewanden van het land te sleuren, met daarbij niet meer morele bedoeling dan er bestaat bij inbrekers die een kluis kraken.’ In Heart of Darkness vertelt Marlow, de hoofdpersoon, aan vier vrienden hoe hij als kapitein van een stoomscheepje in dienst van een Belgische compagnie een reis stroomopwaarts maakt over de Congo-rivier. Op de meest afgelegen handelspost woont een Europese agent die niet alleen ivoorhandelaar is, maar ook actief lid van de Internationale Sociëteit voor de Onderdrukking van Heidense Gebruiken, een fictieve zusterorganisatie van de welbekende Aborigenes Protection Society (een soort negentiende-eeuws Greenpeace dat zich bekommerde om uitstervende mensen). De handelaar, genaamd Kurtz, wordt gevonden; hij is ernstig ziek en voert ter plaatse een bloedig schrikbewind. Kort daarna meldt een bediende: 'Mistah Kurtz - he dead.’ Tussen de nagelaten papieren bevindt zich het 'Rapport’ waaraan Kurtz werkte. Het was een pleidooi voor de beschavende missie van de Europeanen in de andere werelddelen, vertelt Marlow, met een beroep op 'altruïstische gevoelens’. Maar onder aan het stuk stond met woest gekraste letters: 'Exterminate all the brutes’ - roei alle bruten uit. Dit naschrift gaf de beschavingsplannen voor Marlow een akelige galm. En voor Lindqvist vormen deze woorden 'een samenvatting van alle bevlogen retoriek over Europa’s verantwoordelijkheden tegenover de mensen in de andere werelddelen’. Zijn boek met deze kreet als titel is een aanval op de samenlevingen die hier de afgelopen eeuw bibliotheken hebben volgeschreven met goede bedoelingen (en huichelarij), terwijl daarginds in de praktijk de prijzen die voor grondstoffen werden ontvangen, bleven dalen. EEN EEUW NA Conrad is Lindqvist in Afrika. In de Sahara beschrijft hij de oude koloniale expedities en oorlogen als uitgebleekte skeletten van gegevens: jaartallen, plaatsen, bevelvoerders, ziektes, geweertypes, aantallen slachtoffers, het verloop van de ontvolking. Beladen met de kennis van het Europese optreden overzee vertrekt hij richting het onbekende. De zware schulden die hij de Europeanen oplegt, presenteert hij luchtig. In 169 paragrafen gaat hij van El Goléa in Algerije via Tamanraset door de woestijn naar Agades en Zinder in Niger. Met een computer en een pakket diskettes. Daarmee beschikt hij in elke Afrikaanse oase over de Europese koloniale bibliotheek. Exterminate All the Brutes! verscheen in 1992 in het Zweeds. De fragmenten vormen een mengeling van reisdagboek, jeugdherinnering, droom- en nachtmerriejournaal, geschiedenis van het Europese kolonialisme en racisme, Conrad-biografie en een speurtocht naar de eigen drijfveren. Soms bieden de navertelde droomflarden weinig houvast. Soms lijkt de oude historie een reportage van actuele toestanden. De grootste verdienste van Lindqvists dunne boekje lijkt mij dat hij voor het wijd verspreide maar moeilijk te kwantificeren Europese geweld in de andere werelddelen een orde van grootte heeft gevonden door het te betrekken bij de voortgaande Historikerstreit. Deze polemiek begon in 1986 in Duitsland, toen Ernst Nolte de jodenvernietiging door de nazi’s vergeleek met andere volkenmoorden, vooral die onder Stalin zijn gepleegd: 'Is de Goelag-archipel niet oorspronkelijker dan Auschwitz?’ Jürgen Habermas schreef meteen dat Noltes vergelijkingen mank gingen. Inmiddels heeft het vruchtbare twistgeschrijf over de uniciteit van de nazi-misdaden geleid tot de nieuwe wetenschap van de vergelijkende studie van volkenmoorden. Volgens de hoofdstroming van de holocaust-vorsing is de ondergang van de joden met geen andere gebeurtenis te vergelijken. Steven T. Katz noemt deze benadering in zijn standaardwerk The Holocaust in Historical Context (1994) 'een paradigma van verschillen’. Stalins vernietiging van volken en politieke tegenstanders, en Mao’s ontwrichtingen van samenlevingen hebben miljoenen meer slachtoffers gemaakt, maar Hitler was uniek omdat zijn boze opzet zich richtte op alle joden, niet alleen in Duitsland maar in de hele wereld. Bovendien lieten hij en zijn helpers de vrachttreinen met mensen naar de dodenfabrieken rijden, vergezeld van vrachtbrieven. Lindqvists verteller echter betoogt in Exterminate All The Brutes! dat Hitlers optreden deel was van een Europese traditie. Als een ketter breidt hij goed gedocumenteerd het vergelijkend onderzoek van volkenmoorden uit naar de andere werelddelen en naar de koloniale tijd en bestrijdt hij de orthodoxie die de moderne Europese massadodingen van ongewapenden wil beperken tot de Sovjetunie en nazi-Duitsland. Zijn karige tekst weerspiegelt de enorme koloniale bibliotheek in een nieuw perspectief, met velden vol lijken op de voorgrond in bloedrood licht. Lindqvist: 'Mijn woestijnreiziger, uitgaande van een paradigma van overeenkomsten, vindt dat Europa’s vernietiging van de “inferieure rassen” op vier continenten het terrein effende voor Hitlers vernietiging van zes miljoen joden in Europa. (…) De Europese expansie ging gepaard met een schaamteloze verdediging van uitroeiing, schiep gedachtepatronen en politieke precedenten die ruim baan maakten voor nieuwe gruwelen, ten slotte uitmondend in de gruwelijkste van alle: de holocaust.’ Hij wijst op Hannah Arendt die in De oorsprong van de totalitaire staat (1951) de verwantschap van nationaal-socialisme en communisme ontrafelde, en beide zag opgroeien tijdens het 'wilde moorden’ van de Europeanen in de koloniën. De 'vreselijke massacres’ werden deel van de algemeen aanvaarde buitenlandse politiek. Lindqvist schrijft beknopt alsof hij beducht is om aan de koloniale bibliotheek één bladzij te veel toe te voegen. Obsessioneel studerend verwijt hij de historici van de Europese volkenmoorden dat zij te zelden stilstaan bij het koloniale verleden, hoewel daar een rijk terrein voor hun studie ligt. Alsof ontwrichting, chaos, roof, epidemieën, woordbreuk, terreur en slavernij niet genoeg waren, heeft Lindqvist aan de lijst met beschuldigingen van wat de Europeanen naar de andere werelddelen brachten 'de projectmatige genocide, de geïndustrialiseerde uitroeiing van hele volken’ toegevoegd. In een volgende sobere hotelkamer verandert het reisverhaal in een overzicht van koloniale massacres. Een centrale figuur is de Duitse generaal Adolf Lebrecht von Trotha die in oktober 1904 aan zijn koloniale troepen in Zuidwest-Afrika (nu Namibië) het beruchte Vernichtungsbefehl gaf: de opdracht het Herero-volk uit te roeien. In twee jaar stierven volgens Lindqvist tachtigduizend Herero’s; volgens conservatieve schattingen tussen veertig- en zestigduizend. De koloniale toestanden werkten door in Europa, benadrukt Lindqvist: zo is het woord 'concentratiekamp’ in de Duitse taal opgenomen tijdens de Herero- en Hottentotten-oorlogen (1904-1908). KERNACHTIG BESCHRIJFT hij de geschiedenis van de Europese beschavingsmissie en hoe het na Darwin gewoon werd om over volkenmoord je schouders op te halen. Hij benadrukt dat de Duitse generaal Von Trotha een collega was van de Britse generaal Kitchener en de Franse kapitein Voulet. Al gaven de andere bevelhebbers geen Vernichtungsbefehle, hun praktijken leidden tot vergelijkbare resultaten. Verwonderd beschrijft hij een volgende Franse, Engelse en Duitse koloniale massa-executie van mannen met lansen en dolken door mannen met lange-afstandsgeweren en snelvuurkanonnen. In deze geschiedenis van het racisme leidt het Europese optreden in de andere werelddelen direct tot de praktijken in nazi-Duitsland. Ten slotte wist iedereen dat om de Vooruitgang van het ene volk 'Lebensraum’ te verschaffen, andere volken moesten verdwijnen. Genocide, volkenmoord, massacre, massamoord: bij deze begrippen kunnen de aantallen slachtoffers uiteenlopen van tientallen en honderden tot duizenden en zelfs miljoenen. In de andere werelddelen werden de gesneuvelde tegenstanders zelden geteld. Maar het is zeker dat waar de Europeanen kwamen, hele volken zijn verdwenen - zoals in Australië en Polynesië, Noord-Amerika en de Cariben, en veel landen in Zuid-Amerika en Zuidelijk Afrika. Allerlei factoren droegen bij aan hun verdwijning, de belangrijkste was volgens Lindqvist het wapengeweld. Conrads beroemde verhaal eindigt duidelijk: Marlow ziet het hart van de duisternis niet alleen overzee, maar ook in Londen en Europa. Hij heeft zelf ook tegen de verloofde van Kurtz gelogen, want menselijk genoeg durfde hij haar fantasieën over Kurtz die de beschaving ging verspreiden, niet te verstoren met de feitelijke Kurtz die zich omringde met afgehakte mensenhoofden. Conrad lijkt milder voor zijn verteller dan Lindqvist voor zijn lezer. De reis door de woestijn vol dodenherdenkingen eindigt niet; het westerse optreden overzee kan niet als afgesloten worden beschouwd. Even gespannen als hij begon besluit hij met een donderpreek: 'Overal in de wereld waar kennis wordt onderdrukt, kennis die als ze bekend werd gemaakt ons beeld van de wereld zou versplinteren en ons zou dwingen onszelf te onderzoeken - daar overal wordt Heart of Darkness opgevoerd.’ Hij is niet geheimzinnig over zijn nachtmerries en dwanggedachten, maar één aspect van Kurtz (door Conrad bespot) laat hij onvermeld: zijn obsessie om als wereldverbeteraar te schrijven voor de kranten, zoals hij Marlow vertelde: 'ter bevordering van mijn ideeën. Het is een plicht.’ Natuurlijk is Lindqvist met dit onderwerp nooit vrolijk en zelden geestig, maar voortdurend jongleert hij met zijn verpletterende kennis. Overtuigend is hij erin geslaagd zijn verteller ook gebukt te laten gaan onder 'een plicht’ om te schrijven, 'ter bevordering van zijn ideeën’. Uiteindelijk is het mozaïek van korte teksten naast een reisverhaal en een studie van het Europese racisme, steunend op een lijst bronnen, vooral een evocatie van iemand die achter de barakken van de vernietigingskampen de massagraven heeft ontdekt van de westerse oorlogen overzee. De woestijnreis van de kenner van het Europese geweld overzee vormt een bijdrage zowel aan de oude kritische traditie van Bartolomé de las Casas en abbé Raynal als aan de moderne vergelijkende studie van volkenmoorden. Sommige formuleringen glijden over het scherp van de snede, zoals: 'De Duitsers zijn tot zondebok gemaakt voor ideeën over uitroeiing die in feite algemeen Europees erfgoed zijn.’ Al is volgens mij de eerste helft van deze uitspraak onjuist, met zijn inbreng van de verwoestingen in de andere werelddelen in het vergelijkend onderzoek van volkenmoorden heeft Lindqvist aan de aard en de omvang van het koloniale doden nieuwe dimensies gegeven.