Ger Groot

Deftigheid

Johan Huizinga was een deftig man. Hij bezigde een statige stijl, was gereserveerd in de omgang en woonde als hoogleraar graag op stand. Zijn ideaal, de aristocratie, probeerde hij zo dicht mogelijk te benaderen in een grootburgerlijkheid die Thomas Mann, in veel opzichten zijn geestverwant, anders dan hijzelf van nature had meegekregen.

De naam van de laatste valt niet in het prachtige portret van Huizinga waarmee zijn biograaf Wessel Krul het jongste nummer van De Gids opent. Terwijl Nederland dezer dagen met zijn eigen geschiedenis om de oren wordt geslagen, komt het oudste tijdschrift van het land met een special over de beroemdste historicus die de natie ooit heeft voortgebracht – en die bovendien zelf redacteur van dat blad geweest is.

Huizinga’s werk en persoonlijkheid worden in dit nummer van vele kanten becommentarieerd (van zijn relatie met vrouwen tot die met Dante), maar zijn dramatische deftigheid beklijft het meest. Ze wortelde – aldus Krul – niet alleen in een heimelijk minderwaardigheidscomplex, maar vormde ook een ideologische keuze tegen de tijdgeest, die hem allerminst beviel.

Toch school in Huizinga’s snobisme de nodige dubbelzinnigheid. Een ál te aristocratisch beschavingsideaal paste – zo ontdekte hij gaandeweg – niet in de moderne tijd. Het exclusivisme ervan dreigde in het nationaal-socialisme in zijn tegendeel om te slaan. Noodgedwongen bekende Huizinga zich tot een gangbaarder burgerlijkheid, die niettemin door een steile moraal beheerst werd: soberheid, plicht, trouw, dienstbaarheid, geloof, recht en rede – volgens de opsomming van Krul. Zelfs in de democratie kreeg hij daarmee een zeker, zij het aarzelend vertrouwen, nadat hij het voorbeeld daarvan in de Verenigde Staten zelf had mogen aanschouwen.

Ook daarin lijkt hij op Thomas Mann, die in 1918 nog zijn militante Betrachtungen eines Unpolitischen had gepubliceerd maar tijdens zijn Amerikaanse ballingschap een voorzichtige democraat werd. Heren van stand bleven zij alle twee: de wending tot het volk voltrok zich vanuit een onmiskenbaar negentiende-eeuwse achtergrond, waarin de moraal van een verplichtende zielenadel voor beiden richting gevend bleef.

Ruim een halve eeuw later lijkt zich een omgekeerde wending af te spelen. Het volk heeft zich stevig genesteld in het hart van de samenleving, als een solide en zelfbewuste democratie die al lang niet alleen meer politiek van aard is. Als sjibbolet van de hele beschaving geldt het volksbewustzijn als het richtsnoer van smaak, gedrag en norm op ieder gebied. En gaandeweg dreigt ook dat beschavingsideaal om te slaan in zijn hufterige tegendeel, nu niet uit naam van een aristocratisch exclusivis me maar uit die van een proletarisch anything goes. Terwijl het persoonlijke politiek werd, het private publiek en de individuele luim zijn eigen rechtvaardiging, verdween de afstandelijkheid die de scheidslijn bewaart tussen het wel- en het niet-betamelijke.

Zo zouden Mann en Huizinga het huidige tijdsgewricht ongetwijfeld hebben beoordeeld. Te veel subject en onvoldoende stand. Te veel eer voor het spontane en te weinig voor bezonnenheid. Te weinig scheiding tussen de verschillende levenssferen en te ruim baan voor de driften waarin een simpel begrepen psychoanalyse een bevrijding wilde zien. En vooral: te veel toegeeflijkheid, om te beginnen van het individu jegens zichzelf.

Als dat een definitie van de mens is naar zijn laagste vermogens, dan lijkt de huidige cultuurkritiek opnieuw de burgerlijke deugdzaamheid te zoeken, nu niet van boven- maar van onderaf. Het schrikbeeld is geen exclusivisme meer, maar een holisme waarin elk onderscheid verdwijnt en de victorie gaat naar de primitiefste leefregel die zelf wel uitmaakt wat zijn wetten zijn. Burgerlijkheid wordt een getemde democratie, die een lijn trekt tegenover het romantisch individualisme waarin elke vrijheid blijheid is.

Als Huizinga de mens zag als een homo ludens, dan alleen als de speler die weet hoe serieus zijn spel is. Zijn ernst is zijn terughoudendheid: een strikte scheiding tussen ziel en wereld. Pas zo wordt hij geciviliseerd: een honnète homme naar oude snit, en op een burgerlijke wijze deftig.