De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

#13: Glenn Helberg

‘Degene die ontmenselijkt, ontmenselijkt zichzelf’

Mounir Samuel praat de komende tijd vanuit huis met uiteenlopende mensen over hoe zij de coronacrisis ervaren en hoe ze zich de wereld voorstellen als het virus bedwongen is. In aflevering 13: psychiater Glenn Helberg.

Glenn Helberg zit wat ongemakkelijk voor de camera van z’n telefoon. Zoals vrijwel iedereen heeft hij last van coronakilo’s. ‘De kleren gaan niet helemaal goed dicht. De knoopjes schieten los. Als kind ben ik erg dik geweest, toen afgevallen en vervolgens heb ik een vrij lange periode gekend waarin mijn lichaamsbeeld zich moest aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid, namelijk dat ik wel degelijk slank was. Nu de kleren opeens weer strakker zitten, roept dat een oud gevoel van vroeger op.’ De psychiater kan zijn eigen worstelingen moeiteloos benoemen. ‘Is het vermoeiend om je eigen gedragingen, gevoelens en denkbeelden zo goed te kunnen doorgronden en evengoed toch te ervaren?’

‘Nee, het is niet vermoeiend… méér,’ antwoordt Helberg, met nadruk op dat laatste woord. ‘Ik kan mijn denken en gevoelens duiden.’

Helberg kwam als kind in enkele weken enorm aan. Zijn moeder lag in het ziekenhuis en de jonge Helberg werd door zijn tante opgevangen. Die tante nam de zorgplicht hoog op, iets te hoog. ‘Ik werd volgestopt met eten vanuit de gedachte: als je er lekker rond uitziet ben je gezond.‘ Het kostte hem jaren om de kilo’s weer kwijt te raken. Echt verliezen deed hij ze pas toen hij als student vanuit Curaçao naar Nederland kwam om geneeskunde aan de Universiteit Utrecht te studeren. In Curaçao werkte hij korte tijd als huisarts en als arts-assistent in de psychiatrie. Later keerde hij definitief terug naar de Nederland voor zijn specialisatie in de kinder- en jeugdpsychiatrie, onder meer in het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

Hij had weinig op met de heersende westerse normen en witte blik in de medische wereld en verdiepte zich in de psychiatrie van niet-westerse culturen. Samen met anderen startte hij in Amsterdam het Expertisecentrum Transculturele Therapie, dat uitgaat van het principe dat iedereen in een systeem leeft en een relatie tot één of meerdere culturen heeft – óók de witte Nederlander. Van de laatste wordt de cultuur normaliter als maatstaf genomen en deze wordt dus niet bevraagd of getoetst, zelfs al is helemaal niet gezegd dat de cliënt er een prettige verhouding mee heeft. ‘Als een wit persoon binnenkomt, ga ik er niet vanuit dat die geen context of cultuur heeft’, verduidelijkt Helberg. Uiteindelijk heeft de therapie tot doel mensen in hun context en cultuur tot hun volledige individuele zijn en kracht te brengen.

Helberg is nét-gepensioneerd psychiater en ook gepassioneerd activist, ook al wil hij zichzelf absoluut niet zo noemen. ‘Ik heb mijn spreekkamer wél verruild voor de samenleving om woorden te geven aan wat ik in de praktijk zag, hoe mensen gemarginaliseerd raken en ziek worden.’ Hij heeft zich zijn hele werkzame leven ingezet voor de positie van Antillianen en mensen van kleur. Hij geeft nog regelmatig lezingen en coachingsessies. In 2013 werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau en in 2019 kreeg hij de oeuvreprijs van de Black Achievement Awards.

Helberg spreekt zeer open over zijn afkomst, huidskleur, homoseksualiteit, spiritualiteit, over politiek, maatschappij, black lives matter en ook over de voor mij bekende worsteling met het lichaam. ‘Mijn geest probeert nog steeds in lijn te komen met mijn fysieke verandering,’ biecht ik aan hem op, verwijzend naar mijn transitie richting de man die ik altijd al was, maar voor de buitenwereld pas duidelijk werd na 15 juli 2016 met de start van hormoonbehandelingen. ‘Nog steeds is het beeld in mijn hoofd en de werkelijkheid in de spiegel enigszins diffuus. Het is heel lastig om dat aan mensen uit te leggen.’

‘Leg het mij uit,’ zegt Helberg.

‘In mijn hoofd ben ik altijd al man geweest. Dus als ik in de spiegel keek vroeg ik me telkens af wie die “vrouw” was. Ik kon mij niet tot haar relateren. Ik vond haar sexy, ik wilde met haar daten. Dat was de mate van dissociatie die ik met mijn spiegelbeeld had. Ik vond dat lichaam mooi, een prachtig lichaam, maar het was niet mijn lichaam.’

‘Ja, ja,’ reageert Helberg.

‘Als kind tekende en schilderde ik veel en maakte tal van zelfportretten. Het grappige is: ik ben er exact zo uit gaan zien.’

‘Wow!’ Helberg kijkt geïntrigeerd.

‘Thuis hadden wij weinig spiegels. Mijn moeder is calvinistisch en vindt spiegels maar ijdel. Ik werd daarom niet veel met mijn beeltenis geconfronteerd, maar wanneer ik wel in een spiegel keek was dat heel verwarrend. Als ik nu langs een spiegel of raam loop en er een zijdelingse blik op werp, ervaar ik nog steeds een moment van verbazing, ja zelfs verwondering. Langzaam valt dat beeld van de man die ik ben eindelijk samen met de projectie die ik al die tijd in mijn hoofd had. Tegelijkertijd hecht ik eigenlijk weinig waarde aan mijn lichamelijke vorm en heb ik mijn fysieke transitie lang uitgesteld. Gender zou nooit over lichamelijke manifestatie moeten gaan. Ik ervaar veel weerstand tegen de constante maatschappelijke fixatie op iemands geslacht en geslachtsdelen en die obsessie met wat er “in de broek” zit.’

‘Als mens zijn we altijd in transitie,’ reageert Helberg. ‘We hebben verschillende levensfasen. Ik heb ze ingedeeld in vier kwadranten opgesplitst in vijfentwintig jaar, dus nul tot vijfentwintig, vijfentwintig tot vijftig et cetera. In iedere levensfase zijn er zaken waartoe een mens zich dient te verhouden, in evenwicht mee moet komen en rust in moet vinden. Dit is onder andere je fysieke verschijning. De één heeft het voorrecht zijn geslacht te kennen en dat is het dan. Jouw ervaring geeft echter heel duidelijk weer hoe het lichaam in verschillende levensfases een onderdeel blijft om je toe te verhouden. Zelf moet ik me verhouden tot een lichaam dat ouder wordt en dat sommige dingen niet meer kan vanwege ongelukken. Zo was ik vroeger bijvoorbeeld een fervent danser, maar omdat ik niet meer dans is mijn lichaam verzwakt geraakt, waardoor ik andere problemen heb gekregen en nu met een stok loop.’

‘Nou, ik wil best wel met je dansen hoor, Glenn,’ zeg ik droogjes. ‘Er zijn een hele hoop Egyptische volksdansen mét stok!’ Helberg barst in lachen uit. ‘Zodra ik op een dansvloer sta gelooft niemand dat ik in het dagelijkse leven met een stok loop!’

De psychiater noemt z’n losse voetjes op de dansvloer ‘de kracht van de opgeslagen herinnering van het lichaam’. Het lichaam kent echter meer opgeslagen herinneringen die plotseling kunnen worden getriggerd en geactiveerd, zoals bij miljoenen zwarte mensen in de afgelopen weken het geval was. Zij ervaren de pijnlijke schokeffecten van eeuwenlang intergenerationeel trauma.

‘Hoe is het om je een leven lang, in ieder kwadrant weer, noodgedwongen te verhouden tot het hebben van een zwarte huid?’ vraag ik. Helberg reageert niet direct. ‘Een zwarte huid,’ mijmert de psychiater terwijl hij de woorden zichtbaar proeft. ‘Een zwarte huid staat voor mij voor alles wat zwart is.’ Hij zucht even en schraapt zijn keel. ‘Laten we beginnen bij de lichamelijke kenmerken van een zwarte huid, zoals deze worden gedetermineerd en benoemd door de witte blik. De brede en platte neus, dikke lippen, de fixatie op de geslachtsdelen en of deze voldoen aan het oordeel van de witte wereld, de vermeende fysieke kracht ook. Als een zwarte voetballer succesvol is wordt dat niet toebedeeld aan de inspanningen die hij of zij levert, maar als een logisch gevolg van natuurlijke aanleg beschouwd.’

© Eveline Renaud

Een zwarte huid staat symbool voor karakter, vervolgt Helberg. ‘Zwart staat voor dom, hyperseksueel, agressief, lui, luid. Een zwarte huid geeft vermeende inzichten in familiestructuren en relaties. Dat de gezinsstructuur niet oké is, de vader afwezig, mensen oordelen hebben over de kinderen. Ouders moeten oppassen dat hun kinderen op straat geen stoute dingen doen want ze willen niet dat hun kind als “zwart” wordt gezien, omdat het dan eerder door de politie kan worden aangesproken of opgepakt, terwijl het kind zich slechts manifesteert als een kind in ontwikkeling en oefent in het leven. Een zwarte huid staat voor ongelijkwaardigheid en ongelijkheid ten aanzien van de ander. Wanneer een zwarte persoon de top bereikt zullen mensen hem of haar naar beneden halen, want gelijkwaardigheid is bedreigend en ongewenst en een directe aanval op het systeem. Een zwarte huid kent geen geschiedenis, deze is immers weggeschreven. Een zwarte huid betekent bekneld zitten in een koloniaal systeem dat institutioneel racisme ontkent terwijl de zwarte persoon er dagelijks mee geconfronteerd wordt. Een zwarte huid staat gelijk aan criminalisering en het feit dat het logisch wordt gevonden dat criminaliteit met die huidskleur samengaat en niet een gevolg van omstandigheden is of het resultaat van een samenleving die zwartre mensen uitsluit.’

Hoe ervaar jij dit zelf?

‘Ik heb mij een groot deel van mijn leven tot al deze zaken verhouden en word gedwongen mij telkens opnieuw af te vragen: klopt dit, ben ik dit wel of niet? Dat kost heel veel energie. Jonge mensen verliezen veel kostbare energie die ze hierdoor niet in vrijheid op hun ontwikkeling kunnen richten.’

Volgens Helberg lijden veel zwarte jongeren aan negatieve identificatie door ‘benoemingsstress’ in de trant van: ‘als je toch denkt dat ik dom/lui/crimineel ben, zal ik dat zijn ook’. Zo worden stereotypen onbedoeld bevestigd en uitvergroot. Hij vindt het belangrijk dat zwarte gemeenschappen wereldwijd de verdeel- en heerscultuur doorbreken die hen eeuwenlang uit elkaar heeft gedreven. ‘We moeten af van het onderlinge wantrouwen dat tijdens het kolonialisme is gecreëerd om te voorkomen dat er eenheid tussen zwarte mensen ontstaat. Er is onderlinge solidariteit nodig, juist om economisch sterke gemeenschappen te worden.’ Volgens de psychiater lijkt het alsof je in deze materiële wereld alleen respect kan afdwingen door economisch succesvol te zijn, al is dat nog een hele uitdaging. Het hele economische systeem is immers gebouwd op uitbuiting van het moederland en de exploitatie van bruine en zwarte mensen.

‘Ik denk dat het heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om als wit mens echt te begrijpen wat het betekent om zwart te zijn. Wit is evengoed een product van socialisatie dat nu juist gaat over allerlei projecties op zwarte mensen. Witte mensen groeien letterlijk op met allerlei ideeën over hoe de zwarte mens in elkaar zit. James Baldwin zei over Nederland al: “Als je naar de Verenigde Staten kijkt, denk dan niet dat het Amerikanen zijn. Het zijn jullie kinderen.” Daarom spreek ik over Euro-Americans. Witte Amerikanen zijn ook Nederlands nalatenschap en geschiedenis.’

In zijn praktijk behandelde Helberg veel witte cliënten. Het viel hem op dat de witte en niet-zwarte cliënten die zich tegen racisme keerden, zelf vormen van uitsluiting hadden meegemaakt. ‘Bij deze cliënten kwam tijdens de therapie vaak de toxische herinnering, het trauma, tevoorschijn. Hierdoor hadden zij een groter vermogen om de pijn van de ander te voelen en te erkennen en daar niet met de bekende mechanismen van ontkenning overheen te walsen, maar het onrecht te willen bestrijden. Niet in de vorm van zielig vinden en willen helpen trouwens’, voegt hij er haastig aan toe. ‘Want in dat “helpen” zit evengoed een vorm van witte superioriteit, in de trant van: “Kijk hoe goed ik bezig ben!”’

Het is zijn doel ieder mens in z’n volle kracht en potentie te zetten. Zijn hoofdvraag in werk en leven is: Op welke manier zorgen we dat iedereen tot zijn recht komt? ‘Ik ben opgegroeid in de tijd van black is beautiful, de moord op Martin Luther King Jr, the civil rights movement, groeiend bewustzijn over wie je wil zijn, je seksualiteit, de vrijheid in de liefde. Een belangrijke leidraad voor mij is de notie van zelfverwezenlijking. Ik wil zoveel mogelijk mijzelf worden zonder iemand tot last te zijn, behalve dan degene die hun eigen beperkingen op mij projecteren.’

‘Ik merk dat mijn bestaan veel vragen en onrust oproept bij de ander. Dat mijn simpele aanwezigheid als een confronterende spiegel werkt’, merk ik op.

’Mijn vraag was altijd: Hoe kan ik zo vrij mogelijk zijn en me aan de ander aanpassen?’ antwoordt hij. ‘Maar ook: Waar moet de ander zich aanpassen aan mij? Dat laatste is nog een hele uitdaging. In het leven verhouden we ons als mensen tot elkaar. Het kan niet zo zijn dat ik mijzelf alleen maar aanpas. Als we ervan uitgaan dat het persoonlijke politiek is, is dit vraagstuk dat dus ook. Alles wat ik doe, kan als een verandering worden gezien en dus als politiek worden beschouwd. Voor mij is dat de strijd voor de vrijheid van iedereen, of je nu een gekleurde huid hebt, homoseksueel bent, kinderen wil of niet.’

Deze zaken zijn tot zijn genoegen meer gemeengoed geworden. ‘Niet zozeer dat we vrij zijn, maar wel dat we degenen die ons onvrij willen maken daarop aanspreken. Ik moet iets doen om een persoon die discrimineert duidelijk te maken dat hij iets doet wat mijn vrijheid beperkt, maar ook zijn eigen vrijheid beknelt. Racistische denkbeelden en gedrag zetten uiteindelijk een persoon in een eigen nekklem vast. Degene die ontmenselijkt, ontmenselijkt zichzelf.’

Uitsluiting en discriminatie komen volgens Helberg voort uit een gedachte van superioriteit, waarmee de menselijkheid in de dader zelf kapot wordt gemaakt. Menselijkheid gaat immers uit van volstrekte gelijkwaardigheid. ‘Ik ben blij om te zien dat zoveel mensen hier nu mee bezig zijn en zich voor deze kwesties inzetten, waardoor ik kan zeggen: “Ha, ik mag het rustiger aan doen.”’

Hoe kijk je naar de internationale protesten tegen racisme die al meer dan een week aan de gang zijn?

‘De beelden van de moord op Floyd waren voor veel mensen schokkend, zeker ook voor mij. Het eerste moment dacht ik: dit is te veel, het moet stoppen en ik verwachtte een heftige reactie. Dit onrecht raakte me diep. Ik voelde me dagenlang onrustig. Wat we nu aan protesten zien is een opeenstapeling van woede en pijn over al die mensen die in de Verenigde Staten vermoord zijn, maar ook over het onrecht dat zwarte mensen hier in Nederland meemaken. Want ook hier worden mensen uitgesloten en vermoord door geweld vanuit de staat.’

Helberg neemt het woord “politie” bewust niet in de mond. Tegelijkertijd draagt de politie als lange arm van die staat wel degelijk grote verantwoordelijkheid. Volgens cijfers en onderzoek van Controle Alt Delete zijn sinds 1 januari 2016 41 mensen onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse politie omgekomen. De helft van hen had een niet-westerse achtergrond. In géén van de gevallen ging het openbaar ministerie over tot vervolging van de desbetreffende agenten. Alleen in de eerste helft van 2020 zijn al acht mensen in handen van de politie omgekomen.

‘Het choqueert mij dat juist nu de nieuwe ambtsinstructie van de politie in de Eerste Kamer ter beoordeling ligt die de geweldsbevoegdheden van de politie aanzienlijk verruimt’, reageert hij. Organisaties als Controle Alt Delete, Amnesty International en de Nederlandse orde van advocaten waarschuwen al sinds de zomer van 2018 tegen deze verruiming die het gebruik van pepperspray en de taser straks bij iedere vorm van verzet toelaatbaar maakt, of het nu een overval of wildplassen betreft. ‘Als ik nadenk over de positie van zwarte mensen en de rol van institutioneel racisme, zullen zij zeker disproportioneel door deze verruiming worden geraakt,’ zegt Helberg. ‘Dus terwijl we beelden vanuit de Verenigde Staten zien en we hier tegen dat politiegeweld demonstreren, bieden we intussen de mogelijkheid om racisme hier meer baan te geven. Onbegrijpelijk.’

Over de demonstraties in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht plaatste hij een post op Facebook: ‘Is er eindelijk ruimte in ons land om te zien dat racisme uitsluit, ziek maakt en tot de dood leidt? In de vier grote steden is een krachtig signaal gegeven dat het racisme dood moet. Niet de gekleurde of zwarte mens.’

‘Ben ik ontroerd?’ vraagt hij. ‘Ja. Ik heb tranen in mijn ogen, dat zegt alles.’

Het lichaam is sterfelijk. Terwijl jonge generaties het activistische stokje overnemen, houdt Helberg zich bezig met de vragen die horen bij zijn kwadrant of levensfase. Hij leed enkele weken aan corona en worstelt met een chronische nierziekte. Het geeft zijn levensdagen een bewuste urgentie. ‘Hoe heb ik een zodanig kwalitatief leven, dat ik op het moment dat ik doodga dat in rust kan doen?’ vraagt hij zich hardop af. ‘Ik hoop zelfs dat ik de vrede heb, dat op het moment dat ik de ogen sluit - wat hopelijk een mooi, bewust proces mag zijn – ik…’ Helberg zoekt naar woorden en biecht op dat hij het voor het eerst hardop over zijn dood heeft ‘… het leven verlaat terwijl ik een heel mooi lied zing.’

Je wil met een lofzang op het leven sterven?

‘Of het op het leven is, weet ik niet. Maar een lied dat mij zegt dat het goed is.’

Dat je een mooi voltooid leven hebt gehad? Dat je niets hebt achtergehouden, dat het rond is?

‘Ook dat weet ik niet, of het voltooid is, maar wel dat het oké is, dat ik mág gaan,’ zegt Helberg, die zichzelf geen boeddhist noemt maar wel stelt de boeddhistische weg te bewandelen. ‘Die weg leert mij dat de wijze waarop ik sterf iets zegt over hoe ik verder zal gaan. Dus voor mij is de komende tijd heel belangrijk. Ik blik terug op mijn leven en kijk wat mij nog te doen staat. Zodat als ik kom te overlijden ik voor een volgende fase de juiste ingrediënten heb.’

Voor een volgend leven na de dood, in gereïncarneerde vorm?

‘Ja, als ik reïncarneer zou ik het heel fijn vinden om op geestelijk niveau verder te zijn.’

Dus dat dit leven een stapsteen blijkt in de richting naar verlichting?

‘Ja, precies.’

Helberg denkt zijn hele leven al na over de dood. ‘Ik vond het als arts altijd al fijn om mensen in de dood te begeleiden. Voor mij is dat geen zaak die je kunt verdringen. Ik heb als dertienjarige het overlijden van mijn moeder heel bewust meegemaakt, dus anders dan mijn collega’s schuwde ik als jonge arts de dood niet. Ik had de dood al gezien, aangeraakt en geroken.’

Het moment dat Helbergs moeder de aard en omvang besefte van haar chronische nierziekte, begon ze haar gezin voor te bereiden op haar vertrek. Het thema ‘als ik er niet meer ben’ speelde in zijn opvoeding daarom een grote rol.

Bij deze zegen ik jou en geef ik jou een leven lang in de naam van Christus. Ik sla demonstratief een kruis en Helberg lacht luid. Ik wil dat hij langer blijft, hier in het derde kwadrant. Jonge generaties hebben wijzen en ouderen nodig die hen kunnen gidsen en coachen. Ziet hij voor zichzelf nog een maatschappelijke rol?

‘Op het moment dat ik zeg dat ik het stokje wil doorgeven, dan heb ik het eigenlijk over de drang die in mij zat als jongeling. Die geef ik door. Tegelijk zal ik nooit een van de levenslessen vergeten die ik als medische student opdeed toen ik ouderen moest interviewen in een bejaardentehuis. Een man zei tegen mij: “Glenn, al die mensen hier zitten te wachten op de dood. Ik niet.” Hij leerde mij dat als je op jonge leeftijd al initiatiefvol bent, het leven invulling geeft, het niet zo zal zijn dat je op oudere leeftijd niets meer doet. Ik heb altijd gekeken hoe ik voor de ander of voor de samenleving van bekentenis kan zijn en dat doe ik nog steeds. Ik heb bepaalde kennis opgedaan en die wil ik niet zomaar weggooien, dus ik ben een boek aan het schrijven waarin ik mijn werkwijze wil vastleggen, ik doceer nog steeds transculturele systeemtherapie.’

Helberg is 65. Zijn moeder was 51 toen ze overleed. ‘Maar dat waren andere tijden, ik heb een niertransplantatie gehad. Ik heb veel meer privileges.’

Heb je een schuldgevoel over dit privilege?

‘Nee. Mijn moeder was zo accepterend in wat ze meemaakte. Ik heb van haar heel veel acceptatie geleerd. Ze heeft me heel rijk achtergelaten. Emotioneel rijk.’


Deze serie is onderdeel van het boek Noodzakelijke gesprekken: Reflecties op een nieuwe wereld (september 2020, Uitgeverij Jurgen Maas).